Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1276

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-01-2004
Datum publicatie
07-01-2004
Zaaknummer
200300046/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2002, kenmerk 2001-145, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 1 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een pluimveehouderij met mestverwerking op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummers [-], [-], [-] en [-] (gedeeltelijk). Dit besluit is op 22 november 2002 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Wet milieubeheer 8.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2004/1 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300046/1.

Datum uitspraak: 7 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1] gevestigd te [plaats],

2. [appellanten sub 2], te [woonplaats], en te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], allen te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Raalte,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2002, kenmerk 2001-145, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 1 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een pluimveehouderij met mestverwerking op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummers [-], [-], [-] en [-] (gedeeltelijk). Dit besluit is op 22 november 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 2 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, appellanten sub 2 bij brief van 3 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, en appellanten sub 3 bij brief van 3 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 28 januari 2003. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 29 januari 2003. Appellanten sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 30 januari 2003.

Bij brief van 17 maart 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 3. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en [gemachtigden], appellanten sub 2 en 3, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door J.J.M. Legebeke, H.J.G. Vollenbroek en P.A.M. Kruiper, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Zij heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening benoemd tot deskundige ten einde nader onderzoek te verrichten.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 augustus 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft gesteld dat de beroepen van appellanten sub 3 geheel en van appellante sub 1 voorzover het de grond betreft inzake de inwerkingtreding van de tijdelijke vergunning voor de mestverwerking-installatie niet-ontvankelijk zijn. Voorts heeft verweerder gesteld dat het beroep van appellanten sub 2 voorzover het de gronden betreft inzake de bevoegdheid van verweerder tot vergunningverlening, de verplichting tot het maken van een milieu-effectrapportage, de IPPC- en de Habitatrichtlijn, het handhavingsverleden van vergunningaanvrager, de van de mestverwerking-installatie te duchten ammoniakemissie, de van de inrichting te duchten geluid- en stankhinder, de voorschriften 4.3.1, 4.3.2, 5.4.6, 5.4.9, 6.1.1, 6.1.2, 10.4.10 en 11.1.4, het rook- en vuurverbod in de omgeving van de gasflessen, de wijze waarop het geuronderzoek dient plaats te vinden en de verwijzing naar de NEN-normen niet-ontvankelijk is.

2.1.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.1.2. Anders dan verweerder heeft gesteld vindt het beroep van appellante sub 1 voorzover het de grond betreft inzake de inwerkingtreding van de tijdelijke vergunning voor de mestverwerkinginstallatie wel zijn grondslag in de bedenkingen waarin immers is aangevoerd dat bezwaren bestaan tegen het tijdelijk verlenen van de vergunning voor de mestverwerkinginstallatie. Het beroep van appellante sub 1 is daarom geheel ontvankelijk.

2.1.3. Appellanten sub 3 hebben geen bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 3 redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door appellanten sub 3 gestelde omstandigheid dat zij geen niet op naam gestelde kennisgeving als bedoeld in artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer zouden hebben ontvangen, aangezien verweerder deze kennisgeving blijkens de stukken wel heeft gestuurd aan de gebruikers van gebouwde eigendommen, onder wie appellanten sub 3, die in de directe omgeving van de inrichting liggen. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 3 niet-ontvankelijk is.

2.1.4. Anders dan verweerder heeft gesteld vindt het beroep van [drie van de appellanten sub 2] voorzover het de gronden betreft inzake de bevoegdheid van verweerder tot vergunningverlening, de verplichting tot het maken van een milieu-effectrapportage, de IPPC- en de Habitatrichtlijn, de van de mestverwerking-installatie te duchten ammoniakemissie, de van de inrichting te duchten geluid- en stankhinder, het rook- en vuurverbod in de omgeving van de gasflessen en de wijze waarop het geuronderzoek dient plaats te vinden, wel zijn grondslag in de bedenkingen, waarin is aangevoerd dat verweerder niet het bevoegd gezag is om vergunning te verlenen, een milieu-effectrapportage nodig is, onvoldoende rekening is gehouden met de Habitatrichtlijn, niet wordt voldaan aan de IPPC-richtlijn, de ammoniakemissie toeneemt vanwege de mestverwerkinginstallatie, voor geluidhinder dient te worden gevreesd, onvoldoende vaststaat of aan de geurnormering kan worden voldaan, en een aantal ruimtes onvoldoende zijn beschermd tegen brand. Het beroep van [drie van de appellanten sub 2] voorzover het de gronden betreft inzake het handhavingverleden van de vergunningaanvrager, de voorschriften 4.3.1, 4.3.2, 5.4.6, 5.4.9, 6.1.1, 6.1.2 en 10.4.10, en de verwijzing naar de NEN-normen vindt echter geen grondslag in de bedenkingen. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan hen redelijkerwijs niet kan worden verweten in zoverre geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [drie van de appellanten sub 2] niet-ontvankelijk is voorzover het de gronden betreft inzake het handhavingverleden van de vergunningaanvrager, de voorschriften 4.3.1, 4.3.2, 5.4.6, 5.4.9, 6.1.1, 6.1.2 en 10.4.10, en de verwijzing naar de NEN-normen.

Ten slotte overweegt de Afdeling dat [een van de appellanten sub 2], behoudens de grond inzake de Richtlijn Mestverwerkings-installaties van Infomil, geen bedenkingen heeft ingediend. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan hem dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het beroep van [een van de appellanten sub 2] is daarom, behoudens de grond inzake de Richtlijn Mestverwerkingsinstallaties van Infomil, niet-ontvankelijk.

2.2. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder bevoegd was het bestreden besluit te nemen.

