Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1268

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-01-2004
Datum publicatie
07-01-2004
Zaaknummer
200205573/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Best, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 2 januari 2002, vastgesteld het bestemmingsplan “Buitengebied Best 2002”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205573/1.

Datum uitspraak: 7 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], handelend onder de naam “[naam]”, wonend te [plaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “All-Tyre B.V.”, gevestigd te Best (hierna: All-Tyre B.V.),

11. de stichting “Stichting Brabantse Milieufederatie”, gevestigd te Tilburg (hierna: de BMF),

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],

13. [appellanten sub 13, gevestigd te [plaats],

14. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],

15. [appellant sub 15], wonend te [woonplaats],

16. [appellant sub 16], wonend te [woonplaats],

17. de stichting “Stichting Werkgroep Behoud en Herstel Bestse en Sonse Bos-, Heide- en Natuurgebieden”, gevestigd te Best (hierna: de Werkgroep),

18. [appellanten sub 18], wonend te [woonplaats],

19. [appellant sub 19], wonend te [woonplaats],

20. [appellant sub 20], wonend te [woonplaats],

21. [appellant sub 21], wonend te [woonplaats],

22. [appellant sub 22], wonend te [woonplaats],

23. [appellant sub 23], wonend te [woonplaats], en

24. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid “Afdeling Best van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie”, gevestigd te Best (hierna: de ZLTO),

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Best, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 2 januari 2002, vastgesteld het bestemmingsplan “Buitengebied Best 2002”.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 september 2002, kenmerk 814978, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen het besluit omtrent goedkeuring hebben appellanten beroep ingesteld.

Verweerder heeft binnen de hem gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 19 maart 2003 en 11 april 2003 heeft verweerder alsnog zijn standpunt ten aanzien van de beroepen uiteengezet.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd op 1 juli 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 en 23 september 2003, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook verweerder en de gemeenteraad van Best hebben zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 21], [appellant sub 22] en [appellant sub 23] hebben aangevoerd dat er twee verschillende versies van het besluit van verweerder bestaan. Zij stellen bij brief van 10 september 2002 een eerste en bij brief van 18 september 2002 een tweede versie te hebben ontvangen. Volgens hen kan aan de tweede versie van het goedkeuringsbesluit geen betekenis worden toegekend.

2.1.1. Ingevolge artikel 10:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt een besluit omtrent goedkeuring bekend gemaakt aan het bestuursorgaan dat het aan goedkeuring onderworpen besluit heeft genomen. Ingevolge artikel 10:29, tweede lid, van de Awb kan de goedkeuring noch voor bepaalde tijd of onder voorwaarden worden verleend, noch worden ingetrokken.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder zijn besluit omtrent goedkeuring van 10 september 2002 op 12 september 2002 heeft toegezonden aan de gemeenteraad en dat hij op 19 september 2002 een “verbeterd exemplaar” daarvan heeft nagezonden, met aanpassingen van de overwegingen en het dictum. In het verbeterde dictum is alsnog aan twee delen van de voorschriften goedkeuring onthouden. Deze aanpassingen van het besluit kunnen naar het oordeel van de Afdeling niet worden aangemerkt als slechts het herstel van een “verschrijving”. Het “verbeterd exemplaar” dient dan ook als een tweede besluit omtrent goedkeuring te worden aangemerkt. Het nemen van dit tweede besluit omtrent goedkeuring is in strijd met artikel 10:29, tweede lid, van de Awb, aangezien dit neerkomt op een intrekking en vervanging van het eerste besluit omtrent goedkeuring.

De beroepen van [appellant sub 3], van [appellant sub 4], van [appellant sub 21], van [appellant sub 22] en van [appellant sub 23] zijn mitsdien geheel gegrond, zodat het tweede besluit omtrent goedkeuring dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 10:29, tweede lid, van de Awb. Omdat de beroepen van de overige appellanten eveneens gericht zijn tegen het tweede besluit omtrent goedkeuring, delen deze beroepen in de gegrondverklaring. Voorts is de Afdeling van oordeel dat de beroepen geacht kunnen worden tevens gericht te zijn tegen het eerste besluit omtrent goedkeuring in zoverre onderdelen daarvan overeenkomen met onderdelen van het tweede besluit. Nu de beroepstermijn, als bedoeld in artikel 56a, aanhef en onder a., van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), is aangevangen door toezending van het eerste besluit omtrent goedkeuring aan de gemeenteraad en de beroepen zijn ingesteld binnen de in artikel 29, derde lid, van de WRO genoemde termijn, kunnen appellanten in beginsel ook in hun beroepen tegen dit eerste besluit worden ontvangen.

2.2. Omschrijving van het plan

2.2.1. Met het plan wordt beoogd het buitengebied van de gemeente Best van een actuele planologische regeling te voorzien. Bij het eerste besluit omtrent goedkeuring (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder grotendeels goedkeuring verleend aan dit plan.

2.3. Ontvankelijkheid

2.3.1. In het stelsel, neergelegd in artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d., gelezen in samenhang met de artikelen 56, tweede lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze en in een tegen het vastgestelde plan bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking. Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, of voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest (tijdig) een zienswijze en een bedenking in te brengen.

2.3.2. De beroepsgrond van de BMF omtrent de omvang van de bestemmingen “Bedrijfsdoeleinden –B-“ in relatie tot de ligging van de niet-agrarische bedrijven in het buitengebied, steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

De beroepsgronden van de Werkgroep omtrent het niet positief bestemmen van een hondenoefenterrein aan de Boslaan Zuid en van een paardenstal tussen de Schietbaanlaan en de Oude Sonsedijk, steunen niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

De beroepsgronden hebben geen betrekking op een bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijziging en zijn niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring. Gesteld noch gebleken is dat appellanten redelijkerwijs niet in staat zijn geweest ter zake een zienswijze in te brengen. De beroepen van de BMF en van de Werkgroep zijn in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.3.3. De beroepsgrond van de ZLTO gericht tegen artikel 22, vierde lid, onder 9., van de voorschriften, berust niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. De beroepsgrond heeft geen betrekking op een bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijziging en is niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring. In de uit de stukken blijkende omstandigheid dat hetgeen in het ontwerp-plan was opgenomen in artikel 22, vierde lid, onder 9., in een voorontwerp was vermeld onder artikel 22, vierde lid, onder 5., en de ZLTO wel tegen artikel 22, vierde lid, onder 5., een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht, ziet de Afdeling geen reden te oordelen dat appellante niet in verzuim is geweest. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat dit voorontwerp niet als ontwerp-plan ter inzage heeft gelegen gedurende de termijn voor het indienen van een zienswijze. Ook overigens is niet gebleken dat de ZLTO redelijkerwijs niet in staat is geweest ter zake een zienswijze in te brengen. Het beroep van de ZLTO is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.3.4. De beroepsgrond van de Werkgroep omtrent het ontbreken van een compensatieplicht bij het wijzigen van de bestemming “Bos” in de bestemming “Recreatieve doeleinden –R-”, berust niet op een bij verweerder ingebrachte bedenking. Deze beroepsgrond is niet gericht tegen een onthouding van goedkeuring. Gesteld noch gebleken is dat appellante redelijkerwijs niet in staat is geweest ter zake een bedenking in te brengen. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.4. Toetsingskader

2.4.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit van verweerder overgaan, indien moet worden geoordeeld dat hij de aan hem toekomende beoordelingsmarge heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.5. Algemene bezwaren

2.5.1. [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 8], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23] en de ZLTO hebben aangevoerd dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte het beleid uit het nieuwe streekplan als toetsingskader heeft gebruikt. Zij betogen dat ten tijde van de vaststelling van het plan het nieuwe streekplan nog niet in werking was getreden. Voorts hebben [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 21], [appellant sub 22] en [appellant sub 23] nog gewezen op de zogeheten “Overeenkomst van Cork” van 11 juli 2003. Volgens hen blijkt ook uit dit akkoord dat rekening gehouden had moeten worden met het vorige streekplan.

2.5.2. Het streekplan “Brabant in Balans” (hierna: streekplan) is door provinciale staten op 22 februari 2002 vastgesteld. In het streekplan is, voorzover hier van belang, vermeld dat het ruimtelijke beleid dat daarin is geformuleerd, geldt met ingang van de dag van publicatie. Voorts is daarin vermeld dat verweerder medewerking kan verlenen aan plannen en projecten die strijdig zijn met de beleidslijnen van het streekplan, maar waarover de Provinciale Planologische Commissie (hierna: PPC) voorafgaande aan de inwerkingtreding van het streekplan positief heeft geadviseerd in het kader van het overleg op grond van artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro), mits sedert het uitbrengen van dit advies niet meer dan één jaar is verstreken. Het streekplan is in werking getreden op 15 maart 2002 door publicatie in de Staatscourant. Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 16 maart 1998, zaak E01.95.0165 (AB 1998, 253; M en R 1998/10, nr. 95) brengt het karakter van de toetsing van een bestemmingsplan door verweerder in beginsel met zich dat alle feiten en omstandigheden die zich tot aan het nemen van het besluit omtrent goedkeuring hebben voorgedaan in aanmerking worden genomen. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan dit uitgangspunt losgelaten had moeten worden. De omstandigheid dat het plan is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van het streekplan, is geen bijzondere omstandigheid. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt voorts dat de PPC in het kader van het overleg op grond van artikel 10 van het Bro, op 13 juli 2001 en derhalve voor de inwerkingtreding van het streekplan advies heeft uitgebracht. Echter ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (10 september 2002) was sinds dit advies meer dan één jaar was verstreken. Gelet hierop kon verweerder naar het oordeel van de Afdeling geen toepassing geven aan het hiervoor vermelde overgangsbeleid. Ten aanzien van de zogeheten “Overeenkomst van Cork”, stelt de Afdeling vast dat dit akkoord – wat daar verder ook van zij - dateert van na het nemen van het bestreden besluit, zodat verweerder daarmee geen rekening heeft kunnen houden. Het betoog van [appellant sub 3], van [appellant sub 4], van [appellant sub 8], van [appellant sub 14], van [appellant sub 15], van [appellant sub 16], van [appellant sub 21], van [appellant sub 22], van [appellant sub 23] en van de ZLTO treft dan ook geen doel.

2.5.3. [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 21], [appellant sub 22] en [appellant sub 23] hebben bezwaar gemaakt tegen het gebruik door verweerder van hen onbekende detailplankaarten met schaal 1:25.000. Uit de toetsing aan deze kaarten in het bestreden besluit leiden zij af dat die kaarten de door verweerder gewenste situatie tot op perceelsniveau weergeven. Zij betwisten dat deze detailplankaarten deel uitmaken van het streekplan.

2.5.4. In het streekplan hebben provinciale staten aangegeven dat er twee grote streekplankaarten zijn en hebben zij uitleg gegeven wat op elk van deze grote streekplankaarten staat aangegeven. Daarnaast hebben provinciale staten gewezen op kleine streekplankaarten, die in de beleidslijnen zelf zijn opgenomen, waarop bepaalde onderdelen van deze beleidslijnen worden gevisualiseerd. Zij hebben overwogen dat deze kleine streekplankaarten evenals de grote streekplankaarten dienen als toetsingskader voor het gemeentelijk ruimtelijk beleid. Verder melden provinciale staten dat sprake is van globale streekplankaarten, die ruimte laten voor nadere begrenzing, in eerste instantie door de gemeente bij het vaststellen van hun ruimtelijke plannen, in tweede instantie door verweerder in het kader van zijn concrete toetsingspraktijk. Deze ruimte is volgens hen per thema verschillend. Voor een aantal thema’s zijn de streekplankaarten de meest nauwkeurige kaarten waarover wordt beschikt op het moment van de vaststelling van het streekplan. Voor andere thema’s, onder meer de GHS en de AHS-landschap, zijn volgens provinciale staten digitale detailplankaarten met schaal 1:25.000 ter beschikking. Vervolgens wordt ingegaan op het proces van kaartgeneralisatie. Met kaartgeneralisatie bedoelen provinciale staten dat op de globale streekplankaarten bij de verkleining van de schaal (van 1:25.000 naar 1.100.000) de kaartinhoud is vereenvoudigd. Hierdoor zijn bepaalde kaartelementen beredeneerd weggelaten. Zij verwachten dat de gemeenten bij de vaststelling van hun ruimtelijke plannen rekening houden met de digitale detailplankaarten met schaal 1:25.000.

2.5.4.1. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting verklaard dat de digitale detailplankaarten met schaal 1:25.000 niet “royaal” door hem aan geïnteresseerde derden verstrekt worden uit kostenoogpunt samenhangend met het auteursrecht en dat met behulp van de wel verkrijgbare CD-rom niet dezelfde kaarten kunnen worden verkregen. Voorts heeft hij verklaard dat deze detailplankaarten niet samen met het ontwerp-streekplan ter inzage hebben gelegen en niet voor provinciale staten beschikbaar waren op het moment van de vaststelling van het streekplan. Hieruit volgt dat de detailplankaarten met schaal 1:25.000 niet door provinciale staten zijn vastgesteld, zodat deze - mede gelet artikel 4a van de WRO in samenhang met artikel 7, eerste lid, van het Bro - geen deel uitmaken van het streekplan. De Afdeling zal hierna bij de toetsing van het bestreden besluit aan het streekplan uitgaan van alleen de grote en kleine streekplankaarten.

2.5.5. [appellant sub 20] heeft aangevoerd dat het bestreden besluit voor wat betreft de omvang van de intensieve veehouderijen in het plangebied, ten onrechte door verweerder is genomen. Hij betoogt dat bij de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc) reeds een integrale afweging is gemaakt betreffende de uitbreiding van deze agrarische bedrijven en dat daarom sedert de inwerkingtreding van die wet de bevoegdheid van verweerder om te beslissen omtrent de goedkeuring van het plan in zoverre is vervallen.

2.5.6. De Afdeling overweegt dat de Rwc op 1 april 2002 gedeeltelijk in werking is getreden en dat uit de artikelen 1, 4, en 11, eerste lid, van de Rwc volgt dat in de gemeente Best een reconstructie plaatsvindt aan de hand van een reconstructieplan. Artikel 14, eerste lid, van de Rwc bepaalt dat verweerder binnen negen maanden na de inwerkingtreding van die wet een reconstructieplan in ontwerp opstelt. Dit ontwerp was, naar verweerder ter zitting onweersproken heeft verklaard, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet opgesteld. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het door appellant geduide gevolg - daargelaten of zijn stelling inhoudelijk ook juist is - zich op 10 september 2002 nog niet kan hebben voorgedaan. Het betoog van [appellant sub 20] treft dan ook geen doel.

2.6. Artikel 3: Verhouding tussen de bestemmingen

2.6.1. De ZLTO heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3, eerste lid, van de voorschriften. Volgens haar is verweerder aan haar bezwaar, dat de medebestemming voor de hoofdbestemming moet gaan, voorbij gegaan.

2.6.2. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat blijkens artikel 3, eerste lid, van de voorschriften primair de bepalingen ten aanzien van de medebestemming gelden en dat aldus op voldoende en rechtszekere wijze de verhouding tussen hoofd- en medebestemmingen is geregeld. De Afdeling stelt vast dat deze beroepsgrond van de ZLTO voor het overige een woordelijke herhaling vormt van haar bedenking op dit punt. De ZLTO heeft noch in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom het standpunt van verweerder onjuist zou zijn. Gelet hierop geeft haar beroep geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Evenmin is gebleken dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de ZLTO is in zoverre ongegrond.

2.7. Artikel 4: Bosgebied

2.7.1. [appellanten sub 5] en de Werkgroep hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “scoutingactiviteiten” voor het perceel [locatie sub 1] met de bestemming “Bosgebied”. Zij stellen dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden niet zijn afgestemd op de ligging van het perceel in het bosgebied en dat de omvang van de toegestane bebouwing beperkt moet blijven tot het bestaande scoutinggebouw. Volgens [appellanten sub 5] moet daarnaast verhuur op commerciële basis en overlast in de nachtelijke uren voorkomen worden.

De Werkgroep betoogt dat de bescherming van de aanwezige natuurwaarden onvoldoende is.

2.7.2. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het perceel in de Groene Hoofdstructuur ligt en dat de aanwezige natuurwaarden voldoende beschermd zijn, omdat in de voorschriften is opgenomen dat maximaal één gebouw is toegestaan.

2.7.3. Verweerder heeft geen reden gezien de bestemming en de aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij acht een positieve bestemming voor het aanwezige scoutinggebouw terecht. Nu echter de bestaande locatie van dit gebouw niet in het plan is vastgelegd, heeft verweerder goedkeuring onthouden aan artikel 4, vierde lid, onder f., van de voorschriften. De verruiming van het gebruik voor onderwijsgroepen naast scouting acht hij eveneens aanvaardbaar, omdat dit niet leidt tot een zwaardere milieucategorie.

