Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO1316

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2003
Datum publicatie
06-01-2004
Zaaknummer
200307673/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2003, kenmerk 944383/SdG, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 5.000 per week dat sprake is van overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 100.000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200307673/1.

Datum uitspraak: 23 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2003, kenmerk 944383/SdG, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 5.000 per week dat sprake is van overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 100.000.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 18 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 december 2003, waar verzoekster, vertegenwoordig door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.C.M. van Roessel, advocaat te Rosmalen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S. de Groot en A.W. Adriaansen, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 14 december 1995 heeft verweerder aan verzoekster voor een periode van 10 jaar een vergunning onder voorschriften verleend voor het oprichten/voortzetten van een inrichting bestemd voor het innemen, tijdelijk opslaan en bewerken van beton-, metsel- en asfaltpuin in de vorm van breken met een capaciteit van 40.000 ton per jaar en het opslaan van granulaten en bijproducten uit het breekproces. De inrichting is gelegen aan de [locatie] te [plaats].

2.2. De bij het bestreden besluit opgelegde last onder dwangsom heeft betrekking op het zonder vergunning uitbreiden dan wel wijzigen van de inrichting, hetgeen in strijd is met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. De uitbreiding dan wel wijzigingen van de inrichting bestaan volgens verweerder uit een opsplitsing en gedeeltelijke verkoop van het bedrijventerrein, een wijziging van de indeling van het terrein met betrekking tot de opslag van diverse materialen, een uitbreiding met een terrein met onder meer een werkplaats, parkeerplaats, kantoor en een tankstation, de plaatsing van een silo en een overkapping en het permanent opstellen van twee mobiele zeefinstallaties.

Verzoekster heeft - kort samengevat - aangevoerd dat voor de meeste wijzigingen geen vergunning is vereist, en dat, voorzover wel een vergunning is vereist, deze kan worden verleend. Zij wijst daarbij op de conceptaanvraag om een revisievergunning die in januari 2003 is ingediend. Volgens verzoekster had verweerder geen last onder dwangsom mogen opleggen dan wel moeten volstaan met een aanmerkelijk beperktere dwangsom.

2.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat een deel van het terrein van de inrichting reeds gedurende enige tijd wordt gebruikt door [partij A] en dat een ander deel van het terrein wordt gebruikt door [partij B] Vanwege bovenstaande afsplitsingen van de vergunde inrichting zijn drie afzonderlijke inrichtingen ontstaan zonder relevante onderling technische, organisatorische of functionele bindingen. In zoverre is sprake van een situatie die afwijkt van de verleende vergunning.

Verder is voldoende aannemelijk geworden dat de opslag van diverse materialen op het terrein van de inrichting ten opzichte van de vergunde situatie is gewijzigd. Het gaat daarbij om de opslag van kolen en klinkers in afwijking van de vergunning. Anders dan verzoekster stelt is de aanschrijving op dit punt voldoende duidelijk.

Voorts is onbestreden dat in de inrichting een silo en een overkapping zijn geplaatst, dat twee mobiele zeefinstallaties permanent zijn opgesteld voor het bewerken van kolen en dat de inrichting is uitgebreid met het voormalige terrein van '[naam]', waarop zich onder andere een werkplaats, een parkeerplaats, een kantoor en een tankstation bevinden.

Naar het oordeel van de Voorzitter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor deze wijzigingen een vergunning is vereist. De door verzoekster gestelde omstandigheid dat een aantal wijzigingen, op zichzelf beschouwd, zonder vergunning zou kunnen worden gerealiseerd, nog daargelaten de vraag of dat juist is, maakt dit niet anders. Gelet op de thans ontstane situatie is een revisievergunning vereist waarin alle veranderingen ten opzichte van de vergunde situatie moeten worden opgenomen. In het kader van die vergunningprocedure moeten deze veranderingen milieuhygiënisch worden beoordeeld.

Aangezien een dergelijke vergunning ontbreekt heeft verweerder zich terecht bevoegd geacht een last onder dwangsom op te leggen.

2.4. Ten tijde van het bestreden besluit was geen ontvankelijke aanvraag om vergunning ingediend waarin bovenstaande veranderingen waren opgenomen. Toentertijd bestond dan ook geen concreet zicht op legalisatie. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen. De Voorzitter merkt evenwel op dat het verbeuren van een dwangsom niet kan worden voorkomen, wat betreft de exploitatie van een deel van het terrein door [partij A] en de verkoop van een deel van het terrein aan [partij B]. Verder zijn in zoverre geen milieuhygiënische belangen in geding. De Voorzitter ziet dan ook aanleiding het besluit wat deze punten betreft te schorsen.

2.5. Verder is niet aannemelijk geworden dat het voor verzoekster niet mogelijk was om binnen de gestelde termijn van 8 weken de last voor het overige uit te voeren. Verweerder heeft deze termijn in redelijkheid kunnen hanteren.

2.6. Met betrekking tot de hoogte van de dwangsom en het bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, merkt de Voorzitter op dat verweerder ter zitting heeft verklaard hangende bezwaar niet tot inning van verbeurde dwangsommen over te gaan. Reeds hierom ziet de Voorzitter geen aanleiding het besluit, wat deze punten betreft, te schorsen. De Voorzitter gaat er van uit dat verweerder bij de beslissing op bezwaar deze aspecten zal heroverwegen, waarbij hetgeen onder 2.4 is overwogen, wordt betrokken.

2.7. Gelet op het vorenstaande komt het verzoek voor een deel voor inwilliging in aanmerking.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 7 oktober 2003, 944383/SdG, voorzover het betrekking heeft op de exploitatie van een deel van de inrichting door [partij A] en op de wijziging van de inrichting als gevolg van de verkoop van een deel van het terrein aan [partij B] tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 687,37, waarvan een gedeelte € 644,00 groot is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan verzoekster;

IV. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2003

190-415.