Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO1260

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-01-2004
Datum publicatie
07-01-2004
Zaaknummer
200305795/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2003, kenmerk BLMIL/WM 15320, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een oliehandel met kantoor- en magazijnfunctie op het adres [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummers [-], [-] en [-]. Dit besluit is op 25 juli 2003 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Wet milieubeheer 17.1
Wet milieubeheer 17.2
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/48
JBO 2005/51
JBO 2005/52
JBO 2005/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305795/1.

Datum uitspraak: 7 januari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2003, kenmerk BLMIL/WM 15320, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een oliehandel met kantoor- en magazijnfunctie op het adres [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummers [-], [-] en [-]. Dit besluit is op 25 juli 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 oktober 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.G.J. Klerken en ing. A.G. Aldolfsen, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De bedrijfsactiviteiten van de onderhavige inrichting bestaan onder meer uit de opslag van diesel, petroleum, koelvloeistoffen, smeermiddelen en antivries. Hiertoe staat op het terrein van de inrichting onder andere een tankput met vier bovengrondse opslagtanks.

2.2. Eerst bij nadere memorie heeft appellante betoogd dat een voorgenomen wijziging van de vergunningaanvraag niet bij de besluitvorming is betrokken. Het aanvoeren van deze grond in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellante deze niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Deze grond kan daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.3. Ingevolge artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Bij de toepassing van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellante kan zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift A.6. In dit voorschrift is, kort samengevat, bepaald dat binnen de inrichting een centraal registratiesysteem aanwezig moet zijn waarin informatie omtrent onderhoud, metingen, keuringen, controles en gegevens van relevante milieuonderzoeken wordt bijgehouden. Appellante heeft op zichzelf geen bezwaren tegen het bewaren en archiveren van de in het voorschrift opgenomen gegevens binnen de inrichting, maar zij acht onvoldoende duidelijk aan welke eisen het systeem moet voldoen.

Verweerder stelt dat met het voorschrift is beoogd te bewerkstelligen dat vergunninghoudster alle uit milieuoogpunt relevante gegevens die betrekking hebben op de inrichting op een centrale plaats en op een geordende manier bewaart, bijvoorbeeld in een logboek.

Naar het oordeel van de Afdeling blijkt de strekking van voorschrift A.6 voldoende duidelijk uit de tekst daarvan. Niet is beoogd om appellante het gebruik van een bepaald soort systeem voor te schrijven. De Afdeling deelt dan ook niet het standpunt van appellante dat het voorschrift zou leiden tot rechtsonzekerheid. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. Appellante heeft bezwaar tegen het aan de vergunning verbonden voorschrift A.8, voorzover daarin is voorgeschreven dat binnen de inrichting een door het bevoegd gezag aanvaard meldings- en alarmeringssysteem aanwezig moet zijn. Volgens appellante is onduidelijk welke eisen verweerder aan een dergelijk systeem stelt. Zij acht een dergelijk systeem bovendien niet nodig uit een oogpunt van bescherming van het milieu, nu binnen de inrichting geen licht ontvlambare of ontvlambare stoffen worden opgeslagen. Volgens appellante wordt reeds een toereikend beschermingsniveau geboden door de overige voorschriften die in het kader van brandpreventie en -bestrijding aan de vergunning zijn verbonden. Voorts is onduidelijk of het huidige meldings- en alarmeringssysteem binnen de inrichting toereikend is om aan genoemd voorschrift te voldoen, aldus appellante.

2.5.1. Ingevolge voorschrift A.8 moet een door het bevoegd gezag aanvaard meldings- en alarmeringssysteem aanwezig zijn, opdat alle belanghebbenden kunnen worden gewaarschuwd in geval van een ernstige lekkage of brand van aardolieproducten, van brand in de omgeving van de opslag of van andere ongevallen. Dit systeem moet op verschillende plaatsen op het terrein in werking kunnen worden gebracht en mag uitsluitend worden gebruikt voor bovengenoemd doel.

