Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1645

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2004
Datum publicatie
14-01-2004
Zaaknummer
200302501/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) conform het bepaalde in artikel 26a, tweede lid, van de Algemene Politieverordening voor

’s-Gravenhage 1982 (hierna: APV) aan appellanten bekend gemaakt dat in de Hoge Nieuwstraat te Den Haag hangende verlichting zal worden aangebracht, bestaande uit een zestiental overspanningen die door middel van een muurverankering aan de panden van appellanten zullen worden bevestigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/119

Uitspraak

200302501/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. de vennootschap naar buitenlands recht “City Proporties Limited”, gevestigd te Jersey, Verenigd Koninkrijk, en

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 12 maart 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) conform het bepaalde in artikel 26a, tweede lid, van de Algemene Politieverordening voor

’s-Gravenhage 1982 (hierna: APV) aan appellanten bekend gemaakt dat in de Hoge Nieuwstraat te Den Haag hangende verlichting zal worden aangebracht, bestaande uit een zestiental overspanningen die door middel van een muurverankering aan de panden van appellanten zullen worden bevestigd.

Bij onderscheiden besluiten van 21 mei 2002 heeft het college de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 maart 2003, verzonden op 13 maart 2003, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellante sub 1 bij brief van 17 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2003, en appellanten sub 2 bij brief van 17 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr J.J. Kerssemakers, advocaat te Den Haag, en appellanten sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. W.K.H. Berghuis, advocaat te Den Haag, en ing. B.R. van der Kooij, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 26a, eerste lid, van de APV is de rechthebbende op een bouwwerk verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van burgemeester en wethouders, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel maken burgemeester en wethouders tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid hun besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

2.2. Het college heeft in het kader van het in 1988 vastgestelde plan

“De Kern Gezond”, dat op de herinrichting van de openbare ruimte in de Haagse binnenstad ziet en waarvan een verlichtingsplan deel uitmaakt, aan appellanten bij brief van 26 oktober 2001 bekend gemaakt - kort samengevat - dat in de Hoge Nieuwstraat te Den Haag hangende verlichting aan de panden van appellanten zal worden aangebracht.

2.3. Appellanten bestrijden het oordeel van de rechtbank dat evenbedoelde brief als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet worden aangemerkt. Daartoe betogen zij dat hier sprake is van een informatieve mededeling, die niet is gericht op rechtsgevolg.

Dit betoog faalt. Uit artikel 26a, eerste lid, van de APV vloeit onder meer voort dat de rechthebbende op een bouwwerk verplicht is toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen of voorzieningen ten behoeve van de openbare verlichting worden aangebracht. Die plicht voor de rechthebbende om te gedogen dat verlichting aan zijn eigendom wordt aangebracht, wordt op grond van het bepaalde in het tweede lid van dat artikel nader geconcretiseerd door de bekendmaking op wie die plicht in een specifiek geval rust. Hieruit volgt naar het oordeel van de Afdeling dat de brief van 26 oktober 2001, die geacht kan worden gebaseerd te zijn op artikel 26a, eerste en tweede lid, van de APV, op rechtsgevolg is gericht en derhalve een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

2.4. Appellanten betogen voorts – kort samengevat - dat de beslissing op bezwaar niet in stand kan blijven, omdat aan de primaire beslissing naar zij stellen formele gebreken kleven. De rechtbank heeft dit volgens hen miskend. Dit betoog faalt evenzeer. De rechtbank heeft, na vaststelling dat het primaire besluit niet door of namens het bevoegde bestuursorgaan is genomen, met juistheid overwogen dat dit bevoegdheidsgebrek - conform vaste jurisprudentie van de Afdeling - geacht kan worden te zijn hersteld, nu het bevoegde orgaan heeft beslist op de door appellanten ingediende bezwaarschriften. Voorts heeft de rechtbank in het betoog dat een rechtsmiddelenclausule ontbreekt onder het primaire besluit en dat dat besluit niet op de juiste wijze is bekendgemaakt, daargelaten de vraag of van het laatstgenoemde sprake is, terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat de beslissing op bezwaar niet in stand kan blijven. Niet is immers gebleken dat appellanten, die ondanks het vorenstaande een bezwaarschrift hebben ingediend en aan wie bekendmaking van het besluit in ieder geval wel heeft plaatsgevonden, hierdoor in hun belangen zijn geschaad.

2.5. Met de rechtbank is de Afdeling tenslotte van oordeel dat, gelet op de ter zake van verlichting voor het betrokken gebied door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals het obstakelvrij houden van de openbare ruimte, uniformiteit in verlichting en goede verlichting van de rijbaan, niet kan worden staande gehouden dat het college, nu het hier een bevoegdheid betreft met ruime beoordelingsmarges, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten in de gehele Hoge Nieuwstraat hangverlichting aan te brengen. De vraag of het verlichtingsplan mede ziet op de Hoge Nieuwstraat is daarbij niet van doorslaggevend belang. Het college heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waarom in dit geval voor die hangverlichting is gekozen. Dat het college heeft besloten om in het aan het uiteinde van de Hoge Nieuwstraat gelegen gebied, waar deze straat aansluit op het Tournooiveld en het

Lange Voorhout, vier klassieke lantaarnpalen te plaatsen, maakt het vorenstaande niet anders. Het college heeft er terecht op gewezen dat dit gebied zich door zijn bredere, meer pleinachtige karakter duidelijk onderscheidt van de rest van de Hoge Nieuwstraat en dat het aansluitende Lange Voorhout door klassieke lantaarns wordt verlicht.

2.6. Hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd in hoger beroep, kan evenmin leiden tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2004

91-391.