Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-01-2004
Datum publicatie
07-01-2004
Zaaknummer
200301640/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 julli 2002 heeft de gemeenteraad van IJsselstein, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, het bestemmingsplan “Landelijk gebied Noord en Zuid” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 februari 2003, kenmerk 2003REG000327i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/4529

Uitspraak

200301640/1.

Datum uitspraak: 7 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellanten sub 4], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 julli 2002 heeft de gemeenteraad van IJsselstein, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, het bestemmingsplan “Landelijk gebied Noord en Zuid” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 februari 2003, kenmerk 2003REG000327i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 12 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2003, appellant sub 2 bij brief van 31 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 3 april 2003, appellant sub 3 bij brief van 7 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2003, en appellanten sub 4 bij brief van 18 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2003, beroep ingesteld. Appellanten sub 4 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 10 mei 2003.

Nader is ingekomen een stuk van verweerder van 9 juli 2003.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 30 september 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigden], appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], appellant sub 3, in persoon en bijgestaan door mr. C.J.R. Binsbergen, advocaat te Alphen aan de Rijn, appellanten sub 4, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door N.M. van Hattem, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van IJsselstein, vertegenwoordigd door ing. B. Sondermeijer en drs. A.Th.M. Hoedemaker, ambtenaren van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.2. [appellante sub 1] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” met de subbestemming “assemblage van aanhangers en opleggers”, toegekend aan het noordelijk deel van haar perceel aan de [locatie sub 1]. Zij wenst voor haar perceel één bouwvlak.

2.2.1. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het bovengenoemde plandeel, omdat met de wijze van bestemmen twee percelen zijn ontstaan, waardoor de bouw van een tweede bedrijfswoning mogelijk wordt. Deze bouwmogelijkheid acht verweerder in strijd met het provinciaal beleid dat in beginsel bij een bedrijf slechts één woning is toegestaan.

2.2.2. In het vastgestelde bestemmingsplan is voor het perceel van appellante voorzien in een plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” met de subbestemming “assemblage van aanhangers en opleggers” en een plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” met de subbestemming “assemblage van aanhangers en opleggers” en de nadere aanwijzing “(s)”. Het plan voorziet derhalve in samenhang met de in artikel 4 opgenomen voorschriften voor de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” in twee te onderscheiden bouwvlakken. Hiertegen heeft appellante geen bedenkingen ingediend.

Ingevolge artikel 56, tweede lid, onder b, van de WRO kan voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring van een bestemmingsplan door een ieder beroep worden ingesteld. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenkingen. Uit de strekking van deze bepalingen vloeit voort dat het beroep tegen een onthouding van goedkeuring slechts ontvankelijk is voorzover door de onthouding van goedkeuring een ongunstiger situatie is ontstaan voor de rechtzoekende. Nu het vastgestelde plan reeds voorziet in twee bouwvlakken doet deze situatie zich niet voor. Voorts is gesteld noch gebleken dat appellante redelijkerwijs niet in staat is geweest ter zake een bedenking in te brengen.

Het beroep van appellante is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.2.3. [appellante sub 1]. stelt verder dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de in artikel 1, onder 8A, van de planvoorschriften opgenomen definitie van terreinafscheiding, voorzover een reeds door haar geplaatst windscherm onder deze definitie valt en daardoor in strijd is met de in artikel 4 opgenomen bebouwingsvoorschriften.

2.2.4. De gemeenteraad acht een regeling voor terreinafscheidingen nodig. Het opnemen van voorschriften ten aanzien van materiaalgebruik en vormen acht hij daarentegen niet toegestaan in een bestemmingsplan.

2.2.5. Verweerder acht dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft het goedgekeurd. Daarbij heeft hij overwogen dat uit landschappelijk oogpunt hogere erfafscheidingen dan 2 meter ongewenst zijn. Verder stemt verweerder in met het standpunt van de gemeenteraad dat in een bestemmingsplan het materiaal en de vorm niet geregeld kunnen worden. Gelet op de plaats van het windscherm acht hij het niet onjuist dat het windscherm als terreinafscheiding moet worden aangemerkt.

2.2.6. In artikel 1, onder 8A, van de planvoorschriften is het begrip terreinafscheiding gedefinieerd als elk bouwwerk dat een begrenzing vormt:

-tussen erven of delen van erven;

-tussen erven en onbebouwde gronden;

dan wel elk bouwwerk of afrastering tussen onbebouwde gronden.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, onder e, in samenhang met de tabel van de planvoorschriften geldt voor terreinafscheidingen een maximale bouwhoogte van 2 meter en voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een maximale bouwhoogte van 3 meter.