2.7.4. Het perceel ligt in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke hoofdstructuur” is aangeduid als “GHS-natuur”. Het streekplan vermeldt dat de mogelijkheden voor dag- en/of verblijfsrecreatie in de GHS-natuur sterk afhankelijk zijn van de specifieke kenmerken van een gebied. De kwetsbaarheid van de natuur- en de landschapswaarden bepaalt welke vormen van dag- en/of verblijfsrecreatie toelaatbaar zijn en in welke intensiteit. Onder ‘dagrecreatie’ verstaat het streekplan het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de woning zonder dat daar een overnachting elders mee gepaard gaat. Het in het streekplan gehanteerde begrip ‘verblijfsrecreatie’ is omschreven als het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij tenminste één nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen. Uit het streekplan kan worden afgeleid dat uitbreidingen van dag- of verblijfsrecreatieve bedrijvigheid in de GHS-natuur in beginsel ongewenst zijn, omdat deze ten koste kunnen gaan van de natuur- en landschapswaarden die bescherming verdienen. Het streekplan vermeldt dat daarom eerst getoetst moet worden of de uitbreiding wel noodzakelijk is.

2.7.4.1. Uit artikel 4, eerste lid, van de voorschriften volgt dat het perceel onder meer bestemd is voor het gebruik voor scoutingactiviteiten. De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet valt op te maken dat verweerder het plan op dit onderdeel getoetst heeft aan het bovenstaande streekplanbeleid. Dit klemt te meer aangezien het plan niet vermeldt wat onder het begrip “scoutingactiviteiten” dient te worden verstaan. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat het perceel wekelijks gebruikt wordt door een plaatselijke scoutinggroep en een lokale instelling voor dove en autistische kinderen, regelmatig door de plaatselijke basisscholen en in de zomermaanden door andere scoutinggroepen en groepen van “Jong Nederland”. Ter zitting heeft de gemeenteraad verklaard dat hij beoogd heeft ter plaatse naast de scoutingactiviteiten ook de bestaande activiteiten van basisscholen en van scholen voor buitengewoon onderwijs toe te staan en dat hij beoogd heeft om in vergelijking met het vorige bestemmingsplan de gebruiksmogelijkheden van het perceel te verruimen. Ter zitting heeft verweerder aangegeven het plan in zoverre gebrekkig te achten omdat hetgeen beoogd is mogelijk te maken, thans niet wordt toegestaan. Onder deze omstandigheden, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming en de aanduiding niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Door het plan op dit onderdeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen van [appellanten sub 5] en van de Werkgroep zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellanten op dit punt geen verdere bespreking. Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan de aanduiding “scoutingactiviteiten” op de plankaart.

2.7.5. De Werkgroep heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 4 van de voorschriften, voorzover daarin geen onderscheid is gemaakt in de gebruiks- en bouwvoorschriften voor de aanduidingen “openluchttheater”, “groepsaccommodatie” en “hondenoefenterrein”. Zij betoogt dat dit onderscheid gebaseerd dient te zijn op de waarden van de omliggende gronden en dat mede daarom de bescherming van de aanwezige natuurwaarden onvoldoende is.

2.7.6. Volgens de gemeenteraad ligt het openluchttheater in de Groene hoofdstructuur en liggen de groepsaccommodatie en het hondenoefenterrein niet in de Groene hoofdstructuur, maar in een bosgebied met een vergelijkbare waarde. Hij stelt zich op het standpunt dat door het geven van een medebestemming aan deze locaties binnen de gebiedsbestemming de bescherming van de natuurwaarden kan plaatshebben met behoud van de recreatiefunctie.

2.7.7. Verweerder heeft geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat niet is gebleken dat sprake is van een als zodanig functionerend hondenoefenterrein.

2.7.8. Voorzover de beroepsgrond verband houdt met de aanduiding “hondenoefenterrein” binnen de bestemming “Bosgebied”, stelt de Afdeling vast dat op de plankaart geen gronden voor de bestemming “Bosgebied” en deze aanduiding zijn aangewezen, dat deze aanduiding in de legenda bij die bestemming ontbreekt, en dat het plan ook geen wijzigingsbevoegdheid kent op basis waarvan deze aanduiding binnen de bestemming “Bosgebied” alsnog zou kunnen worden toegekend. Het beroep van de Werkgroep mist derhalve op dit punt feitelijke grondslag en is in zoverre dan ook ongegrond.

2.7.8.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften zijn gronden aangewezen voor “Bosgebied” onder meer bestemd voor:

- de instandhouding, het herstel en/of de ontwikkeling van het bos met daarop afgestemde bosbouw;

- de instandhouding, het herstel en/of de ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden;

- extensief recreatief medegebruik;

- het gebruik als openluchttheater, op gronden die als zodanig zijn aangeduid;

- het gebruik als groepsaccommodatie, op gronden die als zodanig zijn aangeduid.

Artikel 4, vierde lid, aanhef en onder c., en d., van de voorschriften bepaalt dat op deze gronden niet mag worden gebouwd, met uitzondering van centrale voorzieningen in de vorm van een kleedlokaal / berging op de gronden aangeduid als “openluchttheater” en van maximaal drie gebouwen op de gronden aangeduid als “groepsaccommodatie”.

Uit artikel 4, vierde lid, onder g. en h., van de voorschriften volgt dat:

- voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde op deze gronden ook de aanwijzingen op de plankaart gelden;

- het op de plankaart aangegeven bebouwingsoppervlak en de goot- en nokhoogte niet mogen worden overschreden, met dien verstande dat deze uitsluitend betrekking hebben op de bedrijfsgebouwen;

- door de bouw of de aanwezigheid van alle bedoelde bouwwerken, dan wel als gevolg van het te verwachten gebruik de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden niet onevenredig mogen worden geschaad.

De Afdeling stelt vast dat noch in de doeleindenomschrijving noch elders in de voorschriften de verhouding tussen het gebruik als openluchttheater dan wel groepsaccommodatie en het gebruik voor de instandhouding, het herstel en/of de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden is vastgelegd. Dit betekent dat deze gebruiksdoeleinden voor de aanduidingen “openluchttheater” en “groepsaccommodatie” in beginsel nevenschikkend zijn. Daarnaast is evenmin de ligging van de toegestane bebouwing binnen het aanduidingsvlak bepaald. Voorts acht de Afdeling de bouwvoorschriften rechtsonzeker, niet alleen omdat onduidelijk is wanneer sprake is van onevenredige schade aan de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarde, maar ook omdat het plan niet aangeeft wanneer sprake is van “de aanwezigheid van alle bedoelde bouwwerken” en of (delen van) de toegestane bebouwing beschouwd moet worden als “bedrijfsgebouw”, mede gelet op het ontbreken daarin van een omschrijving van dit begrip. Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Door het plan op deze onderdelen niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan de aanduidingen “openluchttheater” en “groepsaccommodatie” op de plankaart.

2.7.9. De Werkgroep heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Bosgebied”, voorzover daarbinnen lichtmasten mogen worden opgericht. Zij stelt dat verlichting een nadelig effect heeft op de flora en fauna in het bosgebied.

2.7.9.1. De Afdeling stelt vast dat blijkens artikel 4, vierde lid, van de voorschriften op gronden met de bestemming “Bosgebied” de bouw van lichtmasten niet is toegestaan en dat het plan geen vrijstellingsbevoegdheid kent op basis waarvan de bouw daarvan binnen de bestemming “Bosgebied” alsnog mogelijk zou kunnen zijn. Het beroep van de Werkgroep mist derhalve op dit punt feitelijke grondslag en is in zoverre ongegrond.

2.7.10. De BMF en de Werkgroep hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Bosgebied” voor delen van het natuurgebied Nieuwe Heide. Zij stellen dat de doeleindenomschrijving bij deze bestemming onvoldoende bescherming biedt aan de (leefgebieden van de) beschermde diersoorten. Volgens appellanten had dan ook de bestemming “Natuurgebied” moeten worden toegekend.

Daarnaast betoogt de BMF dat sprake is geweest van een onzorgvuldige inventarisatie van de voorkomende flora en fauna.

2.7.11. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de toegekende bestemming “Bosgebied”, gelet op de systematiek van het plan, evenveel bescherming biedt als de bestemming “Natuurgebied” voor de aanwezige amfibieën en reptielen. Volgens de gemeenteraad geldt voor het gehele natuurgebied Nieuwe Heide een aanlegvergunningplicht gekoppeld aan het differentiatievlak “leefgebied van amfibieën en reptielen”.

2.7.12. Verweerder heeft geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij acht de bestemming “Bosgebied” terecht, omdat ter plaatse sprake is van een bosgebied, en acht de mate van de bij die bestemming behorende bescherming aanvaardbaar.

2.7.13. Het natuurgebied Nieuwe Heide is op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” aangeduid als “GHS-natuur” en op de grote streekplankaart “2: Elementen van de onderste laag” als “natuurparel” en “overig bos- en natuurgebied”. Het streekplan vermeldt dat in de GHS-natuur onder meer alle bestaande bos- en natuurgebieden zijn ondergebracht, en dat in zowel de natuurparels als de overige bos- en natuurgebieden gezorgd moet worden voor maximale rust en ruimte voor de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden. In het plan is aan een deel van het natuurgebied Nieuwe Heide de bestemming “Natuurgebied” en aan een ander deel de bestemming “Bosgebied” toegekend. De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet valt op te maken dat verweerder het plan op dit onderdeel getoetst heeft aan het bovenstaande streekplanbeleid. Dit klemt te meer aangezien blijkens artikel 4, eerste lid, van de voorschriften het deel aangewezen voor “Bosgebied” ook bestemd is voor de bosbouw. Voorts vermeldt het deskundigenbericht dat in dit deel ook enkele kenmerkende natte gebiedjes (kleine vennetjes) voorkomen. Ter bescherming van dergelijke gronden binnen de bestemming “Natuurgebied” is in artikel 5, tweede lid, van de voorschriften het differentiatievlak “levensgemeenschappen van vennen en plassen” opgenomen. De Afdeling is dan ook van oordeel dat – anders dan verweerder in navolging van de gemeenteraad veronderstelt - de bescherming op basis van de doeleindenomschrijvingen niet geheel overeenkomt en de bestemming “Natuurgebied” een ruimere bescherming biedt aan de aanwezige natuurwaarden. Het bestreden besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De beroepen van de BMF en de Werkgroep zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellanten op dit punt geen verdere bespreking.

2.8. Artikel 6: Agrarisch gebied met natuurwaarde

2.8.1. [appellant sub 4] bestrijdt de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarde“ op gronden nabij zijn perceel [locatie sub 2], voorzover daaraan niet uitsluitend de motivering ten grondslag is gelegd dat het plan op dit onderdeel in strijd is met het recht. Hij wijst erop dat de gemeenteraad zijn zienswijze op dit punt gegrond heeft geacht, maar dat nagelaten is deze bestemming te wijzigen.

2.8.2. Verweerder heeft de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat de gronden liggen in een gebied dat op een detailplankaart met schaal 1:25.000 bij het streekplan is aangemerkt als “AHS-landschap” met deels de aanduiding “waterpotentiegebied” en deels de aanduiding “RNLE-landschapsdeel”.

2.8.3. De Afdeling stelt vast dat de gronden liggen in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landschap” en op de grote streekplankaart “2: Elementen van de onderste laag” als “RNLE-landschapsdeel”. In het streekplan is opgenomen dat de AHS-landschap de landbouwgebieden omvat met de bijzondere (potentiële) natuurwaarden, die geen deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur, alsmede de daarmee samenhangende landschapswaarden, en de landbouwgebieden die op zichzelf genomen geen bijzondere (potentiële) natuurwaarden bezitten, maar vanwege hun ligging ten opzichte van bos- en natuurgebieden en landbouwgronden met bijzondere natuurwaarden binnen een regionale natuur- en landschapseenheid (hierna: RNLE) zijn opgenomen. In een RNLE-landschapsdeel gaat het volgens het streekplan erom dat de ontwikkeling van natuur en landschap in de regionale eenheid als geheel wordt ondersteund. Dit streekplanbeleid komt de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor. De mededeling in het deskundigenbericht dat de gronden in ruimtelijk opzicht één geheel vormen met het omliggende gebied en dat dit gebied hydrologisch waardevol is voor de grote natuurwaarden in het aangrenzende natuurgebied Groene Woud, heeft appellant niet weersproken. Voorts heeft de gemeenteraad ter zitting verklaard nader onderzoek te zullen verrichten naar natuur- en landschapswaarden van het gebied waartoe de gronden behoren. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarde” voor de gronden in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Echter bij zijn besluit tot vaststelling van het plan heeft de gemeenteraad een aantal wijzigingen ten opzichte van het ontwerp-plan aangebracht, waaronder het wijzigen van de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarde“ in de bestemming “Agrarisch gebied” voor de gronden. Deze wijziging is echter niet in het aan verweerder toegezonden plan aangebracht. De Afdeling stelt dan ook vast dat in zoverre verschil bestaat tussen de bestemming die bij de vaststelling van het plan aan de gronden is toegekend en de bestemming die voorkomt in het aan verweerder ter goedkeuring toegezonden plan. Dit is in strijd met artikel 28, eerste lid, van de Awb. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat verweerder op deze grond in samenhang met artikel 10:27 van de Awb primair goedkeuring aan de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarde” had moeten onthouden. Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarde”, voorzover het betreft de gronden nabij het perceel [locatie sub 2].

2.8.4. De BMF heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarde” voor de gronden rond het natuurgebied Groene Woud. Zij betoogt dat de doeleindenomschrijving bij die bestemming tevens gericht dient te zijn op de instandhouding van de huidige perceelsindeling van deze gronden.

2.8.5. De Afdeling stelt vast dat de gemeenteraad in het besluit tot vaststelling van het plan niet is ingegaan op dit als zienswijze ingebrachte bezwaar tegen het ontwerp-plan. Gelet hierop is het plan op dit punt vastgesteld in strijd met artikel 25 in samenhang met artikel 23, eerste lid, van de WRO. Uit deze bepalingen volgt dat de gemeenteraad tijdig ingebrachte zienswijzen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WRO bij de vaststelling van het plan betrekt. Door het plan op dit punt niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van de BMF is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

2.9. Artikel 7: Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde

2.9.1. [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 7, vierde lid, van de voorschriften. Hij stelt dat deze bouwvoorschriften onnodig beperkend zijn voor zijn perceel [locatie sub 3] met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde”.

2.9.2. De Afdeling stelt vast dat blijkens het dictum van het bestreden besluit verweerder gedeeltelijk goedkeuring heeft onthouden aan artikel 7, vierde lid, van de voorschriften, waardoor dit een bouwverbod inhoudt voor het perceel van appellant. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat beoogd is deze onthouding van goedkeuring te laten gelden voor gronden die liggen in de GHS-landbouw. Op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” ligt het perceel echter in een gebied dat is aangeduid als “AHS-landbouw”. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding de beroepsgrond van appellant gericht tegen de (gedeeltelijke) goedkeuring van artikel 7, vierde lid, van de voorschriften tevens op te vatten als gericht tegen de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan dit voorschrift voor het perceel. Deze onthouding van goedkeuring is niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid, gelet op de ligging van het perceel op de grote streekplankaart en het uit het bestreden besluit blijkende standpunt van verweerder dat hij dit voorschrift voor het primaire agrarische gebied buiten de Groene hoofdstructuur aanvaardbaar acht. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding de onthouding van goedkeuring aan artikel 7, vierde lid, van de voorschriften voor het perceel te vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre gegrond. Aangezien appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat opneming van het tekstgedeelte “met ….. geschaad” tot een onevenredige belemmering van zijn agrarische bedrijfsvoering zal leiden, is het beroep van [appellant sub 1] in zoverre ongegrond. Voorts ziet de Afdeling aanleiding goedkeuring te verlenen aan artikel 7, vierde lid, van de voorschriften voor het perceel [locatie sub 3].

2.9.3. [appellanten sub 12] bestrijden de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde” en het differentiatievlak “visuele bufferzone” voor hun perceel [locatie sub 4], voorzover daaraan niet de motivering ten grondslag is gelegd dat een agrarisch bouwblok moet worden toegekend. Om diezelfde reden hebben zij aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Woondoeleinden” voor dit perceel. Volgens appellanten kunnen zij hun schapenhouderij niet voortzetten en kan evenmin de aanwezige stal worden uitgebreid.

2.9.4. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat alleen aan een reëel en volwaardig agrarisch bedrijf een agrarisch bouwblok wordt toegekend en dat een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen van 8 januari 2002 aangeeft dat de schapenhouderij, gelet op de omvang van de bedrijfsactiviteiten, niet de potentie heeft tot een dergelijke omvang uit te groeien. Voorts wijst de gemeenteraad erop dat het perceel in het voorheen geldende plan de bestemming “Eengezinswoningen” had.

2.9.5. Verweerder heeft overwogen dat aan de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde” en het differentiatievlak “visuele bufferzone” reeds ambtshalve goedkeuring is onthouden omdat het perceel ligt in een gebied dat op een detailplankaart met schaal 1:25.000 bij het streekplan is aangemerkt als “GHS-landbouw”.

Verweerder heeft geen reden gezien de bestemming “Woondoeleinden” voor het perceel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Volgens hem staat het streekplanbeleid geen nieuwe agrarische bouwblokken in het buitengebied toe, omdat het gericht is op hergebruik van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing.

