Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1619

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2004
Datum publicatie
14-01-2004
Zaaknummer
200304813/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 mei 2001 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan Motorclub de Peelrijders-Motorsportvereniging Nederweert een tijdelijke vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een motorcrossbaan aan de Leveroijsedijk te Nederweert, kadastraal bekend gemeente Nederweert, sectie T, nummer 33.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 43K

Uitspraak

200304813/1.

Datum uitspraak: 14 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

stichting "Werkgroep Behoud de Peel", gevestigd te Deurne,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Nederweert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2001 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan Motorclub de Peelrijders-Motorsportvereniging Nederweert een tijdelijke vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een motorcrossbaan aan de Leveroijsedijk te Nederweert, kadastraal bekend gemeente Nederweert, sectie T, nummer 33.

Bij uitspraak van 17 juli 2002, 200103105/1, heeft de Afdeling het besluit van 1 mei 2001 gedeeltelijk vernietigd. Verweerder heeft bij besluit van 20 mei 2003 opnieuw in de zaak voorzien en aan “Motorclub de Peelrijders-Motorsportvereniging Nederweert” wederom vergunning verleend voor crossen tijdens trainingen op zondagen van 10.00 uur tot 13.00 uur en op woensdagen van 15.30 uur tot 20.00 uur, behalve op woensdagen in november, december en januari. Dit besluit is op 20 juni 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 21 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door J.H.M. Koopmans, ambtenaar van de gemeente,

zijn verschenen. Namens Motorclub de Peelrijders-Motorsportvereniging Nederweert zijn [gemachtigden] verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft verweerder betoogd dat appellante haar bezwaren betreffende het nadere akoestisch onderzoek niet in haar beroepschrift heeft aangevoerd, maar eerst bij brief, gedateerd op 21 juli 2003, ingekomen bij de Raad van State op 29 november 2003, naar voren heeft gebracht. Volgens hen zou het beroep in zoverre niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

De Afdeling constateert dat appellante in haar beroepschrift, onder het kopje ‘conclusie’, heeft aangevoerd dat de aannames in het onderzoek niet zijn onderbouwd en dat de in het verslag weergegeven conclusies niets afdoen aan de omstandigheid dat piekgeluiden, veroorzaakt door trainingen, een storende invloed hebben op het broedgedrag van vogels. De in bovengenoemde brief aangevoerde gronden betreffende het nadere akoestische onderzoek vinden mitsdien grond in het beroepschrift, zodat reeds hierom geen aanleiding bestaat deze gronden niet inhoudelijk te behandelen.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, moeten aan de vergunning de voorschriften worden verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

De Afdeling overweegt dat bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toekomt, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit.

2.3. De Afdeling heeft bij uitspraak van 17 juli 2002 het besluit van verweerder van 1 mei 2001 vernietigd, voorzover daarbij vergunning is verleend voor motorcrosstrainingen tijdens de broedperiode van vogels (15 maart tot en met 15 juli). Daartoe heeft de Afdeling overwogen dat verweerder had voorgeschreven dat tijdens het broedseizoen geen wedstrijden mogen plaatsvinden in verband met het daardoor veroorzaakte geluid, maar trainingen wel heeft toegestaan, terwijl onvoldoende is gemotiveerd dat tijdens trainingen minder geluid wordt veroorzaakt dan tijdens wedstrijden. Weliswaar is bij wedstrijden het aantal deelnemers (ongeveer 25) veel groter dan bij trainingen, maar naar het oordeel van de Afdeling kon echter niet zonder meer worden aangenomen dat tijdens trainingen geen wezenlijke schrikreacties bij broedvogels zullen optreden, uitsluitend omdat het aantal deelnemers daarbij geringer is dan bij wedstrijden.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder alsnog vergunning verleend voor motorcrosstrainingen tijdens de broedperiode (15 maart tot en met 15 juli).

2.4. De Afdeling stelt voorop dat thans uitsluitend dient te worden beoordeeld of verweerder het thans bestreden besluit heeft genomen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2002.

Appellante heeft een groot deel van haar beroepsgronden, waaronder die betreffende de ondeugdelijkheid van het onderzoek van DLO-IBN, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 9 juni 1999, de aantasting van het leefgebied van de das, een alternatieve locatie en de duur van de vergunning ook aangevoerd tegen het besluit van 1 mei 2001. De Afdeling heeft deze beroepsgronden beoordeeld en heeft in deze beroepsonderdelen geen aanleiding gezien genoemd besluit te vernietigen. Thans ziet de Afdeling geen grond om daar anders over te oordelen. In dit geschil staat uitsluitend ter beoordeling de vraag of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat het belang van de bescherming van het milieu zich niet verzet tegen vergunningverlening voor motorcrosstrainingen tijdens de broedperiode (15 maart tot en met 15 juli).