De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of het windscherm een terreinafscheiding is als bedoeld in artikel 1, onder 8A, van de planvoorschriften. Blijkens de stukken staat het windscherm, dat een hoogte heeft van 3 meter en een lengte van ongeveer 24 meter, op het erf tussen de achtergrens van het erf en de onbebouwde gronden. Parallel aan het windscherm en direct grenzend aan de onbebouwde gronden ligt over de gehele breedte van het perceel van ongeveer 65 meter een sloot met een wisselende breedte van 2 tot 4 meter. Gelet hierop vormt deze sloot reeds de begrenzing tussen het erf en de onbebouwde gronden. De omstandigheid dat de sloot geen bouwwerk betreft betekent niet dat deze daarom geen begrenzing zou kunnen vormen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het windscherm geen begrenzing vormt tussen het erf en de onbebouwde gronden. Het windscherm is dan ook geen terreinafscheiding als bedoeld in artikel 1, onder 8A, van de planvoorschriften. De hiervoor weergegeven voorschriften laten daarmee het windscherm toe. Uit het voorgaande volgt dat het beroep feitelijke grondslag mist. Het beroep van appellante is in zoverre dan ook ongegrond.

2.3. [appellant sub 2] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden”, voorzover het betreft de woning aan de [locatie sub 2]. Hij voert hiertoe aan dat de woning als tweede bedrijfswoning moet worden aangemerkt. De toegekende bestemming zal leiden tot beperking in de bedrijfsvoering van zijn veehouderij.

2.3.1. De gemeenteraad heeft de bestemming “Woondoeleinden” aan het perceel toegekend, omdat de woning de afgelopen decennia als burgerwoning is gebruikt en er geen redenen zijn om aan te nemen dat een gebruik als burgerwoning niet meer in de rede ligt. Hij heeft daarbij betrokken dat aan het perceel in het voorheen geldende bestemmingsplan eveneens een woonbestemming was toegekend

2.3.2. Verweerder acht dit gedeelte van het plan niet in strijd met de goede ruimtelijk ordening en heeft het goedgekeurd. Hij heeft met de motivering van de gemeenteraad ingestemd.

2.3.3. Blijkens de stukken is de woning sinds de bouw daarvan rond 1935 niet als bedrijfswoning in gebruik geweest. De woning is steeds bewoond door familie van appellant, nadat zij de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf hadden overgedragen. Voorts blijkt uit de stukken dat in het hiervoor geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied noord (1982)” aan het perceel [locatie sub 2] de bestemming “Woondoeleinden” was toegekend. Gelet hierop heeft de in dit plan toegekende bestemming geen verdere beperking van de bedrijfsvoering tot gevolg. Voorts is niet gebleken dat de woning binnen de planperiode in gebruik zal worden genomen als bedrijfswoning. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan dit onderdeel van het plan. Het beroep van appellant is ongegrond.

2.4. [appellant sub 3], die een vleesveehouderij exploiteert aan de [locatie sub 3], stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aan dit perceel toegekende nadere aanwijzing “(zw)”, waardoor de bouw van een bedrijfswoning ten behoeve van zijn bedrijf op dit perceel niet is toegestaan. Appellant voert daartoe aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de noodzaak tot permanent toezicht bij de door appellant gevoerde bedrijfsvorm afwezig acht. In dat verband betwist appellant de toepasselijkheid van de Handleiding Bestemmingsplannen Buitengebied. Voorts acht appellant de noodzaak door verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzocht. Ook had verweerder niet mogen instemmen met volledige uitsluiting van een bedrijfswoning, maar een flexibiliteitsbepaling aangewezen moeten achten, aldus appellant.

2.4.1. Verweerder acht dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft de nadere aanwijzing goedgekeurd. De bouw van een bedrijfswoning op het perceel van appellant is volgens hem in strijd met zijn beleid ten aanzien van eerste agrarische bedrijfswoningen. Daarbij heeft verweerder overwogen dat, hoewel aan de overige eisen is voldaan, de noodzaak voor permanent toezicht bij de hier betreffende bedrijfsvorm niet aanwezig is.

2.4.2. Verweerder heeft op 28 augustus 2001 de Handleiding bestemmingsplannen buitengebied vastgesteld. Tevens heeft bekendmaking plaatsgevonden. Blijkens deze Handleiding heeft verweerder hierin onder meer beleidsregels neergelegd die hij bij de besluitvorming omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan voor het buitengebied toepast. Verweerder kan met betrekking tot een hem toekomende bevoegdheid beleidsregels vaststellen. Gelet hierop heeft verweerder toepassing kunnen geven aan de Handleiding.