Blijkens het verhandelde ter zitting is binnen de inrichting een meldsysteem aanwezig, met behulp waarvan de brandweer en andere hulpdiensten gealarmeerd kunnen worden in geval van calamiteiten. Volgens verweerder is hiermee voldaan aan het voorschrift, voorzover het het meldingssysteem betreft. Ten aanzien van het alarmeringssysteem is ter zitting gebleken dat verweerder hiermee doelt op een akoestisch signaal dat in geval van calamiteiten als waarschuwing voor derden op verschillende plaatsen op het terrein van de inrichting kan worden geactiveerd door een van de werknemers. Appellante heeft ter zitting te kennen gegeven zich in deze interpretatie van het voorschrift te kunnen vinden. Gelet hierop bestaat er tussen partijen kennelijk geen onduidelijkheid meer over de wijze waarop het voorschrift moet worden uitgelegd. In hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorschrift nodig is ter bescherming van het milieu.

2.6. Appellante kan zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift E.4, voorzover daarin is voorgeschreven dat maatregelen in het kader van energiepreventie uitgevoerd moeten worden met een terugverdientijd korter dan vijf jaar. Daar het een bestaande inrichting betreft, is het volgens haar redelijk om uit te gaan van een terugverdientijd van drie jaar. Zij acht het voorschrift in zoverre dan ook onnodig bezwarend.

Ingevolge voorschrift E.3, voorzover hier van belang, dient een energiebesparingsonderzoek te worden uitgevoerd.

Ingevolge voorschrift E.4, voorzover hier van belang, bevat de rapportage van het onderzoek in ieder geval de maatregelen met een terugverdientijd tot en met vijf jaar alsmede een motivering indien een van deze maatregelen niet wordt doorgevoerd.

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder bij het vaststellen van de aan de vergunning verbonden energievoorschriften de circulaire “Energie in de milieuvergunning” van oktober 1999 (hierna: de circulaire) gehanteerd. Hierin wordt onder meer aanbevolen om bij de afweging van de redelijkheid van energiebesparende maatregelen uit te gaan van maatregelen met een terugverdientijd tot en met vijf jaar. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe inrichtingen.

De Afdeling ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid een terugverdientijd van vijf jaren heeft kunnen hanteren. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.7. Appellante acht het aan de vergunning verbonden voorschrift F.1 overbodig, omdat dit voorschrift volgens haar overeenkomt met de zorgplicht, opgenomen in artikel 13 van de Wet bodembescherming.

In het voorschrift is bepaald dat het verboden is vloeistoffen definitief in de bodem te brengen, met uitzondering van oppervlaktewater, grondwater, hemelwater of drinkwater, mits daaraan door het bedrijf geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie verontreinigende stoffen niet door een bewerking van het water is toegenomen en er geen warmte aan is toegevoegd.

Ingevolge artikel 13 van de Wet bodembescherming is ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.

De Afdeling stelt vast dat in voorschrift F.1 een specifieker regeling is opgenomen dan in artikel 13 van de Wet bodembescherming. De Afdeling ziet daarom onvoldoende reden voor het oordeel dat het voorschrift overbodig is.

2.8. Appellante kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften F.2 en F.3. Volgens haar zijn deze doelvoorschriften overbodig, daar ze door verschillende aan de vergunning verbonden middelvoorschriften, waaronder voorschrift F.23, nader zijn ingevuld.

2.8.1. Ingevolge voorschrift F.2, voorzover hier van belang, dienen eventuele geconstateerde gebreken of andere aantasting aan de riolering voor bedrijfsafvalwater, aan de vloeistofdichte vloeren of aan alle andere bodemvoorzieningen, waardoor de vloeistofdichtheid niet meer gewaarborgd is, onmiddellijk te worden hersteld.

Ingevolge voorschrift F.3 dienen gemorste schadelijke stoffen steeds direct op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te worden verwijderd.