2.9.6. Ten aanzien van de beroepsgrond gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde” en het differentiatievlak “visuele bufferzone” voor het perceel overweegt de Afdeling dat blijkens de overwegingen van het bestreden besluit verweerder beoogd heeft goedkeuring te onthouden aan dit onderdeel van het plan. Echter blijkens het dictum van het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de met rode lijnen omgegeven plangedeelten op de plankaart. De Afdeling stelt vast dat op de plankaart bij het perceel geen rode lijnen zijn geplaatst rond de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde” en het differentiatievlak “visuele bufferzone”, zodat het plan op dit punt – naar verweerder ter zitting heeft erkend - is goedgekeurd. De beroepsgrond betreft derhalve een goedgekeurd plangedeelte. Tegen dat plangedeelte hebben appellanten overigens een zienswijze en een bedenking ingebracht, die gelet op de gelijkluidende motivering nauw samenhangt met hun zienswijze en bedenking tegen het plangedeelte met de bestemming “Woondoeleinden”. Gezien deze samenhang gaat de Afdeling ervan uit dat de motivering die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan zijn goedkeuring van de bestemming “Woondoeleinden” mede betrekking heeft op de goedkeuring van de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde” en het differentiatievlak “visuele bufferzone” voor het perceel van appellanten. De Afdeling zal dan ook hierna beide beroepsgronden gezamenlijk behandelen.

2.9.6.1. Het provinciale beleid dat alleen een agrarisch bouwblok wordt toegekend indien op een perceel een reëel en volwaardig agrarisch bedrijf is gevestigd, acht de Afdeling niet onredelijk. Het deskundigenbericht bevestigt dat de agrarische activiteiten van appellanten op hun perceel niet de omvang van een volwaardig agrarisch bedrijf hebben. Gelet hierop zou de toekenning van een agrarisch bouwblok in strijd zijn met het provinciale beleid. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden.

2.9.6.2. Wat betreft het betoog van appellanten dat zij binnen de goedgekeurde bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde” hun schapenhouderij niet kunnen voort zetten en de aanwezige stal niet kunnen uitbreiden, overweegt de Afdeling dat het perceel gelet op artikel 7, eerste en tweede lid, van de voorschriften onder meer bestemd is voor een duurzame agrarische bedrijfsvoering, maar als gevolg van de eveneens goedgekeurde bestemming “Woondoeleinden” gelet op artikel 18, eerste lid, ook bestemd is / gebruikt mag worden voor wonen. De Afdeling stelt vast dat in het plan de verhouding tussen de twee aan het perceel toegekende bestemmingen “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde ” en “Woondoeleinden” niet is bepaald. Dit betekent dat beide doeleinden nevenschikkend zijn, terwijl de gebruiks- en de bouwvoorschriften tegenstrijdig aan elkaar zijn. Immers uit artikel 7, vierde lid, van de voorschriften volgt dat op het perceel geen gebouwen mogen worden opgericht, maar artikel 18, vierde lid, aanhef en onder d., van de voorschriften staat toe dat op het perceel vrijstaande bijgebouwen worden gebouwd, mits het gezamenlijk oppervlak daarvan niet meer bedraagt dan 80 m2. Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Door het plan op deze onderdelen niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 12] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan de plandelen met de bestemmingen “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde” en “Woondoeleinden”, voorzover het betreft het perceel [locatie sub 4].

2.9.7. De Werkgroep heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde” op [locatie sub 5]. Zij betoogt dat het daar, langs een fietspad gelegen loofhoutbosje onvoldoende is beschermd.

2.9.8. Ter zitting hebben verweerder en de gemeenteraad verklaard dat het loofhoutbosje ten onrechte onvoldoende bescherming geniet in het plan. Hieruit volgt dat verweerder zich in het bestreden besluit niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door het plan op dit onderdeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde”, voorzover het betreft [locatie sub 5].

2.10. Artikel 8: Agrarisch gebied

2.10.1. [appellant sub 8] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Agrarisch gebied” voor [locatie sub 6]. Hij stelt dat de bestaande opslag van bestratingmateriaal positief bestemd had moeten worden.

2.10.2. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de opslag een functioneel niet aan het buitengebied gebonden bedrijfsactiviteit betreft, die uit het buitengebied moet worden geweerd en die overigens ook onder het vorige plan niet was toegestaan.

2.10.3. Verweerder heeft geen reden gezien de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad. Volgens verweerder wordt terecht handhavend opgetreden tegen het strijdige gebruik van het perceel.

2.10.4. Het streekplanbeleid is erop gericht functioneel niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid uit het buitengebied te weren. Nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijven wordt alleen toegestaan op een bedrijventerrein of in een kern. Van deze uitgangspunten kan volgens het streekplan onder bepaalde voorwaarden worden afgeweken ter plaatse van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Dit streekplanbeleid komt de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor. Niet in geschil is dat het bij de opslag van bestratingmateriaal voor het op de [locatie sub 7] gevestigde handels- en transportbedrijf van appellant gaat om bedrijvigheid die functioneel niet aan het buitengebied gebonden is, dat de bestemming blijkens de doeleindenomschrijving in artikel 8, eerste lid, van de voorschriften de opslag niet toestaat en dat de opslag eveneens in strijd was met de voorheen geldende bestemming. Verweerder heeft dan ook op goede gronden het gebruik van het perceel voor de opslag van bestratingmateriaal als nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf als bedoeld in het streekplan aangemerkt en terecht in strijd met zijn beleid geacht. De omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders vanaf 1991 niet meer handhavend is opgetreden en dat de opslag van het bestratingmateriaal op een bedrijventerrein voor appellant financieel niet haalbaar is, brengt niet met zich dat van het beleid had moeten worden afgeweken. Ook anderszins is van de noodzaak daartoe niet gebleken. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.

2.10.5. De BMF heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Agrarisch gebied” voor de gronden rond het natuurgebied Groene Woud. Zij betoogt dat aan die gronden op waardenkaart 1 het differentiatievlak “gemiddeld hoge waterstand” toegekend had moeten worden en bovendien dat in de doeleindenomschrijving bij de bestemming “Agrarisch gebied” naar dit differentiatievlak verwezen had moet worden. Volgens de BMF zou op deze wijze de noodzakelijke hydrologische bufferzone rond dit natuurgebied tot stand kunnen komen, mede omdat aan dit differentiatievlak een aanlegvergunningstelsel is gekoppeld.

2.10.6. Verweerder heeft geconstateerd dat aan gronden met de bestemming “Agrarisch gebied” rond het natuurgebied Groene Woud op waardenkaart 1 het differentiatievlak “gemiddeld hoge waterstand” niet is toegekend, hoewel de gemeenteraad dit wel beoogd heeft. Bovendien acht hij het ontbreken van dit differentiatievlak op gronden met deze bestemming niet in overeenstemming met het streekplan. Verweerder is van mening dat het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. Hij heeft dan ook goedkeuring onthouden aan gedeelten van de waardenkaart 1 voorzover het differentiatievlak “gemiddeld hoge waterstand” niet is toegekend. Voor deze gedeelten heeft verweerder vervolgens op een door hem gewaarmerkte “gecorrigeerde” waardenkaart 1 een aanlegvergunningstelsel van toepassing verklaard, dat in het plan gekoppeld is aan het differentiatievlak “gemiddeld hoge waterstand”.

2.10.7. Voorzover de beroepsgrond betrekking heeft op de doeleindenomschrijving bij de bestemming “Agrarisch gebied”, stelt de Afdeling vast dat niet alleen verweerder in het besluit omtrent goedkeuring niet heeft gemotiveerd waarom hij die doeleindenomschrijving zonder de door de BMF gewenste verwijzing naar het differentiatievlak “gemiddeld hoge waterstand” aanvaardbaar acht, maar ook dat de gemeenteraad in het besluit tot vaststelling van het plan evenmin is ingegaan op dit als zienswijze ingebrachte bezwaar tegen het ontwerp-plan. Gelet hierop is het plan op dit punt vastgesteld in strijd met artikel 25 in samenhang met artikel 23, eerste lid, van de WRO. Uit deze bepalingen volgt dat de gemeenteraad tijdig ingebrachte zienswijzen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WRO bij de vaststelling van het plan betrekt.

2.10.7.1. Ten aanzien van het ontbreken van het differentiatievlak “gemiddeld hoge waterstand” voor de gronden rond het natuurgebied Groene Woud met de bestemming “Agrarisch gebied”, stelt de Afdeling vast dat verweerder goedkeuring heeft onthouden aan gedeelten van de waardenkaart 1 voorzover dit differentiatievlak niet is toegekend aan gronden met deze bestemming. Hij heeft derhalve geen goedkeuring onthouden aan een plandeel of -voorschrift, maar aan een niet in het plan opgenomen element. Verweerder kan echter slechts goedkeuring verlenen of onthouden aan (delen van) de voorschriften en/of aan de kaart van het bestemmingsplan. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook genomen in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 12, eerste lid, van het Bro. Voorts blijkt uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, dat zonder dat de gemeenteraad daartoe heeft besloten het differentiatievlak “gemiddeld hoge waterstand” voor gronden rond het natuurgebied Groene Woud met de bestemming “Agrarisch gebied” in het vastgestelde plan is komen te vervallen op waardenkaart 1. De Afdeling stelt dan ook vast dat in zoverre verschil bestaat tussen waardenkaart 1 die de gemeenteraad heeft vastgesteld en waardenkaart 1 die aan verweerder ter goedkeuring is toegezonden. Dit is in strijd met artikel 28, eerste lid, van de Awb. Door het plan op dit punt niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van de BMF is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

2.11. Artikel 16: Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB- (medebestemming)

2.11.1. [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “één bouwblok vormend” tussen zijn perceel [locatie sub 3] en zijn ongenummerde perceel ter hoogte van [locatie sub 4]. Als gevolg van deze goedkeuring, bestaat volgens hem niet de mogelijkheid een bedrijfswoning te bouwen op het ongenummerde perceel. Voorts bestrijdt appellant de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ voor zijn perceel [locatie sub 3] en het ongenummerde perceel, voorzover daaraan niet de motivering ten grondslag is gelegd dat de omvang daarvan te klein is voor zijn intensieve veehouderij respectievelijk voor het in ontwikkeling zijnde boomteeltbedrijf van zijn zoon.

2.11.2. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de aanduiding “één bouwblok vormend” terecht is toegekend omdat het ongenummerde perceel hoort bij het agrarische bedrijf van appellant op het perceel [locatie sub 3]. Een privaatrechtelijke splitsing betekent niet dat op het ongenummerde perceel een (extra) bedrijfswoning mag worden gebouwd of dat de gekoppelde agrarische bouwblokken gesplitst zouden moeten worden.

2.11.3. Verweerder heeft geen reden gezien de aanduiding “één bouwblok vormend” in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Volgens hem is terecht gekozen voor een agrarisch bouwblok op afstand, mede omdat het streekplan terughoudend is met het toestaan van nieuwe bouwblokken. Verweerder heeft de omvang van de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat de intensieve veehouderij van appellant een rechtstreekse uitbreidingsmogelijkheid heeft gekregen die strijdig is met het streekplanbeleid. Volgens hem liggen beide percelen in een kernrandzone dan wel in een zone van 250 meter rond een voor verzuring gevoelig, zeer kwetsbaar bos- of natuurgebied.

2.11.4. Wat betreft de goedkeuring van de aanduiding “één bouwblok vormend” overweegt de Afdeling dat uit het streekplan kan worden afgeleid dat verweerder een restrictief beleid voert inzake bedrijfswoningen. Nieuwbouw van bedrijfswoningen is slechts toegestaan voor aan het buitengebied gebonden bedrijven, als dat noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Dit provinciale beleid komt de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor. In het plan is aan het perceel [locatie sub 3] en het ongenummerde perceel ter hoogte van [locatie sub 4] de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ toegekend. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat deze percelen, overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Op detailplankaart 27 staat tussen deze percelen de aanduiding “één bouwblok vormend”, waaruit blijkt dat beide percelen een bouwblok vormen. Niet in geschil is dat uit artikel 16, derde lid, aanhef en onder e., van de voorschriften volgt dat op dit gekoppelde bouwblok één bedrijfswoning is toegelaten, omdat op de detailplankaart niet staat dat twee bedrijfswoningen of geen bedrijfswoning is toegestaan. Uit de stukken, waaronder een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen van 29 maart 2002, blijkt dat appellant in maatschapverband met zijn vrouw en zijn zoon één gemengd agrarisch bedrijf exploiteert en dat hij eigenaar is van beide percelen. De aanduiding “één bouwblok vormend” tussen het perceel [locatie sub 3] en het ongenummerde perceel is dan ook in overeenstemming met het provinciale beleid. De Afdeling is, mede gelet op het deskundigenbericht, niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder niet in redelijkheid aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. Daarbij is van belang dat artikel 20, derde lid, onder a. en b., van de voorschriften de voorwaarden bevat waaronder vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, kan worden verleend van het bepaalde in artikel 16, derde lid, aanhef en onder e., voor de bouw van een tweede bedrijfswoning. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanduiding “één bouwblok vormend” niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre ongegrond.

2.11.4.1. De Afdeling stelt vast dat de beroepsgrond van appellant omtrent de omvang van het agrarische bouwblok voorzover het betreft zijn perceel [locatie sub 3] niet steunt op zijn tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 56, tweede lid, aanhef en onder b., van de WRO kan voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring door een ieder beroep worden ingesteld. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d., en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze en in een tegen het vastgestelde plan bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking. Uit de strekking van deze bepalingen vloeit voort dat het beroep tegen een onthouding van goedkeuring slechts ontvankelijk is voorzover door de onthouding van goedkeuring een ongunstigere situatie is ontstaan voor de rechtszoekende. Nu de omvang van het agrarisch bouwblok voorzover het betreft het perceel [locatie sub 3] bij de vaststelling van het plan niet is gewijzigd, doet deze situatie zich niet voor. Voorts is niet gesteld noch gebleken dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest ter zake een zienswijze in te brengen. Derhalve is zijn beroepsgrond dat verweerder aan de onthouding van goedkeuring de motivering ten grondslag had moeten leggen dat een groter bouwblok toegekend had moeten worden aan het perceel [locatie sub 3], niet-ontvankelijk.

2.11.4.2. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat het perceel [locatie sub 3] tezamen met het ongenummerde perceel ter hoogte van [locatie sub 4], overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 27 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat het gekoppelde bouwblok bedoeld is voor een niet-grondgebonden bedrijf. Voorts ligt dit bouwblok in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landbouw”. Volgens het streekplan geldt als uitgangspunt in de AHS-landbouw dat agrarische bouwblokken mogen worden uitgebreid, tenzij overwegende bezwaren van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard zich daartegen verzetten. Dit uitgangspunt is in het streekplan nader ingevuld voor onder meer intensieve veehouderijen. In dit verband vermeldt het streekplan onder meer dat binnen de AHS-landbouw uitbreiding van intensieve veehouderijen in kernrandzones uitgesloten is en binnen een afstand van 250 meter tot zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden slechts eenmalig is toegestaan, uitsluitend als dit noodzakelijk is vanwege de eisen van dierenwelzijn. Ter zitting is komen vast te staan dat het gekoppelde bouwblok ligt binnen een afstand van 250 meter van een zeer kwetsbaar bos- en natuurgebied, als bedoeld in het streekplan. Nu het plan ter plaatse bij recht voorziet in een uitbreiding van een niet-grondgebonden bedrijf, heeft verweerder terecht geconstateerd dat de omvang van dit bouwblok in strijd is met het streekplanbeleid. Uit het dictum (onderdeel F.) volgt dat de voor verweerder toelaatbare omvang van dit agrarische bedrijf beperkt is tot de bestaande situatie. Onder de bestaande situatie verstaat verweerder blijkens het bestreden besluit “dat deel van het agrarisch bouwblok waarop bedrijfsbebouwing aanwezig en/of rechtsgeldig vergund is”. Bij de bepaling van deze omvang heeft verweerder zich – naar hij ter zitting heeft bevestigd – gebaseerd op een door hem uitgevoerd onderzoek ter plaatse. Uit het bestreden besluit kan echter niet worden opgemaakt of uit dit onderzoek wellicht bijzondere feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die aanleiding kunnen vormen om voor dit gekoppelde bouwblok van het streekplanbeleid af te wijken. Bovendien heeft verweerder met het oog op de toepassing van artikel 30, eerste lid, van de WRO onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welk gedeelte van het gekoppelde bouwblok de in het streekplan opgenomen eenmalige uitbreiding kan plaatsvinden, nadat de noodzaak daartoe is aangetoond. Immers niet alleen de omvang, maar ook de vorm en daarmee de ligging van het bouwblok, mede in relatie tot de aangrenzende gebiedsbestemmingen is van belang. Het bestreden besluit berust in zoverre dan ook niet op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11.5. [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover dat niet voorziet in de mogelijkheid een bedrijfswoning te bouwen bij zijn boomkwekerij op het perceel [locatie sub 8]. Voorts bestrijdt hij de onthouding van goedkeuring aan een gedeelte van de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ op dit perceel. Hij betoogt dat als gevolg van deze onthouding van goedkeuring de continuïteit van zijn boomkwekerij niet is gewaarborgd.