In de Handleiding is aangegeven dat het uit landbouwkundig oogpunt en in bepaalde landschapstypen gewenst is het aantal woningen in het landelijk gebied zo beperkt mogelijk te houden. Als beleidsregel is opgenomen dat het oprichten van een nieuwe agrarische bedrijfswoning alleen kan worden toegestaan in die situaties waarin deze duurzaam noodzakelijk is voor de uitoefening van het agrarische bedrijf ter plaatse. Deze duurzaamheid bestaat uit de volwaardigheid van het bedrijf en uit de noodzaak voor permanent toezicht. Verder is als beleidsregel opgenomen dat niet eerder een woning mag zijn afgestoten.

Deze beleidsregels acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk.

Blijkens de stukken exploiteert appellant aan de [locatie sub 3] een rundveevleeshouderij met ongeveer 125 dieren.

In het deskundigenbericht is gesteld dat de op het bedrijf aanwezige levende have permanent toezicht behoeft. De Afdeling ziet geen aanleiding het standpunt van de deskundige niet te volgen. Ter zitting heeft verweerder met het standpunt van de deskundige ingestemd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit op onjuiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat permanent toezicht voor het bedrijf van appellant niet noodzakelijk is. Blijkens het bestreden besluit bestaan voor het overige geen belemmeringen tegen de bouw van een nieuwe bedrijfswoning op het perceel van appellant.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van appellant is gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de nadere aanwijzing “(zw)” ter plaatse van het perceel [locatie sub 3] dient te worden vernietigd. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is ziet de Afdeling tevens aanleiding om goedkeuring te onthouden aan genoemde aanwijzing.

2.5. [appellanten sub 4], die melkveehouderijen exploiteren aan [locatie sub 4] en [locatie sub 5], stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover de daarbij opgenomen voorschriften leiden tot een beperking van de teelt van ruwvoerder, waaronder mais. Zij voeren daartoe aan dat deze beperking leidt tot een belemmering in de bedrijfsvoering van grondgebonden veehouderijen. Appellanten wijzen in dat verband op het beleid van de gemeente om deze bedrijfsvorm juist te stimuleren.

2.5.1. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat een beperking van de teelt van ruwvoeder in zone II nodig is ter bescherming van natuur en landschap, zoals weidevogels, openheid en de zichtbaarheid van de unieke kavelstructuur. De gemeenteraad stelt dat rekening is gehouden met de belangen van de grondgebonden veehouderijen, doordat het toegestane percentage van de gronden dat mag worden gebruikt voor teelt van ruwvoeder is afgestemd op de mogelijkheid te voorzien in eigen gebruik. Verder is in de voorschriften een mogelijkheid opgenomen tot het verlenen van vrijstelling van dit percentage indien dat voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is.

2.5.2. Verweerder heeft de door de gemeenteraad getroffen regeling niet in strijd met een goede ruimtelijk ordening of anderszins in strijd met het recht geacht en heeft deze regeling goedgekeurd.

2.5.3. Aan de gronden van appellanten is de bestemming “Zone II: Agrarisch gebied met ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderij” toegekend. Op themakaart 2 zijn de gronden aangeduid als weidevogelgebied.

2.5.4. In artikel 1, onder 19A, van de planvoorschriften is ruwvoederteelt gedefinieerd als de teelt van ruwvoedergewassen anders dan gras ten behoeve van de grondgebonden en intensieve veehouderij. In artikel 22 van de planvoorschriften is een aanlegvergunningenstelsel opgenomen. In het eerste lid van dit artikel is in tabel 8 bepaald dat het scheuren van grasland ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen in zone II ter plaatse van weidevogelgebied rechtstreeks toelaatbaar is, mits de in het zevende lid opgenomen voorwaarden in acht zijn genomen. Een aanlegvergunning is dan niet vereist. In het zevende lid zijn als voorwaarden opgenomen dat de teelt van ruwvoedergewassen maximaal 30% van de bij een bedrijf behorende grond omvat en dat ten opzichte van sloten teeltvrije zones worden aangehouden met een breedte van ten minste 0.50 meter vanaf de slootkant. Ingevolge artikel 22, achtste lid, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het zevende lid teneinde de oppervlakte waarop ruwvoedergewassen worden geteeld te kunnen verhogen van 30% naar maximaal 40%, indien dit vanuit een oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is.