Ingevolge voorschrift F.23, voorzover hier van belang, moeten gemorste vloeistoffen direct worden geabsorbeerd. Hiertoe dienen nabij een opslagplaats voor gevaarlijke stoffen voldoende absorptiemiddelen voor onmiddellijk gebruik aanwezig te zijn.

Verweerder stelt dat voorschrift F.2 betrekking heeft op situaties die een onmiddellijk optreden vereisen, terwijl bijvoorbeeld voorschrift F.17 ziet op de situatie dat een gebrek hersteld moet worden na een keuring. Voorschrift F.3 heeft betrekking op schadelijke stoffen, terwijl in voorschrift F.23 sprake is van gemorste vloeistoffen; voorschrift F.23 dient derhalve te worden beschouwd als een nadere invulling van voorschrift F.3, aldus verweerder. Mede gelet op deze motivering ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de voorschriften F.2 en F.3 overbodig zijn.

2.9. Appellante kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften F.4, F.5 en F.6, voorzover hierin is voorgeschreven dat een nulsituatieonderzoek moet worden uitgevoerd. Volgens haar is de bodemkwaliteit van de onderhavige inrichting reeds verschillende malen vastgelegd, zodat een dergelijk onderzoek overbodig is. Voorts stelt zij dat het voorschrift onnodig bezwarend is, daar de binnen de inrichting aanwezige vloeistofdichte voorziening ter plaatse van de tankplaats en in de opvangbak van de tanks beschadigd zou raken indien zij het bodemonderzoek op de voorgeschreven wijze zou moeten uitvoeren. Volgens haar kan voor het onderzoek naar de bodemgesteldheid onder de vloeistofdichte voorziening worden volstaan met het overleggen van de resultaten van het bodemluchtmonitoringsysteem, dat op voornoemde plaatsen binnen de inrichting wordt toegepast. Voor dit gedeelte van de inrichting is het in ieder geval niet nodig om een nulsituatieonderzoek uit te voeren, aldus appellante.

2.9.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de in het verleden uitgevoerde bodemonderzoeken en het door Geofox opgestelde archiefonderzoek, dat door appellante bij de aanvraag is gevoegd, niet toereikend zijn om de aard en omvang van eventuele bodemverontreinigingen te beoordelen. De door appellante overgelegde resultaten van het bodemluchtmonitoringssysteem zijn volgens verweerder evenmin toereikend, nu metingen in het kader van dit systeem worden uitgevoerd in de bovenste laag van de grond, in plaats van tot een diepte van circa 4 tot 5 meter, hetgeen volgens verweerder noodzakelijk is. Verweerder acht het dan ook noodzakelijk dat een nulsituatieonderzoek wordt overgelegd.

2.9.2. In de vergunningvoorschriften F.4, F.5 en F.6 is bepaald dat uiterlijk vier maanden na het van kracht worden van de vergunning een onderzoek dient plaats te vinden naar de situatie van de bodem en het grondwater ter plaatse van de inrichting. Dit onderzoek moet voldoen aan hetgeen wordt geëist door het 'protocol nulsituatie/BSB-onderzoek' (Sdu uitgeverij, oktober 1993). De monstername- en de analysestrategie richt zich op de delen van de inrichting waarvan het redelijkerwijs niet is uitgesloten dat zich daar na het van kracht worden van de vergunning verontreiniging van de grond en/of het grondwater kan voordoen. De monstername- en analysestrategie moet vooraf de goedkeuring hebben van het bevoegd gezag. Uiterlijk 6 maanden na het van kracht worden van de vergunning moeten de resultaten van de bemonstering en analyse ten behoeve van de bepaling van de nulsituatie aan het bevoegd gezag worden overgelegd.