2.2.1. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit) dient de aanvrager in of bij de aanvraag om vergunning als de onderhavige onder meer te vermelden:

d. de indeling, de uitvoering, de activiteiten en de processen in de inrichting en de ten behoeve daarvan toe te passen technieken of installaties, waaronder begrepen de wijze van energievoorziening, voorzover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken;

e. de voor de activiteiten en processen, bedoeld onder d, kenmerkende gegevens met betrekking tot grondstoffen, tussen-, neven- en eindproducten;

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, of Onze Minister bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

Ingevolge artikel 3.1 van het Besluit zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

Categorie 7.1 van bijlage I behorende bij het Besluit betreft, voorzover hier van belang, inrichtingen voor: a. het bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van dierlijke of overige organische meststoffen.

Categorie 8.1 van bijlage I behorende bij het Besluit betreft, voorzover hier van belang, inrichtingen voor: a. het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

Ingevolge categorie 28.4, zoals opgenomen in bijlage I behorende bij het Besluit, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voorzover het betreft inrichtingen voor onder meer: onder a, sub 6°: het opslaan van andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 50 m3 of meer, en onder c,

sub 1°, voorzover hier van belang: het mircrobiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen.

In artikel 1, onder a, van de Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG, (hierna te noemen: de Richtlijn) wordt "afvalstof" gedefinieerd als: "Elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen".

In artikel 1, onder c, van de Richtlijn wordt houder nader omschreven als: "De producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft".

2.2.2. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) heeft in zijn arrest van 18 december 1997 in de zaak C-129/96 (Inter-Environnement Wallonie) geoordeeld dat het toepassingsgebied van het begrip afvalstof afhangt van de betekenis van de term "zich ontdoen van".

Het Hof heeft in zijn arrest van 15 juni 2000, in de gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97 (AB 2000, 311), onder meer voor recht verklaard dat de vraag of sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de Richtlijn, en ervoor moet worden gewaakt dat afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan. Het Hof heeft in genoemd arrest onder meer overwogen dat de omstandigheid dat een bepaalde stof een productieresidu is, een aanwijzing vormt voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich van die stof te ontdoen in de zin van artikel 1, sub a, van de Richtlijn en dat er sprake zou kunnen zijn van een afvalstof.

2.2.3. In de inrichting wordt naast het houden van pluimvee de in de inrichting vrijkomende mest tezamen met van buiten de inrichting afkomstige mest door middel van een composteerproces verwerkt tot een mestprodukt. De gevraagde vergunning voor de mestverwerking is verleend voor een periode van drie jaar. In de vergunningaanvraag die ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit staat vermeld dat ten behoeve van de mestverwerking zogeheten houtchips, afvalproduct van de palletindustrie, worden gebruikt. De toevoeging van de houtchips aan het composteerproces dient volgens de aanvraag ter verhoging van het poriënvolume en de optimalisatie van de koolstof/stikstofverhouding van het mengsel van de mest.

In het licht van het vorenstaande moet het, anders dan verweerder heeft betoogd, ervoor worden gehouden dat ten behoeve van de mestverwerking het gebruik van een van buiten de inrichting afkomstige afvalstof zoals bedoeld in artikel 1, onder a, van de Richtlijn is aangevraagd. In de aanvraag ontbreekt informatie met betrekking tot de opslag en wijze van verwerking van de houtchips. Gelet hierop, alsmede gezien het uitgebrachte deskundigenbericht, kan niet worden uitgesloten dat de capaciteit ten aanzien van de opslag van houtchips 50 m3 of meer bedraagt en/of dat een deel van de houtchips wordt meegecomposteerd. De inrichting zou in dat geval vallen onder categorie 28.4, aanhef en onder a, sub 6, en/of aanhef en onder c, sub 1, zoals opgenomen in bijlage I, behorende bij het Besluit. Dat de houtchips slechts worden gebruikt als hulpstof, zoals verweerder heeft betoogd, doet hieraan niet af.

Vanwege het in de aanvraag ontbreken van deze informatie, en nu verder niet is gebleken dat de aanvraag op deze onderdelen is aangevuld, heeft verweerder niet in redelijkheid kunnen oordelen dat de aanvraag voldoende informatie bevat om te beoordelen of hij wel het bevoegde gezag is. Door niettemin inhoudelijk te beslissen op de aanvraag heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart.

2.3. De beroepen van appellante sub 1 en appellanten sub 2, voorzover ontvankelijk, zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De beroepen behoeven verder geen bespreking. Het beroep van appellanten sub 3 is niet-ontvankelijk.

2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellante sub 1 en appellanten sub 2 te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van appellanten sub 3 bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 3 en dat van [een van de appellanten sub 2], behoudens de grond inzake de Richtlijn Mestverwerkingsinstallaties van Infomil, geheel, en het beroep van de overige appellanten sub 2 voorzover het de gronden betreft inzake het handhavingverleden van de vergunningaanvrager, de voorschriften 4.3.1, 4.3.2, 5.4.6, 5.4.9, 6.1.1, 6.1.2 en 10.4.10, en de verwijzing naar de NEN-normen niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van appellante sub 1 geheel en het beroep van appellanten sub 2 voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Raalte van 12 november 2002,

kenmerk 2001-145;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Raalte in de door appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 856,07, waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de door appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Raalte te worden betaald aan respectievelijk appellante sub 1 en appellanten sub 2;

V. gelast dat de gemeente Raalte aan appellante sub 1 en appellanten sub 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht

(€ 218,00 voor appellante sub 1 en € 109,00 voor appellanten sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Plambeck

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2004

159-399.