2.11.6. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de woning op het perceel [locatie sub 9] gebouwd is als bedrijfswoning bij en ruimtelijk een eenheid vormt met het agrarische bedrijf dat gevestigd is op het perceel [locatie sub 8]. Dat deze percelen privaatrechtelijk gesplitst zijn betekent niet dat in planologisch opzicht geen sprake is van een bedrijfswoning. De bedrijfswoning op het perceel [locatie sub 9] bestemmen als burgerwoning acht de gemeenteraad bovendien in strijd met het streekplan.

2.11.7. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan een gedeelte van de bestemming omdat voor een grondgebonden agrarisch bedrijf slechts een bouwblok met een omvang van ten hoogste 1,5 hectare is toegestaan. Volgens hem is het toegekende bouwblok niet ‘op maat’. Voor het overige heeft verweerder geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad, omdat een tweede agrarische bedrijfswoning slechts bij uitzondering wordt toegestaan.

2.11.8. Wat betreft de bouw van een bedrijfswoning op het perceel [locatie sub 8], overweegt de Afdeling dat uit het streekplan kan worden afgeleid dat verweerder een restrictief beleid voert inzake bedrijfswoningen. Nieuwbouw van bedrijfswoningen is slechts toegestaan voor aan het buitengebied gebonden bedrijven, als dat noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Dit provinciale beleid komt de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor. Blijkens detailplankaart 34 liggen de percelen [locatie sub 9] en [locatie sub 8] in één vlak met de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat de gronden binnen dit vlak bestemd zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat ingevolge artikel 16, derde lid, aanhef en onder e., van de voorschriften binnen dit bouwblok één bedrijfswoning is toegelaten, omdat op de detailplankaart niet staat dat twee bedrijfswoningen of geen bedrijfswoning is toegestaan. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de percelen [locatie sub 9] en [locatie sub 8] ook onder het vorige plan in één agrarisch bouwblok lagen, dat op het perceel [locatie sub 9] zich de bedrijfswoning bevond van de op het perceel [locatie sub 8] gevestigde boomkwekerij en dat appellant deze boomkwekerij in 1988 heeft gekocht zonder de bedrijfswoning. Het toestaan van slechts één bedrijfswoning op het bouwblok is dan ook in overeenstemming met het provinciale beleid. In de beweerde omstandigheden dat de bedrijfswoning voor appellant niet te koop was toen hij de bedrijfsgronden kocht, dat de bedrijfswoning al meer dan twintig jaar niet meer als zodanig wordt gebruikt en dat de eigen woning van appellant aan de Parallelweg zich op een afstand van ongeveer 600 meter (hemelsbreed) respectievelijk 1500 meter (over de weg) van zijn boomkwekerij bevindt, behoefde verweerder geen aanleiding te zien van zijn beleid af te wijken. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot afwijking van het provinciale beleid noopten. Daarbij is van belang dat artikel 20, derde lid, onder a. en b., van de voorschriften de voorwaarden bevat waaronder vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, kan worden verleend van het bepaalde in artikel 16, derde lid, aanhef en onder e., voor de bouw van een tweede bedrijfswoning. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.11.8.1. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat het perceel [locatie sub 8] tezamen met het perceel [locatie sub 9], overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 34 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat het bouwblok bedoeld is voor een grondgebonden bedrijf. Voorts ligt dit bouwblok in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landbouw”. Het streekplan vermeldt als uitgangspunt dat in de AHS-landbouw agrarische bouwblokken mogen worden uitgebreid, tenzij overwegende bezwaren van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard zich daartegen verzetten. Dit streekplanbeleid komt de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor. Daarnaast kan uit het streekplan worden afgeleid dat het daarin vermelde uitgangspunt voor de uitbreiding van boomkwekerijen, niet zijnde glasboomteeltbedrijven, door verweerder nader kan worden ingevuld. Ter zitting heeft verweerder verklaard van deze mogelijkheid (nog) geen gebruik te hebben gemaakt. Het gedeelte van het bouwblok waar de bedrijfsbebouwing voor de boomkwekerij staat, heeft in het plan een omvang van ongeveer 0,35 hectare. Als gevolg van de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring resteert ongeveer 0,15 hectare. Uit het deskundigenbericht blijkt dat het goedgekeurde deel nog voldoende ruimte biedt voor de bouw van de door appellant gewenste hoge teeltondersteunende boogkas (hoogtunnel). Appellant heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat op het perceel [locatie sub 8] geen (beperkte) uitbreidingsmogelijkheid voor zijn boomkwekerij is geboden of dat onvoldoende rekening is gehouden met reëel te verwachten bedrijfseconomische ontwikkelingen. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot afwijking van het streekplanbeleid noopten. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.11.9. [appellant sub 3] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een gedeelte van de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ op zijn perceel [locatie sub 10]. Hij betoogt dat als gevolg van deze onthouding van goedkeuring de continuïteit van zijn pluimveehouderij niet is gewaarborgd.

2.11.10. Verweerder heeft de omvang van de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat de intensieve veehouderij van appellant een rechtstreekse uitbreidingsmogelijkheid heeft gekregen die strijdig is met het streekplanbeleid. Volgens hem ligt het perceel in een kernrandzone dan wel in een zone van 250 meter rond een voor verzuring gevoelig, zeer kwetsbaar bos- of natuurgebied.

2.11.11. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat het perceel, overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 60 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat het bouwblok bedoeld is voor een niet-grondgebonden bedrijf. Voorts ligt dit bouwblok in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landschap”. Blijkens het streekplan mogen intensieve veehouderijen in de AHS-landschap – voorzover niet tevens gelegen op duurzame locaties voor de intensieve veehouderij of in kernrandzones - eenmalig hun bouwblok uitbreiden als dit noodzakelijk is vanwege de eisen voor dierenwelzijn. Ter zitting is komen vast te staan dat het bouwblok niet ligt op een duurzame locatie voor de intensieve veehouderij of in een kernrandzone, als bedoeld in het streekplan. Nu het plan ter plaatse bij recht voorziet in een uitbreiding van een niet-grondgebonden bedrijf, heeft verweerder terecht geconstateerd dat de omvang van dit bouwblok in strijd is met het streekplanbeleid. Uit het dictum (onderdeel F.) volgt dat de voor verweerder toelaatbare omvang van dit agrarische bedrijf beperkt is tot de bestaande situatie. Onder de bestaande situatie verstaat verweerder blijkens het bestreden besluit “dat deel van het agrarisch bouwblok waarop bedrijfsbebouwing aanwezig en/of rechtsgeldig vergund is”. Bij de bepaling van deze omvang heeft verweerder zich – naar hij ter zitting heeft bevestigd – gebaseerd op een door hem uitgevoerd onderzoek ter plaatse. Uit het bestreden besluit kan echter niet worden opgemaakt of uit dit onderzoek wellicht bijzondere feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die aanleiding kunnen vormen om voor het bouwblok van het streekplanbeleid af te wijken. Bovendien heeft verweerder met het oog op de toepassing van artikel 30, eerste lid, van de WRO onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welk gedeelte van het bouwblok de in het streekplan opgenomen eenmalige uitbreiding kan plaatsvinden, nadat de noodzaak daartoe is aangetoond. Immers niet alleen de omvang, maar ook de vorm en daarmee de ligging van het bouwblok, mede in relatie tot de aangrenzende gebiedsbestemmingen is van belang. Het bestreden besluit berust in zoverre dan ook niet op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11.12. [appellant sub 4] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een gedeelte van de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ op zijn perceel [locatie sub 2]. Hij betoogt dat als gevolg van deze onthouding van goedkeuring de continuïteit van zijn melkveehouderij niet is gewaarborgd.

2.11.13. Verweerder heeft de omvang van de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat voor een grondgebonden agrarisch bedrijf slechts een bouwblok met een omvang van ten hoogste 1,5 hectare is toegestaan. Volgens hem is het toegekende bouwblok niet ‘op maat’.

2.11.14. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat het perceel, overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 39 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat het bouwblok bedoeld is voor een grondgebonden bedrijf. Voorts ligt dit bouwblok in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landschap”. In het streekplan is opgenomen dat grondgebonden agrarische bedrijven in de AHS-landschap hun bouwblok mogen uitbreiden met 15%, of tot een omvang van 1,5 hectare als het bouwblok na toepassing van dit uitbreidingspercentage kleiner zou zijn. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het in het plan toegekende bouwblok een oppervlakte heeft van ongeveer 1,15 hectare en dat aan een gedeelte daarvan met een omvang van ongeveer 0,25 hectare goedkeuring is onthouden. Voorts heeft appellant onweersproken verklaard dat het goedgekeurde gedeelte een verkleining inhoudt ten opzicht van het bouwblok onder het vorige plan. De Afdeling is dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft onderbouwd waarom de omvang van de bestemming in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11.15. [appellant sub 6] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een gedeelte van de bestemmingen “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ op zijn percelen [locatie sub 11] en [locatie sub 12]. Hij betoogt dat als gevolg van deze onthoudingen van goedkeuring de continuïteit van zijn vermeerderingsbedrijf respectievelijk zijn topfokbedrijf niet is gewaarborgd.

2.11.16. Verweerder heeft de omvang van de bestemmingen in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat voor een grondgebonden agrarisch bedrijf slechts een bouwblok met een omvang van ten hoogste 1,5 hectare is toegestaan. Volgens hem zijn de toegekende bouwblokken niet ‘op maat’.

2.11.17. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat de percelen, overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 69 aanduidingen staan, waaruit blijkt dat beide bouwblokken bedoeld zijn voor een niet-grondgebonden bedrijf. Verweerder is echter blijkens het bestreden besluit uitgegaan van een grondgebonden bedrijf. Derhalve moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

De percelen liggen voorts in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landschap”. Blijkens het streekplan mogen intensieve veehouderijen in de AHS-landschap – voorzover niet gelegen op duurzame locaties voor de intensieve veehouderij of in kernrandzones - eenmalig hun bouwblok uitbreiden als dit noodzakelijk is vanwege de eisen voor dierenwelzijn. De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet valt op te maken dat verweerder de omvang van de bestemmingen getoetst heeft aan het bovenstaande streekplanbeleid. Ter zitting is komen vast te staan dat de percelen niet liggen op een duurzame locatie voor de intensieve veehouderij of in een kernrandzone, als bedoeld in het streekplan. Het bestreden besluit noch de overige stukken bieden echter een aanknopingspunt of verweerder onderzocht heeft in hoeverre het vermeerderingsbedrijf en het topfokbedrijf van appellant aanspraak kunnen maken op de in het streekplan opgenomen eenmalige uitbreiding, nadat de noodzaak daartoe is aangetoond. Voorts is gebleken dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de feitelijke situatie op beide percelen. Als gevolg van het bestreden besluit vallen op het perceel [locatie sub 11] een bestaande bedrijfsweg, enkele silo’s en een ontsmettingsplaats en op het perceel [locatie sub 12] enkele delen van de bestaande bedrijfsbebouwing buiten de bouwblokken, terwijl verweerder beleidsmatig – blijkens zijn verklaring ter zitting – het uitgangspunt hanteert dat deze binnen een bouwblok gesitueerd dienen te worden. Het bestreden besluit is ook in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep van [appellant sub 6] is gegrond, zodat het bestreden besluit op deze onderdelen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11.18. [appellant sub 7] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een gedeelte van de bestemmingen “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ op zijn percelen [locatie sub 13] en [locatie sub 14]. Hij betoogt dat als gevolg van deze onthoudingen van goedkeuring de continuïteit van zijn aardbeienteeltbedrijf niet is gewaarborgd. Appellant stelt dat eveneens ten onrechte goedkeuring is onthouden aan bepaalde aanduidingen bij deze bestemming voor beide percelen.

2.11.19. Verweerder heeft de omvang van de bestemmingen in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat voor een grondgebonden agrarisch bedrijf slechts een bouwblok met een omvang van ten hoogste 1,5 hectare is toegestaan. Volgens hem zijn de toegekende bouwblokken niet ‘op maat’.

2.11.20. Ten aanzien van de beweerde onthouding van goedkeuring aan bepaalde aanduidingen op de percelen, stelt de Afdeling vast dat verweerder blijkens het dictum van het bestreden besluit daaraan goedkeuring heeft verleend. Het beroep van [appellant sub 7] mist derhalve op dit punt feitelijke grondslag en is in zoverre ongegrond.

2.11.20.1. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat de percelen, overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op de detailplankaarten 39 en 45 alleen voor het perceel [locatie sub 14] een aanduiding staat, waaruit blijkt dat op dit bouwblok alleen een grondgebonden bedrijf is toegelaten, en dat op deze detailplankaarten voor het perceel [locatie sub 13] geen aanduiding is opgenomen, zodat dit bouwblok ook voor een grondgebonden bedrijf kan worden benut. Verweerder is echter blijkens het bestreden besluit uitgegaan van een grondgebonden bedrijf. Derhalve moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

De percelen liggen voorts in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landschap”. In het streekplan is opgenomen dat grondgebonden agrarische bedrijven in de AHS-landschap hun bouwblok mogen uitbreiden met 15%, of tot een omvang van 1,5 hectare als het bouwblok na toepassing van dit uitbreidingspercentage kleiner zou zijn. De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet valt op te maken dat verweerder de omvang van de bestemmingen getoetst heeft aan het bovenstaande streekplanbeleid. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de in het plan toegekende bouwblokken een oppervlakte hebben van ongeveer 2 hectare ([locatie sub 13]) respectievelijk 1 hectare ([locatie sub 14]) en dat aan gedeelten daarvan met een omvang van ongeveer 1,6 respectievelijk 0,4 hectare op detailplankaart 39 goedkeuring is onthouden. Voorts heeft verweerder ter zitting erkend geen rekening te hebben gehouden met een in 1997 verleende bouwvergunning voor de oprichting van een tuinbouwkas op het perceel [locatie sub 14]. Het bestreden besluit is ook in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep van [appellant sub 7] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op deze onderdelen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11.21. Appellant [appellant sub 9] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan enkele gedeelten van de bestemmingen “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ op zijn percelen [locatie sub 15] en [locatie sub 16]. Hij betoogt dat als gevolg van deze onthoudingen van goedkeuring de continuïteit van zijn vermeerderingsbedrijf respectievelijk zijn topfokbedrijf niet is gewaarborgd.

2.11.22. Verweerder heeft de omvang van de bestemmingen in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat voor een grondgebonden agrarisch bedrijf slechts een bouwblok met een omvang van ten hoogste 1,5 hectare is toegestaan. Volgens hem is het toegekende bouwblok niet ‘op maat’.

2.11.23. Wat betreft het perceel [locatie sub 15] volgt uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften dat het, overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 65 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat het bouwblok bedoeld is voor een niet-grondgebonden bedrijf. Verweerder is echter blijkens het bestreden besluit uitgegaan van een grondgebonden bedrijf. Derhalve moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het perceel ligt voorts in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landbouw”. Volgens het streekplan geldt als uitgangspunt in de AHS-landbouw dat agrarische bouwblokken mogen worden uitgebreid, tenzij overwegende bezwaren van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard zich daartegen verzetten. Dit uitgangspunt is in het streekplan nader ingevuld voor onder meer intensieve veehouderijen. In dit verband vermeldt het streekplan dat uitbreiding van intensieve veehouderijen – voorzover niet gelegen in veeverdichtingsgebieden, op duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij, in kernrandzones of binnen een afstand van 250 meter tot zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden – een kwestie van maatwerk is. De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet valt op te maken dat verweerder de omvang van de bestemming getoetst heeft aan het bovenstaande streekplanbeleid. Het bestreden besluit is ook in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep van appellant [appellant sub 9] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Overigens komt het bovenstaande streekplanbeleid de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor. Ter zitting is komen vast te staan dat het perceel niet ligt in een veeverdichtingsgebied, op een duurzame projectlocatie voor de intensieve veehouderij, in een kernrandzone of binnen een afstand van 250 meter tot een zeer kwetsbaar bos- en natuurgebied, als bedoeld in het streekplan. Het in het plan toegekende bouwblok waarop appellant zijn topfokbedrijf uitoefent heeft een omvang van ongeveer 1,0 hectare. Als gevolg van de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring resteert ongeveer 0,6 hectare. Uit de beschikbare luchtfoto van april 2003 blijkt dat het goedgekeurde deel geenszins volledig is benut. Appellant heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat geen (beperkte) uitbreidingsmogelijkheid voor zijn topfokbedrijf is geboden of dat onvoldoende rekening is gehouden met reëel te verwachten bedrijfseconomische ontwikkelingen. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot afwijking van het streekplanbeleid noopten. De Afdeling is dan ook van oordeel dat verweerder terecht geconstateerd heeft dat het toegekende bouwblok niet ‘op maat’ is. Onder deze omstandigheden, ziet de Afdeling dan ook aanleiding goedkeuring te onthouden aan dezelfde plandelen met de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“, voorzover het betreft het perceel [locatie sub 15].

