Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1634

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2004
Datum publicatie
14-01-2004
Zaaknummer
200303746/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: het college) heeft bij besluit van 14 januari 2003, het wijzigingsplan “Berktweg ongenummerd” vastgesteld.

Bij besluit van 14 april 2003, nummer 889778, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 5 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 augustus 2003.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303746/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Het college van burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: het college) heeft bij besluit van 14 januari 2003, het wijzigingsplan “Berktweg ongenummerd” vastgesteld.

Bij besluit van 14 april 2003, nummer 889778, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 5 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 augustus 2003.

Bij brief van 22 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. R.E. Wannink, advocaat te Den Bosch, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P. van Driel-Faasen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Namens het college zijn mr. M.H.M.E. Rampen en ing. R. Mackaij, ambtenaren van de gemeente, verschenen. Verder is het woord gevoerd door [partij], bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 8.6.2 van de voorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied 1996”, dat op 18 juni 1998 door de gemeenteraad van Haaren is vastgesteld (verder te noemen: het bestemmingsplan).

Het plan maakt de bouw van een boomkwekerijschuur/bedrijfsruimte mogelijk ten behoeve van het sierteeltbedrijf van [partij]. Daartoe is aan het perceel Berktweg ongenummerd te Haaren met de bestemming “Agrarisch gebied” een nieuw “Agrarisch bouwblok” toegekend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Appellante, die in de omgeving van het in geding zijnde perceel een bedrijf exploiteert dat gespecialiseerd is in groenvoorzieningen, stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Volgens appellante is dit plan strijdig met de wijzigingsvoorwaarden die in het bestemmingsplan zijn gesteld. In dit verband heeft zij aangevoerd dat geen sprake is van nieuwvestiging en evenmin van een volwaardig agrarisch bedrijf. Ook meent appellante dat het plan leidt tot een aantasting van het landschap en dat onvoldoende aandacht is besteed aan de landschappelijke inpassing. Ten slotte stelt zij dat niet is gebleken van onderzoek naar alternatieve locaties.

2.4. Het college is van mening dat de wijzigingsvoorwaarden van het bestemmingsplan in acht zijn genomen. Ook overigens ziet het college geen reden om het plan onaanvaardbaar te achten.

2.5. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het wijzigingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Volgens verweerder is het plan in overeenstemming met de wijzigingsvoorwaarden van het bestemmingsplan en met het provinciaal beleid.

2.6. In artikel 8.6.2 van de voorschriften van het bestemmingsplan is aan het college de bevoegdheid toegekend de bestemming “Agrarisch gebied” te wijzigen overeenkomstig artikel 11 van de WRO ten behoeve van de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf door het opnemen van een nieuw “Agrarisch bouwblok”, met inachtneming van – voorzover hier van belang – de volgende bepalingen:

a. er dient onderzocht te worden of er geen reële mogelijkheden bestaan voor de vestiging op een bestaand “Agrarisch bouwblok” binnen het plangebied (hergebruik);

b. het nieuw te vestigen agrarisch bedrijf dient een volwaardig agrarisch bedrijf te betreffen;

c. terzake het bepaalde onder b. dient vooraf het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen te worden ingewonnen;

e. er dient een goede landschappelijke inpassing plaats te vinden en er dient zoveel mogelijk aangesloten te worden bij bestaande bebouwingselementen;

g. de nieuwvestiging mag niet een glastuinbouwbedrijf betreffen;

In artikel 1 van de voorschriften van het bestemmingsplan is bepaald dat onder (nieuw)vestiging van een agrarisch bedrijf wordt verstaan: de vestiging van een agrarisch bedrijf op een nieuw agrarisch bouwblok als gevolg van het oprichten van een nieuw agrarisch bedrijf, het splitsen van een bestaand agrarisch bedrijf, dan wel het verplaatsen van een agrarisch bedrijf naar een nieuw agrarisch bouwblok.

Onder een bestaand agrarisch bedrijf wordt op grond van dit artikel verstaan: een agrarisch bedrijf dat ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan reeds aanwezig was, waarbij redelijkerwijs kon worden gesproken van een bedrijfsuitvoering.

In artikel 1 is verder bepaald dat onder een volwaardig agrarisch bedrijf wordt verstaan: een agrarisch bedrijf met tenminste de arbeidsomvang van een volwaardige arbeidskracht en waarvan de continuïteit ook op langere termijn in voldoende mate is verzekerd.

In dit artikel is ten slotte bepaald dat onder een glastuinbouwbedrijf moet worden verstaan: een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf waarbij de productie geheel of overwegend plaatsvindt in kassen of tunnels met een hoogte van 1,5 meter of meer.

2.6.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het sierteeltbedrijf van [partij] ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan nog niet aanwezig was. Het bedrijf is pas later ter plaatse opgericht, zo is ter zitting door partijen bevestigd. Gezien het bepaalde in artikel 1 van de voorschriften van het bestemmingsplan, kan het bedrijf dan ook niet worden aangemerkt als een bestaand agrarisch bedrijf. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het in dit geval gaat om het vestigen van een nieuw agrarisch bedrijf als bedoeld in de voorschriften van het bestemmingsplan.

