Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO1324

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2003
Datum publicatie
06-01-2004
Zaaknummer
200307794/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2003 heeft verweerder de door verzoeker krachtens artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer gedane melding niet geaccepteerd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 22 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 40 met annotatie van R.A.J. van Gestel
JOM 2006/1013
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200307794/1.

Datum uitspraak: 23 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Texel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2003 heeft verweerder de door verzoeker krachtens artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer gedane melding niet geaccepteerd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 22 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 december 2003. Verzoeker en verweerder, vertegenwoordigd door C.H. Witte, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Volgens verzoeker is de melding ten onrechte niet geaccepteerd. In dat verband heeft hij aangevoerd dat door de voorgenomen veranderingen het geluid op de in de vergunning opgenomen immissiepunten zelfs afneemt, zodat de melding geen strijd oplevert met de geluidvoorschriften die gelden ingevolge de vergunning.

2.2. Blijkens het besluit heeft verweerder de melding niet geaccepteerd omdat – kort weergegeven – volgens hem uit het akoestische rapport bij de melding blijkt dat de voorgenomen veranderingen leiden tot overschrijdingen van de streefwaarden op andere punten dan de in de vergunning opgenomen immissiepunten.

2.3. Zoals wordt gesteld in het akoestische rapport en door verweerder niet is bestreden, kan met de voorgenomen verandering worden voldaan aan de geluidgrenswaarden uit de vergunning, die gelden ter plaatse van 6 nader aangeduide emissiepunten. Met het oog op de voorgenomen verandering zijn in het akoestische rapport 11 andere emissiepunten gekozen. De Voorzitter leidt uit het akoestisch rapport af dat de geluidgrenswaarden die gelden op de 6 emissiepunten uit de vergunning vrijwel alle hoger zijn dan de waarden die zijn berekend voor die 11 andere emissiepunten. Wat de geluidbelasting op die 11 punten is ten gevolge van de reeds vergunde activiteiten, was en is niet bekend. In het licht daarvan betwijfelt de Voorzitter of de motivering van het besluit, inhoudende dat de streefwaarden worden overschreden op (een of meer van) die 11 punten, toereikend is. Dat neemt echter niet weg dat, aangezien de voorgenomen activiteiten met name tot verplaatsing van de geluidbronnen leiden, het aannemelijk is dat een toename van geluid zal optreden op een aantal geluidgevoelige objecten waarover in de vergunning niets is geregeld en waarvan de aanvaardbaarheid slecht is te beoordelen in een vergunningprocedure. Daarom betwijfelt de Voorzitter of in dit geval wel kan worden volstaan met een melding.

2.4. Te meer nu het in de rede ligt dat ruimschoots vóór het begin van de voor verzoeker voor zijn bedrijf van belang zijnde periode zal worden beslist op zijn bezwaar, ziet de Voorzitter in het hiervoor overwogene geen aanleiding om, in afwachting van die beslissing, een voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Het verzoek dient te worden afgewezen.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2003

157.