2.11.23.1. Wat betreft het perceel [locatie sub 16] volgt uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften dat het, overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 69 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat het bouwblok bedoeld is voor een niet-grondgebonden bedrijf. Verweerder is echter blijkens het bestreden besluit uitgegaan van een grondgebonden bedrijf. Derhalve moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het perceel ligt voorts in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landschap”. Blijkens het streekplan mogen intensieve veehouderijen in de AHS-landschap – voorzover niet gelegen op duurzame locaties voor de intensieve veehouderij of in kernrandzones - eenmalig hun bouwblok uitbreiden als dit noodzakelijk is vanwege de eisen voor dierenwelzijn. De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet valt op te maken dat verweerder de omvang van de bestemming getoetst heeft aan het bovenstaande streekplanbeleid. Ter zitting is komen vast te staan dat het perceel niet ligt op een duurzame locatie voor de intensieve veehouderij of in een kernrandzone, als bedoeld in het streekplan. Het bestreden besluit noch de overige stukken bieden echter een aanknopingspunt of verweerder onderzocht heeft in hoeverre het vermeerderingsbedrijf van appellant aanspraak kan maken op de in het streekplan opgenomen eenmalige uitbreiding, nadat de noodzaak daartoe is aangetoond. Voorts is gebleken dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de feitelijke situatie op het perceel. Als gevolg van het bestreden besluit vallen een bestaande verharding en een spuitplaats buiten het bouwblok, terwijl verweerder beleidsmatig – blijkens zijn verklaring ter zitting – het uitgangspunt hanteert dat deze binnen een bouwblok gesitueerd dienen te worden. Het bestreden besluit is ook in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep van appellant [appellant sub 9] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11.24. [appellant sub 20] bestrijdt de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-” op zijn perceel [locatie sub 17], voorzover daaraan niet de motivering ten grondslag is gelegd dat de omvang daarvan te klein is. Hij betoogt dat de continuïteit van zijn vermeerderingsbedrijf niet is gewaarborgd.

2.11.25. Verweerder heeft de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat de omvang daarvan niet getoetst is aan zijn beleid inzake bouwblokken voor intensieve veehouderijen die liggen in een gebied dat op een detailplankaart met schaal 1:25.000 bij het streekplan is aangemerkt als GHS-landbouw. Deze ligging betekent volgens hem dat het agrarische bedrijf van appellant niet meer kan uitbreiden, behoudens indien dit nodig is vanwege eisen van dierenwelzijn.

2.11.26. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat het perceel, overeenkomstig de aanduiding op de detailplankaart, bestemd is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 59 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat het bouwblok bedoeld is voor een niet-grondgebonden bedrijf. Voorts ligt het perceel in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke hoofdstructuur” is aangeduid als “GHS-landbouw”. Het streekplan vermeldt dat intensieve veehouderijen in de GHS-landbouw – voorzover niet gelegen in leefgebieden voor weidevogels (onderdeel van een leefgebied voor kwetsbare soorten) dan wel voor struweelvogels, of in kernrandzones - eenmalig hun bouwblok mogen uitbreiden als dit noodzakelijk is vanwege de eisen van dierenwelzijn. Op de grote streekplankaart “2: Elementen van de onderste laag” ligt het perceel niet in een gebied dat is aangeduid als “leefgebied voor kwetsbare soorten” of “leefgebied voor struweelvogels”. Daarnaast is ter zitting komen vast te staan dat het bouwblok niet ligt in een kernrandzone, als bedoeld in het streekplan. Nu het plan ter plaatse bij recht voorziet in een uitbreiding van een niet-grondgebonden bedrijf, heeft verweerder terecht geconstateerd dat de omvang van dit bouwblok in strijd is met het streekplanbeleid. Uit het dictum (onderdeel D.) volgt dat de voor verweerder toelaatbare omvang van dit agrarische bedrijf beperkt is tot de bestaande situatie. Onder de bestaande situatie verstaat verweerder blijkens het bestreden besluit “dat deel van het agrarisch bouwblok waarop bedrijfsbebouwing aanwezig en/of rechtsgeldig vergund is”. Bij de bepaling van deze omvang heeft verweerder zich – naar hij ter zitting heeft bevestigd – gebaseerd op een door hem uitgevoerd onderzoek ter plaatse. Uit het bestreden besluit kan echter niet worden opgemaakt of uit dit onderzoek wellicht bijzondere feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die aanleiding kunnen vormen om voor het bouwblok van het streekplanbeleid af te wijken. Bovendien heeft verweerder met het oog op de toepassing van artikel 30, eerste lid, van de WRO onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welk gedeelte van het bouwblok de in het streekplan opgenomen eenmalige uitbreiding kan plaatsvinden, nadat de noodzaak daartoe is aangetoond. Immers niet alleen de omvang, maar ook de vorm en daarmee de ligging van het bouwblok, mede in relatie tot de aangrenzende gebiedsbestemmingen is van belang. Het bestreden besluit berust in zoverre dan ook niet op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 20] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11.27. [appellant sub 20] bestrijdt de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-” op zijn perceel [locatie sub 18], voorzover daaraan niet tevens de motivering ten grondslag is gelegd dat zowel de omvang daarvan te klein is als ook de vorm daarvan onjuist is. Hij wijst erop dat de gemeenteraad zijn zienswijze wat betreft de vorm gegrond heeft geacht, maar dat nagelaten is het plan dienovereenkomstig aan te passen.

2.11.28. Verweerder heeft de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat de omvang daarvan niet getoetst is aan zijn beleid inzake bouwblokken voor intensieve veehouderijen die liggen in een gebied dat op een detailplankaart met schaal 1:25.000 bij het streekplan is aangemerkt als GHS-landbouw. Deze ligging betekent volgens hem dat het agrarische bedrijf van appellant niet meer kan uitbreiden, behoudens indien dit nodig is vanwege eisen van dierenwelzijn.

2.11.29. Bij zijn besluit tot vaststelling van het plan heeft de gemeenteraad een aantal wijzigingen ten opzichte van het ontwerp-plan aangebracht, waaronder het wijzigen van de vorm van de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ voor het perceel [locatie sub 18]. Deze wijziging is echter niet in het aan verweerder toegezonden plan aangebracht. De Afdeling stelt dan ook vast dat in zoverre verschil bestaat tussen de vorm van de bestemming die bij de vaststelling van het plan aan het perceel is toegekend en de vorm van de bestemming die voorkomt in het aan verweerder ter goedkeuring toegezonden plan. Dit is in strijd met artikel 28, eerste lid, van de Awb. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat verweerder op deze grond in samenhang met artikel 10:27 van de Awb primair goedkeuring aan de bestemming “Agrarische Bedrijfsdoeleinden –AB-“ had moeten onthouden. Het beroep van [appellant sub 20] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming “Agrarische Bedrijfsdoeleinden –AB-“, voorzover het betreft het perceel [locatie sub 18].

2.11.30. [appellant sub 14] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een gedeelte van de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-“ voor zijn perceel [locatie sub 19] en voor het daartegenover gelegen [locatie sub 20]. Hij betoogt dat als gevolg van de onthouding van goedkeuring de continuïteit van zijn varkenshouderij respectievelijk zijn melkrundveehouderij niet langer is gewaarborgd.

2.11.31. Verweerder heeft de omvang van de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat voor een grondgebonden agrarisch bedrijf slechts een bouwblok met een omvang van ten hoogste 1,5 hectare is toegestaan. Volgens hem is het toegekende bouwblok niet ‘op maat’.

2.11.32. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat de percelen, overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 64 aanduidingen staan, die doelen op een gekoppeld bouwblok voor een grondgebonden bedrijf. Voorts ligt het bouwblok in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landschap”. In het streekplan is opgenomen dat grondgebonden agrarische bedrijven in de AHS-landschap hun bouwblok mogen uitbreiden met 15%, of tot een omvang van 1,5 hectare als het bouwblok na toepassing van dit uitbreidingspercentage kleiner van omvang is. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het in het plan toegekende bouwblok een oppervlakte heeft van ongeveer 2,2 hectare en dat aan gedeelten daarvan met een totale omvang van ongeveer 0,4 hectare goedkeuring is onthouden. Het bestreden besluit noch de overige stukken bieden echter een aanknopingspunt of verweerder onderzocht heeft in hoeverre het bouwblok voldoet aan de uitbreidingsmogelijkheid van 15% die het streekplanbeleid biedt. De Afdeling is dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft onderbouwd dat de omvang van de bestemming in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 14] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11.33. [appellant sub 15] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ op zijn perceel [locatie sub 21]. Hij betoogt dat als gevolg van de onthouding van goedkeuring de continuïteit van zijn pluimveebedrijf niet is gewaarborgd.

2.11.34. Verweerder heeft de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat de omvang daarvan niet getoetst is aan zijn beleid inzake bouwblokken voor intensieve veehouderijen die liggen in een gebied dat op een detailplankaart met schaal 1:25.000 bij het streekplan is aangemerkt als GHS-landbouw. Deze ligging betekent volgens hem dat het agrarische bedrijf van appellant niet meer kan uitbreiden, behoudens indien dit nodig is vanwege eisen van dierenwelzijn.

2.11.35. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat het perceel, overeenkomstig de aanduiding op de detailplankaart, bestemd is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 52 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat het bouwblok bedoeld is voor een niet-grondgebonden bedrijf. Voorts ligt het perceel in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke hoofdstructuur” is aangeduid als “GHS-landbouw”. Het streekplan vermeldt dat intensieve veehouderijen in de GHS-landbouw – voorzover niet gelegen in leefgebieden voor weidevogels (onderdeel van een leefgebied voor kwetsbare soorten) dan wel voor struweelvogels, of in kernrandzones - eenmalig hun bouwblok mogen uitbreiden als dit noodzakelijk is vanwege de eisen van dierenwelzijn. Op de grote streekplankaart “2: Elementen van de onderste laag” ligt het perceel niet in een gebied dat is aangeduid als “leefgebied voor kwetsbare soorten” of “leefgebied voor struweelvogels”. Daarnaast is ter zitting komen vast te staan dat het bouwblok niet ligt in een kernrandzone, als bedoeld in het streekplan. Nu het plan ter plaatse bij recht voorziet in een uitbreiding van een niet-grondgebonden bedrijf, heeft verweerder terecht geconstateerd dat de omvang van dit bouwblok in strijd is met het streekplanbeleid. Uit het dictum (onderdeel D.) volgt dat de voor verweerder toelaatbare omvang van dit agrarische bedrijf beperkt is tot de bestaande situatie. Onder de bestaande situatie verstaat verweerder blijkens het bestreden besluit “dat deel van het agrarisch bouwblok waarop bedrijfsbebouwing aanwezig en/of rechtsgeldig vergund is”. Bij de bepaling van deze omvang heeft verweerder zich – naar hij ter zitting heeft bevestigd – gebaseerd op een door hem uitgevoerd onderzoek ter plaatse. Uit het bestreden besluit kan echter niet worden opgemaakt of uit dit onderzoek wellicht bijzondere feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die aanleiding kunnen vormen om voor het bouwblok van het streekplanbeleid af te wijken. Bovendien heeft verweerder met het oog op de toepassing van artikel 30, eerste lid, van de WRO onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welk gedeelte van het bouwblok de in het streekplan opgenomen eenmalige uitbreiding kan plaatsvinden, nadat de noodzaak daartoe is aangetoond. Immers niet alleen de omvang, maar ook de vorm en daarmee de ligging van het bouwblok, mede in relatie tot de aangrenzende gebiedsbestemmingen is van belang. Het bestreden besluit berust in zoverre dan ook niet op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 15] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11.36. [appellant sub 16] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan enkele gedeelten van de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-” voor zijn perceel [locatie sub 22]. Hij betoogt dat als gevolg van de onthouding van goedkeuring de continuïteit van zijn kwekerij niet langer is gewaarborgd. Ter zitting heeft appellant gesteld ook bezwaar te hebben tegen de vorm van het goedgekeurde gedeelte van de bestemming. Volgens hem valt een deel van het kassencomplex waarvoor op 13 augustus 2002 een bouwvergunning is verleend buiten het bouwblok.

2.11.37. Verweerder heeft de omvang van de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat voor een grondgebonden agrarisch bedrijf slechts een bouwblok met een omvang van ten hoogste 1,5 hectare is toegestaan. Volgens hem is het toegekende bouwblok niet ‘op maat’.

2.11.38. Wat betreft de beroepsgrond van appellant tegen de vorm van het goedgekeurde gedeelte van de bestemming, overweegt de Afdeling dat hij in zijn beroepschrift uitsluitend opkomt tegen het gedeelte van de bestemming waaraan goedkeuring is onthouden. De door appellant ter zitting naar voren gebrachte grond, valt derhalve niet te herleiden tot zijn beroepschrift. Deze beroepsgrond heeft appellant voorts ingediend na afloop van de wettelijke beroepstermijn. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs zou moeten worden geoordeeld dat appellant in zoverre niet in verzuim is geweest. Het beroep van [appellant sub 16] is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.11.38.1. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat de percelen, overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 33 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat het bouwblok bedoeld is voor een grondgebonden bedrijf. Voorts ligt het perceel in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landschap”. In het streekplan is opgenomen dat grondgebonden agrarische bedrijven in de AHS-landschap hun bouwblok mogen uitbreiden met 15%, of tot een omvang van 1,5 hectare als het bouwblok na toepassing van dit uitbreidingspercentage kleiner zou zijn. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het in het plan toegekende bouwblok een oppervlakte heeft van ongeveer 1,5 hectare en dat aan gedeelten daarvan met een totale omvang van ongeveer 0,5 hectare goedkeuring is onthouden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft onderbouwd dat de omvang van de bestemming in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 16] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11.39. [appellanten sub 18] hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ voor hun perceel [locatie sub 23]. Zij betogen dat als gevolg van deze onthouding van goedkeuring de continuïteit van hun varkenshouderij niet is gewaarborgd. Ter zitting hebben appellanten gesteld dat hun perceel geen leefgebied voor struweelvogels is, omdat deze vogels in de omgeving niet voorkomen.

2.11.40. Verweerder heeft de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat de omvang daarvan niet getoetst is aan zijn beleid inzake bouwblokken voor intensieve veehouderijen die liggen in een gebied dat op een detailplankaart met schaal 1:25.000 bij het streekplan is aangemerkt als GHS-landbouw. Deze ligging betekent volgens hem dat het agrarische bedrijf van appellanten niet meer kan uitbreiden, behoudens indien dit nodig is vanwege eisen van dierenwelzijn. In zijn reactie op de ingediende beroepen, heeft verweerder verklaard dat het perceel beschouwd moet worden als een leefgebied voor struweelvogels en heeft hij onderzoeksgegevens uit 1999 overgelegd.

2.11.41. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat het perceel, overeenkomstig de aanduiding op de detailplankaart, bestemd is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 43 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat het bouwblok bedoeld is voor een niet-grondgebonden bedrijf. Voorts ligt het perceel in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke hoofdstructuur” is aangeduid als “GHS-landbouw” en op de grote streekplankaart “2: Elementen van de onderste laag” als “leefgebied voor struweelvogels”. Het streekplan vermeldt dat intensieve veehouderijen in leefgebieden voor weidevogels (onderdeel van een leefgebied voor kwetsbare soorten) dan wel voor struweelvogels van de GHS-landbouw hun bouwblok mogen uitbreiden tot maximaal 2,5 hectare. Buiten deze leefgebieden is uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderijen in de GHS-landbouw – voorzover niet gelegen in kernrandzones – eenmalig toegestaan, uitsluitend als dit noodzakelijk is vanwege de eisen van dierenwelzijn. Ter zitting is komen vast te staan dat het bouwblok niet ligt in een kernrandzone, als bedoeld in het streekplan. Het in het plan toegekend bouwblok waarop appellanten hun varkenshouderij uitoefenen heeft een omvang van ongeveer 2,0 hectare. Als gevolg van de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring resteert de bestaande situatie. Daaronder verstaat verweerder blijkens het bestreden besluit “dat deel van het agrarisch bouwblok waarop bedrijfsbebouwing aanwezig en/of rechtsgeldig vergund is”. Nu een niet-grondgebonden bedrijf in een leefgebied voor struweelvogels op basis van het streekplan, naar de Afdeling begrijpt, in aanmerking komt voor een uitbreidingsmogelijkheid tot maximaal 2,5 hectare, berust het standpunt van verweerder dat de omvang van de bestemming voor het perceel niet in overeenstemming is met het streekplanbeleid, niet op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellanten sub 18] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11.42. [appellanten sub 18] hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan enkele gedeelten van de bestemmingen “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ voor hun percelen [locatie sub 24] en [locatie sub 25]. Zij betogen dat als gevolg van deze onthoudingen van goedkeuring de continuïteit van hun in ontwikkeling zijnde boomkwekerijen niet is gewaarborgd.

2.11.43. Verweerder heeft de omvang van de bestemmingen in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat hem uit een onderzoek ter plaatse gebleken is dat op het perceel [locatie sub 24] wel en op het perceel [locatie sub 25] niet een begin is gemaakt met de bouw van ondersteunende kassen bij de boomteeltbedrijven, waarvoor in 1999 bouwvergunningen zijn verleend en dat beide locaties nog niet als zodanig in gebruik zijn genomen. Omdat de toegekende bouwblokken niet ‘op maat’ zijn, heeft verweerder aan delen daarvan goedkeuring onthouden.