2.6.2. Over het onderzoek naar alternatieve locaties heeft het college overwogen dat het uit economisch en financieel oogpunt niet haalbaar is het sierteeltbedrijf te vestigen op een andere plaats. Daarbij stelt het college dat het bedrijf – op basis van een bouwvergunning die op 4 oktober 1999 is verleend voor de bouw van een kas – reeds een begin heeft gemaakt op het desbetreffende perceel. Ook is op dit perceel een containerveld aangelegd. Volgens het college bestaan er dan ook geen reële mogelijkheden voor de vestiging van het bedrijf op een bestaand agrarisch bouwblok binnen het plangebied.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd, leidt de Afdeling niet tot het oordeel dat verweerder niet met dit standpunt van het college heeft kunnen instemmen.

2.6.3. De Afdeling overweegt verder dat de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) in zijn advies van 12 juni 2002 heeft vermeld dat het sierteeltbedrijf in de huidige situatie nog niet de omvang heeft van een volwaardig agrarisch bedrijf, doch een arbeidsbehoefte heeft van ½ à ¾ volwaardige arbeidskracht. De AAB is van oordeel dat hiermee een duidelijke aanzet is gemaakt om te komen tot een volwaardig agrarisch bedrijf en verwacht dat deze aanzet binnen afzienbare termijn zal uitgroeien tot een volwaardig bedrijf. Hiervoor is volgens de AAB in dit stadium een bedrijfsruimte ter plaatse noodzakelijk. Daarbij is vermeld dat de aanvrager in het komend najaar of voorjaar zijn huidige loondienstfunctie zal beëindigen en volledig op het eigen bedrijf werkzaam zal worden.

De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich op basis van dit advies op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een bedrijf dat op korte termijn volwaardig zal zijn. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat ter zitting is gebleken dat [partij] zijn baan inmiddels heeft opgezegd en – met de assistentie van zijn familie en verschillende zaterdaghulpen – volledig in het bedrijf werkzaam is.

2.6.4. Ten aanzien van de landschappelijke inpassing van de op te richten bedrijfsruimte heeft het college overwogen dat deze zodanig zal worden vormgegeven dat sprake zal zijn van compacte bebouwing. Hij stelt daarbij dat de bedrijfsruimte, bezien vanaf de N65 (zichtlocatie), volledig achter de bestaande kas ligt en dat een stuk grond met bebossing bovendien zorgt voor een natuurlijke bufferzone tussen het bedrijf en de N65.

Verweerder heeft hieraan toegevoegd dat de op te richten bedrijfsruimte direct tegen de bestaande kas is geprojecteerd. Ook stelt hij dat de bestaande kas en het op te richten bedrijfsgebouw aan twee zijden worden omringd door beplanting. Gelet hierop stelt verweerder zich op het standpunt dat het wijzigingsplan wat betreft de landschappelijke inpasbaarheid past binnen de voorschriften van het bestemmingsplan.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder dit standpunt ten onrechte heeft ingenomen. Daarbij is van belang dat op het perceel – zoals uit het voorgaande reeds blijkt – al een kas aanwezig is en dat op grond van het wijzigingsplan een nieuw bedrijfsgebouw zal worden gebouwd. Overigens merkt de Afdeling nog op dat ter zitting is gebleken dat aan de overzijde van de Berktweg kassen aanwezig zijn met een veel grotere oppervlakte dan de kas van [partij].

2.6.5. De Afdeling overweegt verder dat de AAB in zijn advies van 12 juni 2002 heeft vermeld dat in de huidige situatie geen sprake is van een gespecialiseerd glastuinbouwbedrijf, nu het gaat om een bedrijf met teelten in een kas, teelten op een containerveld en teelten in de volle grond.

Ook na realisatie van de gevraagde bedrijfsruimte zal volgens de AAB geen sprake zijn van een dergelijk glastuinbouwbedrijf. De AAB heeft bovendien niet de verwachting dat sprake is van een aanzet tot een glastuinbouwbedrijf, gelet op de diverse teelten op het bedrijf. Zo blijkt uit het advies dat de planten in de kas worden beworteld en aangetrokken en dat na afharding op het containerveld buiten een deel van de opgekweekte planten wordt uitgeplant in de volle grond. Ook is in het advies vermeld dat [partij] het resterende gedeelte van zijn perceel wil aanplanten met siergewassen in de volle grond.

Gelet hierop heeft verweerder zich met het college op het standpunt kunnen stellen dat niet de verwachting bestaat dat het bedrijf in de toekomst zal uitgroeien tot een glastuinbouwbedrijf.

2.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt de Afdeling dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat het wijzigingsplan niet in strijd is met de wijzigingsvoorwaarden uit het bestemmingsplan.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd, leidt de Afdeling voorts niet tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring aan het plan heeft verleend. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Breunese-van Goor

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2004

208.