Appellante heeft in dit opzicht – kort weergegeven – aangevoerd dat het besluit van verweerder niet meer inzicht verschaft in onder meer de effecten van motorcrossactiviteiten op de vogelpopulatie dan het gedeeltelijk vernietigde besluit van 1 mei 2001.

2.5. Verweerder heeft aan zijn besluit de motivering ten grondslag gelegd dat het crossen tijdens wedstrijden hogere piekgeluiden veroorzaakt dan het crossen tijdens trainingen. Daarbij wijst hij erop dat uit een aanvullend akoestisch onderzoek is gebleken dat het tijdens wedstrijden optredende piekgeluidniveau ongeveer 10 dB(A) hoger is dan bij trainingen. Dit zou worden veroorzaakt door het gelijktijdig starten van motoren bij wedstrijden en omdat meer motoren tegelijkertijd in de baan zijn. Ook zouden andere activiteiten die samenhangen met de wedstrijden, zoals de aanwezigheid van toeschouwers en het geluid van de omroepinstallatie, leiden tot een hoger langtijdgemiddeld beoordelingsniveau.

2.5.1. Het Milieuburo heeft in opdracht van “Motorclub de Peelrijders-Motorsportvereniging Nederweert” een onderzoek verricht naar de geluidbelasting van de activiteiten van de inrichting en daarvan een rapport opgemaakt, gedateerd 5 april 2001. Dit rapport is door verweerder ten grondslag gelegd aan het gedeeltelijk vernietigde besluit van 1 mei 2001.

Naar aanleiding van de Afdelingsuitspraak is door HMB Groep een aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een verslag van 16 april 2003. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder niet ervan mocht uitgaan dat in het aan het verslag ten grondslagliggende onderzoek juiste uitgangspunten zijn gehanteerd en dat de in het verslag vermelde uitkomsten van het onderzoek betreffende het akoestische verschil tussen wedstrijden en trainingen juist zijn.

In het verslag wordt opgemerkt dat de geluidbelasting tijdens wedstrijden hoger zal zijn dan waarvan het Milieuburo is uitgegaan omdat in dat onderzoek een omroepinstallatie niet is meegenomen en van een te laag aantal personenwagens van deelnemers en toeschouwers is uitgegaan. In het verslag staat verder vermeld dat in het eerdere onderzoek op juiste wijze rekening is gehouden met cumulatie van piekgeluiden in de dagperiode. Bij trainingen in de avondperiode zou het gecumuleerde piekgeluidniveau ongeveer 7 dB(A) lager zijn dan waarvan in het onderzoek van het Milieuburo is uitgegaan. Het verschil in geluidbelasting tussen trainingen en wedstrijden in de avondperiode bedraagt mitsdien ongeveer 10 dB(A), aldus luidt het verslag.

De Afdeling constateert dat in het onderzoeksverslag slechts staat vermeld dat de geluidbelasting tijdens wedstrijden ten gevolge van de omroepinstallatie en personenwagens hoger is dan waarvan in het eerdere onderzoek is uitgegaan. Verweerder is er ten onrechte van uitgegaan dat om deze reden de geluidbelasting veroorzaakt door crossen tijdens trainingen lager is dan werd aangenomen. De Afdeling constateert dat verweerder verder zijn besluit heeft gemotiveerd met verwijzing naar het verschil in gecumuleerde piekgeluidniveaus van crosswedstrijden en van het crossen tijdens trainingen, maar constateert voorts dat in het verslag is gesteld noch anderszins is gebleken dat genoemd geluidverschil van invloed is op schrikreacties van broedvogels. Daar komt bij dat in het onderzoeksverslag staat vermeld dat slechts in de avondperiode, en niet ook in de dagperiode, de gecumuleerde geluidbelasting tijdens trainingen lager is dan waarvan eerder is uitgegaan. Voor zover verweerder zich thans op het standpunt stelt dat wetenschappelijk niet kan worden aangetoond dat schadelijke effecten voor vogels in het broedseizoen als gevolg van het crossen zullen optreden, constateert de Afdeling dat verweerder bij besluit van 1 mei 2001 in de schrikreacties van vogels reden heeft gezien geen vergunning te verlenen voor wedstrijden in het broedseizoen. Niet is gebleken van onderzoeksresultaten die dit gewijzigde standpunt rechtvaardigen. Gezien het vorenstaande, is de Afdeling van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd dat het belang van de bescherming van het milieu zich niet verzet tegen vergunningverlening voor motorcrosstrainingen tijdens de broedperiode (15 maart tot en met 15 juli). Het besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond, in verband waarmee het besluit wordt vernietigd.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Nederweert van 20 mei 2003;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Nederweert in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 48,77; het bedrag dient door de gemeente Nederweert te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat door de gemeente Nederweert aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2004

163.