2.11.44. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat de percelen, overeenkomstig de aanduiding op de detailplankaart, bestemd zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaarten 43 en 36 aanduidingen staan, waaruit blijkt dat beide bouwblokken bedoeld zijn voor een grondgebonden bedrijf. Voorts liggen de percelen in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke hoofdstructuur” is aangeduid als “GHS-landbouw”. In het streekplan is opgenomen dat grondgebonden agrarische bedrijven in de GHS-landbouw hun bouwblok mogen uitbreiden met 15%, of tot een omvang van 1,5 hectare als het bouwblok na toepassing van dit uitbreidingspercentage kleiner zou zijn. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de in het plan toegekende bouwblokken een oppervlakte hebben van ongeveer 1,0 hectare ([locatie sub 24]) respectievelijk 2,2 hectare ([locatie sub 25]) en dat aan gedeelten daarvan met een totale omvang van ongeveer 0,87 hectare respectievelijk 2,05 hectare goedkeuring is onthouden. Het bestreden besluit noch de overige stukken bieden echter een aanknopingspunt of verweerder onderzocht heeft in hoeverre de bouwblokken voldoen aan de uitbreidingsmogelijkheid van 15% die het streekplanbeleid biedt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft onderbouwd dat de omvang van de bestemmingen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellanten sub 18] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11.45. [appellant sub 19] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een gedeelte van de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ op zijn perceel [locatie sub 26]. Hij betoogt dat als gevolg van deze onthouding van goedkeuring de continuïteit van zijn pluimveehouderij niet is gewaarborgd. Appellant stelt dat eveneens ten onrechte goedkeuring is onthouden aan bepaalde aanduidingen bij deze bestemming voor dit perceel. Ter zitting heeft appellant verklaard dat de grootte van het goedgekeurde gedeelte van de bestemming op zich genomen toereikend is, maar dat het bestreden besluit een andere indeling van zijn perceel belemmert.

2.11.46. Verweerder heeft de omvang van de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat voor een grondgebonden agrarisch bedrijf slechts een bouwblok met een omvang van ten hoogste 1,5 hectare is toegestaan. Volgens hem is het toegekende bouwblok niet ‘op maat’.

2.11.47. Ten aanzien van de beweerde onthouding van goedkeuring aan bepaalde aanduidingen op het perceel, stelt de Afdeling vast dat verweerder blijkens het dictum van het bestreden besluit daaraan goedkeuring heeft verleend. Het beroep van [appellant sub 19] mist derhalve op dit punt feitelijke grondslag en is in zoverre ongegrond.

2.11.47.1. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat het perceel, overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 11 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat dit bouwblok bedoeld is voor een niet-grondgebonden bedrijf. Verweerder is echter blijkens het bestreden besluit uitgegaan van een grondgebonden bedrijf. Derhalve moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het perceel ligt voorts in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landschap”. Blijkens het streekplan mogen intensieve veehouderijen in de AHS-landschap – voorzover niet gelegen op duurzame locaties voor de intensieve veehouderij of in kernrandzones - eenmalig hun bouwblok uitbreiden als dit noodzakelijk is vanwege de eisen voor dierenwelzijn. De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet valt op te maken dat verweerder de omvang van de bestemming getoetst heeft aan het bovenstaande streekplanbeleid. Het bestreden besluit is ook in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep van [appellant sub 19] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Overigens komt het bovenstaande streekplanbeleid de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor. Ter zitting is komen vast te staan dat het perceel niet ligt op een duurzame locatie voor de intensieve veehouderij of in een kernrandzone, als bedoeld in het streekplan. Het in het plan toegekende bouwblok waarop appellant zijn pluimveehouderij uitoefent heeft een omvang van ongeveer 2,2 hectare. Als gevolg van de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring resteert ongeveer 1,5 hectare. Uit de beschikbare luchtfoto van april 2003 blijkt dat het goedgekeurde deel nog beduidende uitbreidingsmogelijkheden biedt. Appellant heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat geen (beperkte) uitbreidingsmogelijkheid voor zijn pluimveehouderij is geboden of dat onvoldoende rekening is gehouden met reëel te verwachten bedrijfseconomische ontwikkelingen. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die tot afwijking van het streekplanbeleid noopten. Daarbij is van belang dat voor een verandering van de vorm van het bouwblok de bestemming “Agrarisch gebied” op de omliggende gronden blijkens artikel 19, tweede lid, in samenhang met artikel 20, tweede lid, onder e., van de voorschriften gewijzigd kan worden in de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“. De Afdeling is dan ook van oordeel dat verweerder terecht geconstateerd heeft dat het toegekende bouwblok niet ‘op maat’ is. Onder deze omstandigheden, ziet de Afdeling dan ook aanleiding goedkeuring te onthouden aan dezelfde plandelen met de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“, voorzover het betreft het perceel [locatie sub 26].

2.11.48. [appellant sub 21] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een gedeelte van de bestemmingen “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ op zijn percelen [locatie sub 27] en [locatie sub 28]. Hij betoogt dat als gevolg van deze onthoudingen van goedkeuring de continuïteit van zijn vleesvarkenshouderij en zijn varkensmesterij niet is gewaarborgd.

2.11.49. Verweerder heeft de omvang van de bestemmingen in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat voor een grondgebonden agrarisch bedrijf slechts een bouwblok met een omvang van ten hoogste 1,5 hectare is toegestaan. Volgens hem zijn de toegekende bouwblokken niet ‘op maat’.

2.11.50. Wat betreft het perceel [locatie sub 28] volgt uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften dat het, overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 53 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat het bouwblok bedoeld is voor een niet-grondgebonden bedrijf. Verweerder is echter blijkens het bestreden besluit uitgegaan van een grondgebonden bedrijf. Derhalve moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het perceel ligt voorts in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landschap”. Blijkens het streekplan mogen intensieve veehouderijen in de AHS-landschap – voorzover niet gelegen op duurzame locaties voor de intensieve veehouderij of in kernrandzones - eenmalig hun bouwblok uitbreiden als dit noodzakelijk is vanwege de eisen voor dierenwelzijn. De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet valt op te maken dat verweerder de omvang van de bestemming getoetst heeft aan het bovenstaande streekplanbeleid. Het bestreden besluit is ook in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep van [appellant sub 21] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

Overigens komt het bovenstaande streekplanbeleid de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor. Ter zitting is komen vast te staan dat het bouwblok niet ligt op een duurzame locatie voor de intensieve veehouderij of in een kernrandzone, als bedoeld in het streekplan. Het in het plan toegekende bouwblok waarop appellant zijn vleesvarkenshouderij uitoefent heeft een omvang van ongeveer 1,2 hectare. Als gevolg van de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring resteert ongeveer 0,9 hectare. Uit de beschikbare luchtfoto van april 2003 blijkt dat het goedgekeurde deel geenszins volledig is benut. Appellant heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat geen (beperkte) uitbreidingsmogelijkheid voor zijn vleesvarkenshouderij is geboden of dat onvoldoende rekening is gehouden met reëel te verwachten bedrijfseconomische ontwikkelingen. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot afwijking van het streekplanbeleid noopten. De Afdeling is dan ook van oordeel dat verweerder terecht geconstateerd heeft dat het toegekende bouwblok niet ‘op maat’ is. Onder deze omstandigheden, ziet de Afdeling dan ook aanleiding goedkeuring te onthouden aan dezelfde plandelen met de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“, voorzover het betreft het perceel [locatie sub 28].

2.11.50.1. Wat betreft het perceel [locatie sub 27] volgt uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften dat het, overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 47 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat het bouwblok bedoeld is voor een niet-grondgebonden bedrijf. Verweerder is echter blijkens het bestreden besluit uitgegaan van een grondgebonden bedrijf. Derhalve moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het perceel ligt voorts in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landschap”. Blijkens het streekplan mogen intensieve veehouderijen in de AHS-landschap – voorzover niet gelegen op duurzame locaties voor de intensieve veehouderij of in kernrandzones - eenmalig hun bouwblok uitbreiden als dit noodzakelijk is vanwege de eisen voor dierenwelzijn. De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit niet valt op te maken dat verweerder de omvang van de bestemming getoetst heeft aan het bovenstaande streekplanbeleid. Het bestreden besluit is ook in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep van [appellant sub 21] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

Overigens komt het bovenstaande streekplanbeleid de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor. Ter zitting is komen vast te staan dat het bouwblok niet ligt op een duurzame locatie voor de intensieve veehouderij of in een kernrandzone, als bedoeld in het streekplan. Het in het plan toegekende bouwblok waarop appellant zijn varkensmesterij uitoefent heeft een omvang van ongeveer 1,0 hectare. Als gevolg van de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring resteert ongeveer 0,6 hectare. Op 28 mei 2002 is aan appellant een bouwvergunning verleend voor het herbouwen van een woonboerderij met een bijgebouw dichter bij de weg, onder de voorwaarde dat de oude woonboerderij en de bijgebouwen die daarachter liggen gesloopt worden. Rekening houdend met deze bouwvergunning, blijkt uit de beschikbare luchtfoto van april 2003 dat het goedgekeurde deel niet volledig is benut. Appellant heeft derhalve niet aannemelijk heeft gemaakt dat geen (beperkte) uitbreidingsmogelijkheid voor zijn varkensmesterij is geboden of dat onvoldoende rekening is gehouden met reëel te verwachten bedrijfseconomische ontwikkelingen. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot afwijking van het streekplanbeleid noopten. De Afdeling is dan ook van oordeel dat verweerder terecht heeft geconstateerd dat het toegekende bouwblok niet ‘op maat’ is. Onder deze omstandigheden, ziet de Afdeling dan ook aanleiding goedkeuring te onthouden aan dezelfde plandelen met de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“, voorzover het betreft het perceel [locatie sub 27].

2.11.51. [appellant sub 22] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een gedeelte van de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ op zijn perceel [locatie sub 29]. Hij betoogt dat als gevolg van deze onthouding van goedkeuring de continuïteit van zijn varkenshouderij niet is gewaarborgd.

2.11.52. Verweerder heeft de omvang van de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat voor een grondgebonden agrarisch bedrijf slechts een bouwblok met een omvang van ten hoogste 1,5 hectare is toegestaan. Volgens hem is het toegekende bouwblok niet ‘op maat’.

2.11.53. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat het perceel, overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 24 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat het bouwblok bedoeld is voor een grondgebonden bedrijf. Voorts ligt het perceel in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landschap”. In het streekplan is opgenomen dat grondgebonden agrarische bedrijven in de AHS-landschap hun bouwblok mogen uitbreiden met 15%, of tot een omvang van 1,5 hectare als het bouwblok na toepassing van dit uitbreidingspercentage kleiner zou zijn. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het in het plan toegekende bouwblok een oppervlakte heeft van ongeveer 1,0 hectare en dat aan gedeelten met een totale omvang van ongeveer 0,2 hectare goedkeuring is onthouden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft onderbouwd waarom de omvang van de bestemming in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 22] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11.54. [appellant sub 23] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een gedeelte van de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ op zijn perceel [locatie sub 30]. Hij betoogt dat als gevolg van deze onthouding van goedkeuring de continuïteit van zijn melkrundveehouderij niet is gewaarborgd.

2.11.55. Verweerder heeft de omvang van de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, omdat voor een grondgebonden agrarisch bedrijf slechts een bouwblok met een omvang van ten hoogste 1,5 hectare is toegestaan. Volgens hem is het toegekende bouwblok niet ‘op maat’.

2.11.56. Uit artikel 16, eerste lid, van de voorschriften volgt dat het perceel, overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaart, bestemd zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Niet in geschil is dat op detailplankaart 24 een aanduiding staat, waaruit blijkt dat het bouwblok bedoeld is voor een grondgebonden bedrijf. Voorts ligt het perceel in een gebied dat op de grote streekplankaart “1: Ruimtelijke Hoofdstructuur” is aangeduid als “AHS-landschap”. In het streekplan is opgenomen dat grondgebonden agrarische bedrijven in de AHS-landschap hun bouwblok mogen uitbreiden met 15%, of tot een omvang van 1,5 hectare als het bouwblok na toepassing van dit uitbreidingspercentage kleiner zou zijn. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het in het plan toegekende bouwblok een oppervlakte heeft van ongeveer 1,0 hectare en dat aan een gedeelte met een omvang van ongeveer 0,1 hectare goedkeuring is onthouden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft onderbouwd waarom de omvang van de bestemming in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 23] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.11.57. De BMF heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 16 van de voorschriften, voorzover daarin omtrent de omvang van agrarische bouwblokken geen onderscheid is gemaakt naar de ligging daarvan in de provinciale Groene hoofdstructuur dan wel in de provinciale Agrarische hoofdstructuur met of zonder meerwaarden.

2.11.58. De Afdeling stelt vast dat deze beroepsgrond van de BMF een woordelijke herhaling vormt van haar bedenking op dit punt. In het bestreden besluit heeft verweerder betoogd geen reden te zien het voorschrift vanwege het ontbreken van het door de BMF gewenste onderscheid in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij stelt zich op het standpunt dat een ligging van agrarische bouwblokken zoals door de BMF gehanteerd uit het vorige streekplan stamt en niet (meer) overeenkomt met de indeling op grond van het huidige streekplan. De BMF heeft noch in haar beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze weerlegging van haar bedenking op dit punt onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging onjuist zou zijn. Het beroep van de BMF is in zoverre ongegrond.

2.12. Artikel 17: Bedrijfsdoeleinden –B- (medebestemming)

2.12.1. [appellanten sub 5] hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-” en de aanduiding “B26: atelier” voor hun perceel [locatie sub 31]. Voorts bestrijden zij de onthouding van goedkeuring aan het getal “420,00” op detailplankaart 12, zijnde het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak in m2 voor dit perceel. Zij betogen dat de bestaande (inhoud van hun) woning niet positief is bestemd.

2.12.2. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat een maximale oppervlakte van 250 m2 voor de woning en het atelier op het perceel voldoende is.

2.12.3. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het getal “420,00” op detailplankaart 12, omdat uit nader onderzoek van de gemeenteraad bleek dat het bestaande oppervlak van de woning en het atelier op het perceel 360 m2 bedraagt. Voor het overige heeft verweerder geen reden gezien het plan op dit onderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat de bebouwing in de voorschriften positief is bestemd.

2.12.4. Uit artikel 7, eerste lid, van de voorschriften volgt dat het perceel bestemd is voor de uitoefening van een atelier. Niet in geschil is dat ingevolge artikel 7, derde lid, aanhef en onder b., van de voorschriften op het perceel één bedrijfswoning is toegelaten, omdat op detailplankaart 12 niet staat dat twee bedrijfswoningen of geen bedrijfswoning is toegestaan, en dat die ene bedrijfswoning zich in hetzelfde (bedrijfs-)gebouw dient te bevinden waar ook het atelier is.

Artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a., b., f., en g., van de voorschriften bepaalt dat voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de aanwijzingen op de kaart gelden alsmede onder meer de volgende bepalingen:

- het op de kaart aangegeven maximale bebouwingsoppervlak, alsmede de goot- en nokhoogte mogen niet worden overschreden, met dien verstande dat het maximale bebouwingsoppervlak niet van toepassing is op onder meer de bedrijfswoning.

- de goothoogte van de bedrijfswoning mag ten hoogste 4,5 meter bedragen en de nokhoogte ten hoogte 8 meter;

Op detailplankaart 12 staan aanwijzingen / aanduidingen waaruit blijkt dat voor het perceel de maximaal toegestane goot- en nokhoogte 3,00 meter respectievelijk 4,50 meter bedraagt. Nu voor het perceel voorgeschreven is dat het atelier tezamen met de bedrijfswoning in één bouwmassa gerealiseerd dient te worden, acht de Afdeling de bouwvoorschriften op dit punt rechtsonzeker. Voor deze gezamenlijke bouwmassa gelden immers twee verschillende en tegenstrijdige goot- en nokhoogtes. Hieruit volgt dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Door het plan op dit onderdeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Overigens heeft de gemeenteraad ter zitting verklaard dat in het nieuwe plan dat ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO dient te worden vastgesteld in de bouwvoorschriften een onderscheid zal worden gemaakt tussen de bedrijfswoning en het atelier. Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij op onjuiste gronden goedkeuring heeft onthouden aan het getal “420,00”. Nu verweerder zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gevormd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel van het plan betreft ook niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, zodat het tevens genomen is in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 5] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op deze onderdelen dient te worden vernietigd. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-“ en de aanduiding “B:26 atelier” op de plankaart.

2.12.5. Appellante All-Tyre B.V. heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “B5: bandenhandel” bij de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-“ voor haar perceel [locatie sub 32] – [locatie sub 33] en ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het tekstgedeelte “caravanhandel” in artikel 17, eerste lid, van de voorschriften. Zij betoogt dat de montage van banden en velgen aan personenauto’s en de verkoop van personenautobanden aan particulieren op deze percelen ook positief bestemd had moeten worden. Voorts bestrijdt appellante de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-“ en de aanduiding “B6: siersmederij” voor haar perceel [locatie sub 34] en aan het tekstgedeelte “B6: siersmederij” in artikel 17, eerste lid, van de voorschriften, voorzover daaraan niet tevens de motivering ten grondslag is gelegd dat het herstellen en renoveren van beschadigde aluminiumvelgen op dat perceel mogelijk moet zijn.