2.9.3. De Afdeling stelt vast dat appellante in 1989 en 1992 verkennende bodemonderzoeken heeft laten uitvoeren en dat er in 2000 een bodemsanering heeft plaatsgevonden. In het kader van deze sanering is in 2000 een evaluatierapport opgesteld. Ter zitting is gebleken dat deze onderzoeken deels zijn uitgevoerd op andere plaatsen op het terrein van de inrichting dan waar thans bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Voorts worden binnen de inrichting andersoortige activiteiten uitgevoerd dan ten tijde van voornoemde onderzoeken het geval was. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorschrijven van een nulsituatieonderzoek nodig is ter bescherming van het milieu. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat appellante in haar voorstel voor een monstername/analysestrategie kan volstaan met een aan het 'protocol nulsituatie/BSB-onderzoek' gelijkwaardige onderzoekswijze, indien dit in verband met mogelijke beschadiging van de aanwezige vloeistofdichte voorzieningen minder bezwarend is voor appellante. Gelet hierop ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het voor vergunninghoudster onnodig bezwarend zou zijn om het voorgeschreven onderzoek uit te voeren.

2.10. Appellante kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften F.9 tot en met F.21 en de aan de vergunning verbonden voorschriften, opgenomen in de hoofdstukken I en L, in welke voorschriften onder meer is bepaald dat de inrichting op een aantal plaatsen moet zijn voorzien van vloeistofdichte vloeren. Hoewel appellante onderschrijft dat gestreefd moet worden naar een verwaarloosbaar risico van bodemverontreiniging, is zij van mening dat verweerder ten onrechte niet heeft volstaan met het verbinden van een doelvoorschrift aan de vergunning, waarin is voorgeschreven dat een beschermingsniveau A, zoals bedoeld in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming, moet worden gerealiseerd.

2.10.1. Verweerder heeft voornoemde voorschriften aan de vergunning verbonden teneinde bodemverontreiniging te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder bij het voorschrijven van bodembeschermende voorzieningen aansluiting gezocht bij de uitgangspunten van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, juli 2001 (hierna: de NRB). Uit de stukken blijkt dat de inrichting is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Verweerder stelt dat op grond van de NRB in een grondwaterbeschermingsgebied gestreefd moet worden naar een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Gelet op de aard van de bedrijfsactiviteiten en de ligging van de inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied, heeft verweerder het noodzakelijk geacht om middelvoorschriften aan de vergunning te verbinden. Het binnen de inrichting aanwezige bodemluchtmonitoringssysteem leidt er volgens verweerder niet toe dat sprake is van een verwaarloosbaar risico, omdat het systeem weliswaar verontreinigingen in een vroeg stadium constateert, maar niet tegengaat. Voorts heeft verweerder van belang geacht dat het college van gedeputeerde staten van Limburg in zijn advies met betrekking tot de onderhavige vergunning dringend heeft verzocht voorschriften op te nemen met betrekking tot vloeistofdichte constructies zoals vloeistofdichte vloeren en leidingen.

2.10.2. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift F.9, voorzover hier van belang, dienen de aanwezige vloeren, verhardingen of bedrijfsrioleringen ter plaatse van de laad- en losplaats, de tankput, de afvulruimte voor smeerolie, de opslag van volle vaten smeermiddelen, de opslagplaats voor lege emballage oliehandel (voorzover dit ongereinigde emballage betreft) en de verkoopruimte van smeermiddelen vloeistofdicht te zijn.

Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift F.14, voorzover hier van belang, dient de vloeistofdichtheid van een vloeistofdichte vloer, verharding of bedrijfsriolering te worden beoordeeld overeenkomstig het gestelde in de CUR/PBV-aanbeveling 44. Van reeds in de inrichting aanwezige vloeren of opvangvoorzieningen ten aanzien waarvan in deze vergunning eisen zijn gesteld met betrekking tot de vloeistofdichtheid, wordt de vloeistofdichtheid beoordeeld binnen 2 jaar na het van kracht worden van deze vergunning door een erkende deskundige inspecteur zoals bedoeld in de CUR/PBV-aanbeveling 44.

Gelet op hetgeen verweerder ter motivering heeft aangevoerd, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet kan worden volstaan met een voorschrift in de door appellante bedoelde zin. Ook overigens is de Afdeling niet gebleken dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voornoemde voorschriften, voorzover daarin bepaalde bodembeschermende voorzieningen zijn voorgeschreven, noodzakelijk zijn ter bescherming van het milieu.