Blijkens de stukken kan als kenmerkende waarde van polder Broek, waarin de gronden van appellanten liggen, worden vermeld de landschappelijke openheid, die wordt bepaald door de aanwezigheid van aaneengesloten graslanden. De Afdeling is van oordeel dat verweerder met de gemeenteraad in redelijkheid belang heeft kunnen toekennen aan het behoud van onder meer deze waarde. Blijkens de stukken doet de teelt van ruwvoedergewassen, waarvoor het grasland moet worden gescheurd, afbreuk aan genoemde waarde. Niet aannemelijk is gemaakt dat de beperking van de teelt van ruwvoedergewassen tot de omvang als voorzien in de voorschriften voor appellanten in hun bedrijfsvoering aanmerkelijk nadelen met zich brengt.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan dit onderdeel van het plan. Het beroep van appellanten is in zoverre ongegrond.

2.5.5. Ingevolge artikel 14 van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), voorzover zulks noodzakelijk is om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming en voorzover zulks noodzakelijk is ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming.

Ingevolge artikel 16 van de planvoorschriften is het gebied met de bestemming Zone II (Agrarisch gebied met ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderij) bestemd voor:

- optimale ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderij in combinatie met behoud en herstel van de bij het karakter van het gebied behorende landschapswaarden in open veenweidegebied;

- alsmede ter plaatse van het deelgebied IIa, behoud van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het bebouwingslint langs de Achtersloot;

- de doeleinden en bouwmogelijkheden overeenkomstig hoofdstuk II;

- de doeleinden en bouwmogelijkheden, zoals in tabel 2 en artikel 21 aangegeven, hetzij rechtstreeks (toelaatbaar bij wijze van medebestemming), hetzij na vrijstelling of planwijziging;

een en ander met inachtneming van de in dit gebied voorkomende bos- en natuurgebieden en cultuurhistorische en archeologische waarden.

Ingevolge artikel 22, negende lid, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat alsnog het vereiste van een aanlegvergunning ter plaatse van het weidevogelgebied in zone II zal gelden voor het scheuren van grasland ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen, indien blijkt dat de weidevogelstand achteruitgaat. Bij toepassing van deze bevoegdheid wordt aan artikel 22, vijfde lid, een bepaling toegevoegd, waaruit volgt dat de aanlegvergunning wordt verleend indien deze werkzaamheid buiten het broedseizoen (van 1 maart tot 15 juni) plaatsvindt.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 14 van de WRO volgt dat er een uitsluitend en rechtstreeks verband dient te bestaan tussen het aanlegvergunningenstelsel en de te beschermen bestemming. Met het vereiste van een aanlegvergunning als voorzien in artikel 22, negende lid, van de planvoorschriften beoogt de gemeenteraad het weidevogelgebied te beschermen. De Afdeling stelt evenwel vast dat dit blijkens de hiervoor weergegeven doeleindenomschrijving van de bestemming “Zone II : Agrarisch gebied met ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderij” niet in deze bestemming is omschreven. Verder ontbreekt in artikel 16 van de planvoorschriften een verband met het op themakaart 2 aangeduide weidevogelgebied. De in artikel 22, negende lid, van de planvoorschriften neergelegde bevoegdheid tot het opleggen van een aanlegvergunningvereiste als hiervoor weergegeven is dan ook in strijd met artikel 14 van de WRO. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 14 van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van appellanten is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is ziet de Afdeling tevens aanleiding om goedkeuring te onthouden aan artikel 22, negende lid, van de planvoorschriften.

2.6. Ten aanzien van [appellant sub 3] dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellanten sub 4] is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 1, voorzover dit betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” met de subbestemming “assemblage van aanhangers en opleggers” niet-ontvankelijk,

II. verklaart de beroepen van appellant sub 3 geheel en appellanten sub 4 deels gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 18 februari 2003, 2003REG000327i, voorzover het betreft:

- de nadere aanwijzing ("zw") ter plaatse van het perceel [locatie sub 3],

- artikel 22, negende lid, van de planvoorschriften;

IV. onthoudt goedkeuring aan de onder III genoemde aanwijzing en het onder III genoemde planvoorschrift;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

VI. verklaart het beroep van appellant sub 2 geheel en de beroepen van appellanten sub 1 en sub 4 voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht in de door appellant sub 3 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door provincie Utrecht te worden betaald aan appellant sub 3;

VIII. gelast dat provincie Utrecht aan appellanten sub 3 en sub 4 het door hen voor de behandeling van hun beroepen beroep betaalde griffierecht (beide € 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Soede

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2004

270.