2.12.6. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de door appellante gewenste detailhandel een functioneel niet aan het buitengebied gebonden bedrijfsactiviteit betreft, die uit het buitengebied moet worden geweerd en die overigens ook onder het vorige plan niet was toegestaan. Voorts streeft de gemeenteraad de verplaatsing van een niet-agrarisch bedrijf naar een bedrijventerrein na wanneer dat bedrijf uitgroeit of dreigt uit te groeien tot een meerpersoonsbedrijf. Tegen de verruiming van het gebruik tot caravanhandel naast de bandenhandel op het perceel [locatie sub 32] – [locatie sub 33] heeft de gemeenteraad geen bezwaar.

2.12.7. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-“ en de aanduiding “B6: siersmederij” voor het perceel [locatie sub 34] en aan het tekstgedeelte “B6: siersmederij” in artikel 17, eerste lid, van de voorschriften, aangezien de siersmederij die daar gevestigd was haar bedrijfsactiviteiten voor de planvaststelling reeds had beëindigd. Voorts heeft hij goedkeuring onthouden aan het tekstgedeelte “caravanhandel” in artikel 17, eerste lid, van de voorschriften, omdat op het perceel [locatie sub 32] – [locatie sub 33] geen caravanhandel meer wordt uitgeoefend. Wel is verweerder van mening dat het incidenteel monteren van onderdelen, voorzover dat voortvloeit uit die voormalige caravanhandel, op dit perceel alsnog planologisch mogelijk moet worden gemaakt. Voor het overige heeft verweerder geen reden gezien het plan op deze onderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.12.8. Het streekplanbeleid is erop gericht functioneel niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid uit het buitengebied te weren. Nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijven wordt alleen toegestaan op een bedrijventerrein of in een kern. Van deze uitgangspunten kan volgens het streekplan onder bepaalde voorwaarden worden afgeweken ter plaatse van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Dit streekplanbeleid komt de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor. Niet in geschil is dat het bij de montage van banden en velgen aan personenauto’s en de verkoop van personenautobanden aan particulieren respectievelijk bij het herstellen en renoveren van beschadigde aluminiumvelgen op de percelen [locatie sub 32] – [locatie sub 33] en [locatie sub 34] gaat om bedrijvigheid die functioneel niet aan het buitengebied gebonden is, dat de bestemming blijkens de doeleindenomschrijving in artikel 17, eerste lid, van de voorschriften deze bedrijfsactiviteiten niet toestaat en dat die bedrijfsactiviteiten eveneens in strijd waren met de voorheen geldende bestemming. Verweerder heeft dan ook op goede gronden het gebruik van deze percelen voor die bedrijfsactiviteiten als nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf als bedoeld in het streekplan aangemerkt en terecht in strijd met zijn beleid geacht. De beweerde omstandigheden dat het college van burgemeester en wethouders nimmer handhavend is opgetreden tegen deze bedrijfsactiviteiten en dat de verplaatsing daarvan naar een bedrijventerrein voor appellante financieel niet haalbaar is, brengen niet met zich dat van het beleid had moeten worden afgeweken. Ook anderszins is van de noodzaak daartoe niet gebleken. Voorts is ter zitting vast komen te staan dat op het perceel [locatie sub 32] – [locatie sub 33] geen caravanhandel meer wordt uitgeoefend en op het perceel [locatie sub 34] geen siersmederij meer is gevestigd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanduiding “B5: bandenhandel” voor het perceel [locatie sub 32] – [locatie sub 33] niet en de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-“ en de aanduiding “B6: siersmederij” voor het perceel [locatie sub 34] alsmede de tekstgedeelten “caravanhandel” en “B6: siersmederij” in artikel 17, eerste lid van de voorschriften, wel in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze onderdelen anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend respectievelijk onthouden aan het plan. Het beroep van appellante All-Tyre B.V. is in zoverre ongegrond.

2.12.9. Appellante All-Tyre B.V. heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de omvang van de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-“ voor haar perceel [locatie sub 32] – [locatie sub 33]. Zij wenst de naast dit perceel gelegen gronden te blijven gebruiken voor parkeer- en/of opslagdoeleinden voor haar op dat perceel gevestigde bedrijf. Volgens appellante zal de aan de gronden toegekende bestemming “Agrarisch gebied” niet worden verwezenlijkt. Ter zitting heeft appellante verklaard niet een uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing op het perceel na te streven.

2.12.10. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het gemeentelijke beleid en de ligging van de gronden zich verzetten tegen een verdere uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van appellante naar deze gronden.

2.12.11. Verweerder heeft geen reden gezien de omvang van de bestemming in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Volgens hem is een uitbreiding van niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied in strijd met het streekplan. Hij acht in het geval van appellante geen bijzondere motieven aanwezig die een afwijking van het streekplan rechtvaardigen.

2.12.12. Zuinig ruimtegebruik vormt een belangrijk uitgangspunt van het streekplan. Door het bestaande ruimtegebruik te intensiveren kan extra ruimtebeslag worden voorkomen. Het streekplanbeleid is gericht op het uit het buitengebied weren van functioneel niet daaraan gebonden bedrijvigheid. Dit streekplanbeleid komt de Afdeling in het algemeen niet onredelijk voor. Niet in geschil is dat het bij het gebruik voor parkeer- en/of opslagdoeleinden van de gronden naast het perceel gaat om bedrijvigheid die functioneel niet aan het buitengebied gebonden is, dat de bestemming “Agrarisch gebied” voor deze gronden blijkens de doeleindenomschrijving in artikel 8, eerste lid, van de voorschriften dit gebruik niet toestaat en dat de voorheen geldende bestemming dit gebruik eveneens niet toestond. Verweerder heeft dan ook op goede gronden het gebruik voor parkeer- en/of opslagdoeleinden van de gronden als extra ruimtebeslag als bedoeld in het streekplan aangemerkt en terecht in strijd met zijn beleid geacht. Daarbij acht de Afdeling van belang dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat een (verdere) intensivering van het ruimtegebruik op haar perceel niet tot de mogelijkheden behoort. Ook anderszins is niet gebleken van een noodzaak voor verweerder van het streekplanbeleid af te wijken. Voorts heeft de gemeenteraad ter zitting onweersproken verklaard dat het college van burgemeester en wethouders handhavend optreedt tegen het strijdige gebruik van deze gronden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van appellante All-Tyre B.V. is in zoverre ongegrond.

2.12.13. De BMF en de Werkgroep hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-“ en de aanduiding “B21: handel in gebruikte bouwmaterialen” voor het perceel [locatie sub 35]. Zij stellen dat de geboden uitbreidingsmogelijkheid te groot is, gelet op de ligging van het perceel in een bosgebied.

2.12.14. De Afdeling stelt vast dat de gemeenteraad in het besluit tot vaststelling van het plan niet is ingegaan op dit door beide appellanten als zienswijze ingebrachte bezwaar tegen het ontwerp-plan. Gelet hierop is het plan op dit punt vastgesteld in strijd met artikel 25 in samenhang met artikel 23, eerste lid, van de WRO. Uit deze bepalingen volgt dat de gemeenteraad tijdig ingebrachte zienswijzen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WRO bij de vaststelling van het plan betrekt. Door het plan op dit punt niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen van de BMF en van de Werkgroep zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-“ en de aanduiding “B21: handel in gebruikte bouwmaterialen” op de plankaart.

2.12.15. [appellante sub 13] heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-“ en de aanduiding “B24: slachterij” voor haar perceel [locatie sub 36]. Zij betoogt dat sinds 1978 ter plaatse slagerijactiviteiten plaatsvinden en dat in 1985 een hinderwetvergunning is verleend voor een slachterij / slagerij. Volgens appellante valt haar bedrijf ten onrechte onder het overgangsrecht.

2.12.16. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-“ en de aanduiding “B24: slachterij”, omdat de vestiging van een slagerij in de vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing buiten een bebouwingsconcentratie in strijd is met het streekplan.

2.12.17. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing geen sprake is omdat het agrarisch bedrijf dat op het perceel gevestigd was, begin jaren tachtig is verplaatst. Nu verweerder zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gevormd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel van het plan betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellante sub 13] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.13. Artikel 20: Beschrijving in hoofdlijnen

2.13.1. De BMF heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover daarin niet de aanduiding “ecologische verbindingszone”, als bedoeld in artikel 20, twaalfde lid, onder c., van de voorschriften, is toegekend aan gronden langs de A2 en de A58. Zij stelt dat een dergelijke zone wenselijk is tussen de natuurgebieden Aarlesche Heide-Noord en Nieuwe Heide.

2.13.2. De gemeenteraad heeft de aanduiding niet toegekend, nu dit zou betekenen dat de door de BMF gewenste zone binnen 10 jaar gerealiseerd moet worden. Volgens hem ontbreken daarvoor de financiële middelen.

2.13.3. Verweerder heeft geen reden gezien het plan wegens het ontbreken van de aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat het aanleggen van deze zone niet uitvoerbaar is, omdat de gemeenteraad heeft aangegeven daarvoor geen middelen te bezitten.

2.13.4. In hetgeen de BMF heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Artikel 20, twaalfde lid, onder c., van de voorschriften bevat de voorwaarden waaronder het college van burgemeester en wethouders gebruik kan maken van zijn bevoegdheid, als vermeld in artikel 19, tweede lid, van de voorschriften om de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde” dan wel de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarde” te wijzigen in de bestemming “Natuurgebied” ten behoeve van de aanleg van een ecologische verbindingszone. Eén van die voorwaarden is de aanwezigheid van de aanduiding “ecologische verbindingszone”. Vaststaat echter dat de gronden langs de A2 en de A58 de bestemming “Bosgebied” of “Agrarisch gebied” hebben en dat de BMF deze bestemmingen niet heeft bestreden. Ook met de door de BMF gewenste toekenning van de aanduiding vallen deze gronden derhalve niet binnen het toepassingsbereik van de wijzigingsbevoegdheid. Daarnaast is onweersproken dat de financiële uitvoerbaarheid van de aanleg van een ecologische verbindingszone op deze gronden niet verzekerd is. In hetgeen de BMF heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van de BMF is in zoverre ongegrond.

2.13.5. De ZLTO heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 20, eerste lid, onder b., laatste volzin, van de voorschriften. Zij stelt dat het differentiatievlak “visuele bufferzone” als gevolg van deze bepaling onnodige beperkingen met zich brengt voor de agrarische bedrijfsvoering.

2.13.6. De gemeenteraad heeft overwogen dat het differentiatievlak geen beperkingen oplevert voor bouwactiviteiten binnen een agrarisch bouwblok en dat slechts bij uitbreiding of vormverandering daarvan en bij de bouw van agrarische hulpgebouwen daarbuiten een afweging dient plaats te vinden. In de plantoelichting zal worden opgenomen dat het differentiatievlak niet ziet op bouwactiviteiten binnen het agrarisch bouwblok.

2.13.7. Verweerder heeft de bedenking van de ZLTO op dit punt buiten beschouwing gelaten, omdat hij goedkeuring heeft onthouden aan de bestemmingen voor de gronden die tevens voorzien zijn van het differentiatievlak, zodat de gemeenteraad het plan op deze onderdelen zal moeten herzien.

2.13.8. Artikel 20, eerste lid, onder b., laatste volzin, van de voorschriften bepaalt dat bij uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven alsmede bij vormverandering van de bouwkavel, de waarden van eventuele aangrenzende bos- en/of natuurgebieden in de afweging worden betrokken. De Afdeling is van oordeel dat dit in de beschrijving in hoofdlijnen opgenomen criterium, een streefbepaling is die zich uitsluitend richt tot het college. Immers artikel 19, tweede lid, van de voorschriften geeft het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid de in tabel 2 genoemde bestemmingen te wijzigen, maar in tabel 2 wordt niet verwezen naar (de laatste volzin van) artikel 20, eerste lid, onder b., zodat deze bepaling geen deel uitmaakt van het toetsingskader voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. Ook anderszins is niet gebleken dat de laatste volzin van artikel 20, eerste lid, onder b., een de burger bindende bepaling bevat. Het beroep van de ZLTO mist derhalve op dit punt feitelijke grondslag en is in zoverre ongegrond.

2.13.9. De ZLTO heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 20, tweede lid, onder c., van de voorschriften.

2.13.10. De Afdeling stelt vast dat blijkens het dictum van het bestreden besluit verweerder goedkeuring heeft onthouden aan artikel 20, tweede lid, onder c., van de voorschriften. Het beroep van de ZLTO mist op dit punt feitelijke grondslag en is derhalve in zoverre ongegrond.

2.13.11. De ZLTO heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduidingen “bebouwingscluster” en “bebouwingslint” op plankaart 2 voor gronden nabij de Aarleseweg, de Kapelweg en de Vleutstraat. Zij stelt dat deze aanduidingen onnodige beperkingen met zich brengen voor de agrarische bedrijfsvoering.

2.13.12. De gemeenteraad heeft de aanduidingen toegekend op basis van de ruimtelijke verschijningsvorm van de bestaande bebouwing, overeenkomstig de definities in het streekplan. De aanduidingen betekenen geen beperking voor de agrarische bedrijfsvoering, maar verwijzen volgens hem naar de hergebruikmogelijkheden die het plan ter plaatse biedt. De gemeenteraad acht de belangen van de agrarische sector bovendien gewaarborgd, nu één van de voorwaarden voor hergebruik is dat de nieuwe functie geen belemmering mag vormen voor nabij gelegen agrarische bedrijven.

2.13.13. Verweerder heeft geen reden gezien de aanduidingen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad.

2.13.14. De Afdeling stelt vast dat aan de aanduidingen uitsluitend betekenis toekomt in het kader van de in artikel 19, tweede lid, in samenhang met artikel 20, zesde lid, onder b. en c., van de voorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen. Artikel 19, tweede lid, van de voorschriften geeft het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“ te wijzigen in de bestemming “Bedrijfsdoeleinden

–B-“ voor de vestiging van een agrarisch verwant dan wel niet-agrarisch bedrijf of in de bestemming “Recreatieve doeleinden –R-“ voor de vestiging van een vakantieboerderij. Artikel 20, zesde lid, onder b., en c., van de voorschriften bevat de voorwaarden voor de toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid. Naar het oordeel van de Afdeling is onvoldoende objectief bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden het college van burgemeester en wethouders van zijn bevoegdheid gebruik mag maken. De voorwaarde waaronder gewijzigd mag worden voor de vestiging van een agrarisch aanverwant bedrijf is niet vermeld. Bovendien geeft het plan niet aan wat onder de begrippen “niet-agrarisch bedrijf” en “vakantieboerderij” moet worden verstaan. Voorts kan het toepassingsbereik van de bevoegdheid (artikel 19, tweede lid, ziet uitsluitend op een vakantieboerderij) niet op basis van de daarbij behorende voorwaarde (artikel 20, zesde lid, onder c., spreekt ook over het gebruik voor verblijfsrecreatie) worden verruimd tot gevallen waarop die bevoegdheid blijkens zijn grondslag geen betrekking heeft. Hieruit volgt dat – gelet op de beroepsgrond van de ZLTO - de aanduidingen “bebouwingscluster”en “bebouwingslint” op plankaart 2 voor gronden nabij de Aarleseweg, de Kapelweg en de Vleutstraat zijn vastgesteld in strijd met artikel 11, eerste lid van de WRO. Door het plan op dit onderdeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 11, eerste lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van de ZLTO is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellante op dit punt geen verdere bespreking.

2.14. Artikel 25: Aanlegvergunningen

2.14.1. De BMF heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 25 van de voorschriften, voorzover hij aan haar overige bezwaren tegen het aanlegvergunningenstelsel niet tegemoet is gekomen. Zij acht een verdere aanscherping op bepaalde onderdelen noodzakelijk.

2.14.2. De gemeenteraad heeft naar aanleiding van de zienswijze van de BMF op dit punt het aanlegvergunningenstelsel gewijzigd vastgesteld. Hij is van mening dat de resterende door de BMF aangehaalde activiteiten niet in alle gevallen tot een onevenredige aantasting van de aanwezige waarden zullen leiden.

2.14.3. Verweerder heeft overwogen dat de BMF haar bedenking op dit punt heeft gebaseerd op een kopie van de “Tabel strijdig gebruik / aanlegvergunningen” uit het ontwerp-plan, terwijl de gemeenteraad deze tabel reeds ingrijpend heeft aangepast. In de bedenking van de BMF heeft verweerder dan ook geen reden gezien voor enige onthouding van goedkeuring.

2.14.4. De Afdeling stelt vast dat de BMF bij deze beroepsgrond heeft verwezen naar een bijgevoegde kopie van de “Tabel strijdig gebruik / aanlegvergunningen” uit het vastgestelde en deels goedgekeurde plan, waarop in bepaalde kolommen cirkels voorzien van de letter “S” zijn geplaatst en dat haar daarbij gegeven – in algemene bewoordingen vervatte - toelichting woordelijk te herleiden valt tot haar bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze op dit punt. Deze wijze van toelichting van een beroepsgrond acht de Afdeling onvoldoende concreet. Gelet hierop geeft het beroep geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen de BMF heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van de BMF is in zoverre ongegrond.