2.11. Appellante kan zich niet vinden in de aan de vergunning verbonden voorschriften F.22 en F.24. Volgens haar zijn deze voorschriften niet duidelijk en niet nodig ter bescherming van het milieu. Ten aanzien van voorschrift F.22 acht appellante het onduidelijk met welk soort materiaal lekkages gestopt moeten worden. Voorts blijkt volgens haar niet wat moet worden verstaan onder de in het voorschrift genoemde redelijke termijn. Het leegpompen en/of afsluiten van de riolering wordt door appellante niet nodig geacht, daar de riolering van het terrein is aangesloten op een olie-benzine afscheider met slibvangput. Voorschrift F.24 is volgens haar overbodig, daar dit naar haar mening gedeeltelijk overeenkomt met het bepaalde in de artikelen 17.1 en 17.2 van de Wet milieubeheer. Voorts meent zij dat een bedrijfsnoodplan niet noodzakelijk is, indien de in de vergunning voorgeschreven maatregelen zijn genomen.

2.11.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de in voorschrift F.22 genoemde redelijke termijn afhankelijk is van de ernst van de situatie. In zoverre heeft verweerder het niet nodig geacht een bepaalde termijn voor te schrijven. De keuze voor het materiaal om lekkages te stoppen is bewust aan vergunninghoudster gelaten, aldus verweerder. Verder merkt hij op dat het nodig kan zijn de riolering leeg te pompen indien blijkt dat deze inclusief de afscheider geheel gevuld is met olie.

2.11.2. Ingevolge voorschrift F.22, voorzover hier van belang, moeten lekkages direct worden verholpen en moet de verspreiding van lekkende (vloei)stof worden beperkt. Daartoe moeten bij de laad- en losplaats onder meer de volgende voorzieningen worden aangebracht: materiaal om lekkages te stoppen, de mogelijkheid om binnen redelijke termijn volgelopen opvangbakken/rioleringen leeg te pompen en voorzieningen om rioleringen af te sluiten.

Ingevolge voorschrift F.24, voorzover hier van belang, moet binnen vier maanden na het van kracht worden van dit voorschrift een bedrijfsnoodplan worden opgesteld. In dit plan moet worden beschreven hoe moet worden gehandeld wanneer ten gevolge van incidenten bodembelasting moet worden voorkomen of in omvang beperkt.

De Afdeling deelt de stelling van appellante dat voorschrift F.24 overbodig zou zijn niet. Voorschrift F.24 heeft betrekking op situaties waarin zich een hypothetisch ongewoon voorval zou voordoen, terwijl de artikelen 17.1 en 17.2 van de Wet milieubeheer betrekking hebben op de situatie dat zich daadwerkelijk een calamiteit voordoet of heeft voorgedaan. De Afdeling ziet, mede gelet op de motivering van verweerder, in hetgeen appellante heeft opgemerkt geen aanleiding voor het oordeel dat de voorschriften F.22 en F.24 onvoldoende duidelijk zijn of dat deze voorschriften niet nodig zijn ter bescherming van het milieu.

2.12. Appellante kan zich tot slot niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften H.1, H.2 en H.3. In deze voorschriften zijn eisen gesteld aan de binnen de inrichting aanwezige stookinstallatie. Volgens appellante is onduidelijk of voornoemde voorschriften kunnen worden nageleefd en heeft verweerder ten onrechte nagelaten te onderzoeken of de bestaande stookinstallatie voldoet aan voornoemde voorschriften.

Appellante heeft haar stelling dat voornoemde voorschriften mogelijk niet nageleefd kunnen worden niet nader gestaafd. De Afdeling acht niet aannemelijk geworden dat de voorschriften H.1, H.2 en H.3 door appellante niet nageleefd zouden kunnen worden. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

2.13. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2004

179-407.