2.15. Artikel 26: Algemene vrijstellingsbevoegdheid

2.15.1. De ZLTO heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover daarin geen vrijstellingsmogelijkheid is opgenomen voor een grotere goot- en nokhoogte voor agrarische bedrijfsgebouwen. Zij stelt dat de vrijstellingsbevoegdheid waarnaar verweerder verwijst, uitsluitend ziet op burgerwoningen.

2.15.2. Artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a., van de voorschriften bepaalt dat, indien niet op grond van een andere bepaling van deze voorschriften vrijstelling kan worden verleend, het college van burgemeester en wethouders bevoegd is vrijstelling te verlenen van de desbetreffende bepaling van het plan voor het afwijken van de in het plan voorgeschreven maatvoering met ten hoogste 10%. In het bestreden besluit heeft verweerder vermeld de op grond van artikel 16, vierde lid, onder h., van de voorschriften toegestane goot- en nokhoogte van 4,5 respectievelijk 9 meter voor agrarische bedrijfsgebouwen toereikend te achten en gewezen op de algemene vrijstellingsbevoegdheid waardoor in een voorkomend geval een verhoging met 10% mogelijk is. De Afdeling stelt vast dat deze beroepsgrond van de ZLTO voor het overige een woordelijke herhaling vormt van haar bedenking op dit punt. De ZLTO heeft noch in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom dit standpunt van verweerder onjuist zou zijn. Gelet hierop geeft haar beroep geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Evenmin is gebleken dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de ZLTO is in zoverre ongegrond.

2.16. Overige bezwaren

2.16.1. De BMF heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover niet alle historische groenstructuren en cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn weergegeven op waardenkaart 2.

De Werkgroep heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover daarin niet alle belangrijke landschapselementen (bomenrijen, houtsingels) zijn beschermd.

2.16.2. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de bescherming van waardevolle landschappelijke elementen reeds geregeld is via het Landschapsbeleidsplan dat gebruikt wordt als toetsingskader bij de verlening van kap- en aanlegvergunningen. Op waardenkaart 2 is volgens de gemeenteraad beschreven welke cultuurhistorische waarden als zodanig worden erkend en gewaardeerd. Deze kaart acht hij afgewogen, omdat daarop de feitelijk te beschermen waarden staan aangegeven. Hij beschouwt enkel grafheuvels als cultuurhistorisch waardevolle elementen.

2.16.3. Naar aanleiding van de bedenking van de BMF op dit punt heeft verweerder overwogen dat het plan onder meer wat betreft de bescherming van historische groenstructuren en cultuurhistorisch waardevolle elementen onvoldoende is. Volgens hem bevat het Landschapsbeleidsplan geen de burgers bindende bepalingen en is voorts onvoldoende rekening gehouden met de onder meer op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart opgenomen historische groenstructuren. Verweerder is evenwel van mening dat een onthouding van goedkeuring vanwege deze reden te ver gaat. Hij gaat ervan uit dat de gemeenteraad bij de eerstvolgende planherziening het plan op deze onderdelen zal aanpassen.

Naar aanleiding van de bedenking van de Werkgroep op dit punt heeft verweerder overwogen dat de landschapselementen in een groot deel van het plangebied beschermd worden door middel van het differentiatievlak “besloten gebied” op waardenkaart 2. Derhalve heeft hij geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.16.4. De Afdeling stelt vast dat verweerder de bedenking van de BMF op dit punt blijkens zijn overwegingen wel gegrond achtte, maar blijkens het dictum van het besluit in zoverre geen goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Voor de gemeenteraad is dan ook niet de verplichting ontstaan de bescherming van historische groenstructuren en cultuurhistorische waardevolle elementen toe te voegen in het nieuwe plan dat ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO dient te worden vastgesteld. Hieruit volgt dat verweerder – gelet op de beroepsgrond van de BMF – op basis van een ontoereikende motivering goedkeuring heeft verleend aan waardenkaart 2. Het beroep van de BMF is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.16.4.1. In zijn reactie op het deskundigenbericht heeft verweerder de naar zijn mening beschermenswaardige landschapselementen in het plangebied vermeld. Daarbij gaat het volgens verweerder om:

- de beplanting met linden rond de Sint Annakapel te Aarle, op gronden met de bestemming “Agrarisch gebied”;

- de broekbossen in het gebied Achterste Broek / De Scheeken, op gronden met de bestemming “Bosgebied”, “Agrarisch gebied met natuurwaarden” of “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde”;

- de laanbeplanting met zomereiken langs de Vleutstraat, de Oude Baan, de Klaverhoekseweg en de Sonseweg, op gronden met de bestemming “Verkeersdoeleinden”;

- de bossen en het coulissenlandschap in het gebied de Mortelen, op gronden met de bestemming “Bosgebied”, “Agrarisch gebied met natuurwaarden” of “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde”;

- de beplanting langs het Wilhelminakanaal, op gronden met de bestemming “Bosgebied”.

De Afdeling stelt vast dat de Werkgroep deze opsomming niet heeft betwist.

In het bestreden besluit heeft verweerder gewezen op het differentiatievlak “besloten gebied”. In de doeleindenomschrijving bij de bestemmingen “Verkeerdoeleinden” en “Agrarisch gebied” wordt – in tegenstelling tot de doeleindenomschrijving bij de bestemmingen “Bosgebied”, “Agrarisch gebied met natuurwaarde” en “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde” - niet verwezen naar het differentiatievlak “besloten gebied”. Nu echter de genoemde landschapselementen rond de Sint Annakapel te Aarle en langs de Vleutstraat, de Oude Baan, de Klaverhoekseweg en de Sonseweg liggen op gronden met de bestemming “Verkeersdoeleinden” respectievelijk “Agrarisch gebied”, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat dit onderdeel van het plan betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.16.4.2. Blijkens de doeleindenomschrijving bij de bestemmingen “Bosgebied”, “Agrarisch gebied met natuurwaarde” en “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde” zijn gronden voorzien van het differentiatievlak “besloten gebied” tevens bestemd voor de instandhouding van de landschappelijke waarde “besloten gebied”. Wat betreft de genoemde landschapselementen in de gebieden Achterste Broek / De Scheeken en de Mortelen alsmede langs het Wilhelminakanaal, heeft de Werkgroep niet aannemelijk gemaakt noch is de Afdeling anderszins gebleken dat deze doeleindenomschrijving onvoldoende bescherming biedt. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen de Werkgroep heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre ongegrond.

2.16.5. De BMF heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “boomteeltontwikkeling” op plankaart 2 voor de gronden ten noorden van de St. Anthoniusweg en de Kapelweg. Zij betoogt dat deze aanduiding nieuwvestiging van boomteeltbedrijven mogelijk maakt, in een gebied waar waterconservering dient plaats te vinden.

2.16.6. De gemeenteraad heeft de aanduiding toegekend, omdat de gronden in het streekplan zijn aangewezen voor nieuwvestiging van boomteeltbedrijven.

2.16.7. Verweerder heeft geen reden gezien de aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat de gronden deel uitmaken van een gebied dat op een detailplankaart met schaal 1:25.000 bij het streekplan is aangemerkt als “RNLE-landschapsdeel”. Hij acht de aanduiding aanvaardbaar, nu de begrenzing van deze RNLE nog niet is vastgesteld.

2.16.8. De Afdeling stelt vast dat – anders dan partijen veronderstellen – aan de aanduiding uitsluitend betekenis toekomt in het kader van de in artikel 19, eerste lid, in samenhang met artikel 20, tweede lid, onder f., van de voorschriften opgenomen vrijstellingsbevoegdheid en van de in artikel 19, tweede lid, in samenhang met artikel 20, achtste lid, onder c., van de voorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Nu verweerder aan deze beide bevoegdheden goedkeuring heeft onthouden, is de goedgekeurde aanduiding in het plan thans in ieder geval betekenisloos. Echter ingevolge artikel 10:29, eerste lid, van de Awb kan een besluit alleen dan gedeeltelijk worden goedgekeurd, indien gedeeltelijke inwerkingtreding strookt met de aard en de inhoud van het besluit. Door de aanduiding – gelet op de beroepsgrond van de BMF - wel goed te keuren, heeft verweerder dan ook gehandeld in strijd met artikel 10:29, eerste lid van de Awb. Het beroep van de BMF is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. Nu rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling voorts aanleiding om goedkeuring te onthouden aan de aanduiding “boomteeltontwikkeling”, voorzover het betreft de gronden ten noorden van de St. Anthoniusweg en de Kapelweg.

2.17. Proceskosten

2.17.1. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], appellant [appellant sub 9], appellante All-Tyre B.V., [appellante sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], de Werkgroep, [appellanten sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23] en de ZLTO dient verweerder op hierna te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft [appellant sub 2], de BMF en [appellanten sub 12] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart - voorzover gericht tegen het tweede besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 10 september 2002, kenmerk 814978 - de beroepen gegrond;

II. vernietigt dit tweede besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant;

III. verklaart - voorzover gericht tegen het eerste besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 10 september 2002, kenmerk 814978 - niet-ontvankelijk:

- het beroep van [appellant sub 1], voorzover het betreft de beroepsgrond omtrent de omvang van het agrarische bouwblok op het perceel [locatie sub 3];

- het beroep van de stichting “Stichting Brabantse Milieufederatie”, voorzover het betreft de beroepsgrond omtrent de omvang van de bestemmingen “Bedrijfsdoeleinden –B-“ in relatie tot de ligging van de niet-agrarische bedrijven in het buitengebied;

- het beroep van [appellant sub 16], voorzover het betreft de beroepsgrond omtrent de vorm van het agrarisch bouwblok op het perceel [locatie sub 22];

- het beroep van de stichting “Stichting Werkgroep Behoud en Herstel Bestse en Sonse Bos-, Heide- en Natuurgebieden”, voorzover het betreft de beroepsgronden omtrent het niet positief bestemmen van een hondenoefenterrein aan de Boslaan Zuid en van een paardenstal tussen de Schietbaanlaan en de Oude Sonsedijk en omtrent het ontbreken van een compensatieplicht bij het wijzigen van de bestemming “Bos” in de bestemming “Recreatieve doeleinden –R-”;

- het beroep van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid “Afdeling Best van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie”, voorzover het betreft de beroepsgrond gericht tegen artikel 22, vierde lid, onder 9., van de voorschriften;

IV. verklaart - voorzover gericht tegen het eerste besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 10 september 2002, kenmerk 814978 - gegrond:

- de beroepen van [appellant sub 1] (voorzover ontvankelijk), van [appellant sub 7], van de stichting “Stichting Brabantse Milieufederatie” (voorzover ontvankelijk), van de stichting “Stichting Werkgroep Behoud en Herstel Bestse en Sonse Bos-, Heide- en Natuurgebieden” (voorzover ontvankelijk), van [appellant sub 19] en van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid “Afdeling Best van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie” (voorzover ontvankelijk) gedeeltelijk;

- de beroepen van [appellant sub 3], van [appellant sub 4], van [appellanten sub 5], van [appellant sub 6], van [appellant sub 9], van [appellant sub 12], van [appellante sub 13], van [appellant sub 14], van [appellant sub 15], van [appellant sub 16] (voorzover ontvankelijk), van [appellanten sub 18], van [appellant sub 20], van [appellant sub 21], van [appellant sub 22] en van [appellant sub 23] geheel;

V. vernietigt dit eerste besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, voorzover het betreft de verlening van goedkeuring aan:

a. de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-” en de aanduiding “B26: atelier”, de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-“ en de aanduiding “B21: handel in gebruikte bouwmaterialen” op de plankaart, alsmede de aanduidingen “scoutingactiviteiten”, “openluchttheater” en “groepsaccomodatie” op de plankaart;

b. het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarde”, voorzover het betreft de gronden nabij het perceel [locatie sub 2];

c. de plandelen met de bestemmingen “Agrarisch gebied met natuurwaarde” en “Agrarisch gebied”, voorzover het betreft de gronden rond het natuurgebied Groene Woud;

d. de plandelen met de bestemmingen “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde” en “Woondoeleinden”, voorzover het betreft het perceel [locatie sub 4];

e. het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde”, voorzover het betreft het ongenummerde perceel aan de Oude Sonsedijk;

f. de aanduidingen “bebouwingscluster” en “bebouwingslint” op de plankaart, voorzover het betreft de gronden nabij de Aarleseweg, de Kapelweg en de Vleutstraat;

g. waardenkaart 2;

h. het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied”, voorzover het betreft de gronden rond de Sint Annakapel te Aarle;

i. het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden”, voorzover het betreft de gronden langs de Vleutstraat, de Oude Baan, de Klaverhoekseweg en de Sonseweg;

j. de aanduiding “boomteeltontwikkeling” op de plankaart, voorzover het betreft de gronden ten noorden van de St. Anthoniusweg en de Kapelweg;

k. het plandeel met de bestemming “Bosgebied”, voor zover het betreft de gronden in het natuurgebied Nieuwe Heide;

en voorzover het betreft de onthouding van goedkeuring aan:

l. artikel 7, vierde lid, van de voorschriften, voorzover het betreft het perceel [locatie sub 3];

m. de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-“ en de aanduiding “B24: slachterij” op de plankaart;

n. de plandelen met de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“, voorzover het betreft de ongenummerde percelen ter hoogte van [locatie sub 4] en tegenover [locatie sub 10], alsmede de percelen [locatie sub 11], [locatie sub 12] en [locatie sub 16], [locatie sub 10], [locatie sub 3], [locatie sub 13], [locatie sub 14] en [locatie sub 2], [locatie sub 17], [locatie sub 19], [locatie sub 21], [locatie sub 23], [locatie sub 24] en [locatie sub 25], en [locatie sub 30], [locatie sub 29] en [locatie sub 22];

o. de plandelen met de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“, voorzover het betreft de percelen [locatie sub 27] en [locatie sub 28], [locatie sub 15], [locatie sub 18] en [locatie sub 26];

VI. onthoudt goedkeuring aan:

- de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-” en de aanduiding “B26: atelier”, de bestemming “Bedrijfsdoeleinden –B-“ en de aanduiding “B21: handel in gebruikte bouwmaterialen” op de plankaart, alsmede de aanduidingen “scoutingactiviteiten”, “openluchttheater” en “groepsaccomodatie” op de plankaart;

- het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met natuurwaarde”, voorzover het betreft de gronden nabij het perceel [locatie sub 2];

- de plandelen met de bestemmingen “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde” en “Woondoeleinden”, voorzover het betreft het perceel [locatie sub 4];

- het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde”, voorzover het betreft het ongenummerde perceel aan de Oude Sonsedijk;

- de plandelen met de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden –AB-“, voorzover het betreft de percelen [locatie sub 27] en [locatie sub 28], [locatie sub 15], [locatie sub 18] en [locatie sub 26];

VII. verleent goedkeuring aan artikel 7, vierde lid, van de voorschriften, voorzover het betreft het perceel [locatie sub 3];

VIII. bepaalt dat deze onthouding en deze verlening van goedkeuring in de plaats treden van het onder V., aanhef en onder a., b., d., e., l. en o. vermelde onderdelen van het vernietigde besluit;

IX. verklaart - voorzover gericht tegen het eerste besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 10 september 2002, kenmerk 814978 – ongegrond:

- de beroepen van [appellant sub 2], van [appellant sub 8], van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “All-Tyre B.V.” geheel;

- de beroepen van [appellant sub 1] (voorzover ontvankelijk), van [appellant sub 7], van de stichting “Stichting Brabantse Milieufederatie” (voorzover ontvankelijk),van de stichting “Stichting Werkgroep Behoud en Herstel Bestse en Sonse Bos-, Heide- en Natuurgebieden” (voorzover ontvankelijk), van [appellant sub 19], en van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid “Afdeling Best van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie” (voorzover ontvankelijk) voor het overige;

X. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten ten aanzien van:

- [appellant sub 1] tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 3] tot een bedrag van € 805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 4] tot een bedrag van € 805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellanten sub 5] en een ander tot een bedrag van € 448,56, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 6] tot een bedrag van € 322,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 7] tot een bedrag van € 765,46, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 8] tot een bedrag van € 805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 9] tot een bedrag van € 322,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “All-Tyre B.V.” tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 13] tot een bedrag van € 931,56, waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 14] tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 15] tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 16] tot een bedrag van € 805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de stichting “Stichting Werkgroep Behoud en Herstel Bestse en Sonse Bos-, Heide- en Natuurgebieden” tot een bedrag van € 126,56;

- [appellanten sub 18] en anderen tot een bedrag van € 770,56, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 19] tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 20] tot een bedrag van € 805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 21] tot een bedrag van € 805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 22] tot een bedrag van € 805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 23] tot een bedrag van € 805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid “Afdeling Best van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie” tot een bedrag van € 126,56;

deze bedragen dienen door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan de genoemde (rechts-)personen;

XI. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellant sub 2], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “All-Tyre B.V.”, de stichting “Stichting Brabantse Milieufederatie”, [appellante sub 13], de stichting “Stichting Werkgroep Behoud en Herstel Bestse en Sonse Bos-, Heide- en Natuurgebieden” en de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid “Afdeling Best van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie” afzonderlijk het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 218,00) alsmede aan [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 12], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellanten sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellant sub 21], [appellant sub 22] en [appellant sub 23] afzonderlijk het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.T.T. van der Heijde, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Van der Heijde

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2004

291-349.