Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO1314

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
06-01-2004
Zaaknummer
200308090/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2003, kenmerk AZ/HG/DA-dekom, heeft verweerder aan verzoekster lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bezien in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen en artikel 1 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen ten aanzien van tien in het besluit nader genoemde percelen.

Aan het besluit is een begunstigingstermijn verbonden van zes weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200308090/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Ontwikkelingsmaatschappij Hoogmade B.V.", gevestigd te Leiderdorp,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2003, kenmerk AZ/HG/DA-dekom, heeft verweerder aan verzoekster lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bezien in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen en artikel 1 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen ten aanzien van tien in het besluit nader genoemde percelen.

Aan het besluit is een begunstigingstermijn verbonden van zes weken.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 28 november 2003, ingekomen bij de rechtbank te ‘s-Gravenhage op 1 december 2003, heeft verzoekster verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit geschrift is bij brief van 2 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, bezien in samenhang met artikel 8:81, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, doorgezonden aan de Voorzitter.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 december 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. F.E. Boonstra, advocaat te Leiden, en door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door H. Geurts en E. Bartels, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Verzoekster heeft de bodemsanering van nieuwbouwplan “De Kom” te Hoogmade uitgevoerd. Een deel van de ontgraven grond uit “De Kom” is afgevoerd naar dan wel terecht gekomen op de tien percelen waarop de last onder dwangsom betrekking heeft.

2.2. De overtreding bestaat volgens verweerder uit het zich ontdoen van een afvalstof door deze buiten een inrichting op of in de bodem te brengen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de desbetreffende partij grond dient te worden aangemerkt als afvalstof en niet als bouwstof in de zin van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming (hierna: het Bouwstoffenbesluit). Daartoe wijst verweerder er op dat de grond is vermengd met bodemvreemde materialen als asbest, puin, asfalt, plastic, PVC-buizen, hout en glas. Volgens verweerder kan daarom ook geen vrijstelling worden verleend op grond van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.

Verzoekster betoogt daarentegen dat de partij grond niet kan worden aangemerkt als afvalstof. De partij bestaat volgens haar deels uit categorie 1-bouwstof als bedoeld in het Bouwstoffenbesluit en voor het overige uit schone grond. Zij verwijst daartoe naar de resultaten van een onderzoek dat is verricht ter plaatse van een aantal van de gronddepots door Advies- en Ingenieursbureau [naam]. Verzoekster stelt voorts dat geen sprake is van het zich ontdoen van afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer nu de perceelseigenaren de grond tijdelijk hebben opgeslagen en in depot houden in afwachting van verwerking daarvan. Verzoekster stelt geen invloed te hebben op het beheer en de verwerking van de gronddepots. Zij betoogt verder dat de tien locaties niet zonder meer kunnen worden samengevoegd tot drie sublocaties, omdat de percelen niet aan elkaar grenzen, er verschillende eigenaren zijn en verzoekster zelf niet beheerder is van de gronddepots.

2.2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bouwstoffenbesluit wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder bouwstof verstaan: materiaal in de hoedanigheid waarin het is bestemd in een werk te worden gebruikt en waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10% (m/m) van dat materiaal bedragen. Onder h wordt schone grond gedefinieerd als zijnde grond die geen van de samenstellingswaarden voor anorganische en organische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 1, overschrijdt. Onder j wordt categorie 1-bouwstof gedefinieerd als bouwstof die:

1o. geen van de samenstellingswaarden voor organische stoffen en, in geval het grond betreft, tevens geen van de samenstellingswaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 2, overschrijdt, en

2o. op zodanige wijze wordt gebruikt dat, ook indien geen isolatiemaatregelen worden genomen, geen van de immissiewaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 2, wordt overschreden.

2.2.2. In de bijlagen 1 en 2 van het Bouwstoffenbesluit worden respectievelijk de samenstellingswaarden voor schone grond genoemd en de samenstellings- en immissiewaarden voor bouwstoffen, niet zijnde schone grond. De Voorzitter overweegt dat in deze bijlagen, noch in voornoemde definities van bouwstof, schone grond en categorie 1-bouwstof een voorbehoud wordt gemaakt voor vermenging met bodemvreemde materialen als waarvan in het onderhavige geval sprake is. Evenmin wordt aan dergelijke bodemvreemde materialen een concentratiegrens gesteld. Ook de voorschriften in de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 2 van het Bouwstoffenbesluit, die betrekking hebben op respectievelijk het gebruiken van schone grond op of in de bodem en het gebruiken van andere bouwstoffen dan schone grond op of in de bodem, kennen niet een dergelijk voorbehoud. Voor de vraag of de desbetreffende partij grond kan worden aangemerkt als (categorie 1-)bouwstof dan wel als schone grond zijn bepalend de samenstellings- of immissiewaarden zoals deze zijn neergelegd in bijlagen 1 en 2 van het Bouwstoffenbesluit. Op grond van het bestreden besluit, noch ter zitting is komen vast te staan dat in het onderhavige geval deze waarden worden overschreden. Anderzijds kan naar het oordeel van de Voorzitter van grond welke is vermengd met een te grote hoeveelheid bodemvreemde materialen niet zonder meer worden gesteld dat het gaat om materiaal in een hoedanigheid waarin het is bestemd in een werk te worden gebruikt als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van het Bouwstoffenbesluit.

De Voorzitter is van oordeel dat de onderhavige procedure zich niet leent voor het bepalen of de partij grond waarop de lasten onder dwangsom betrekking hebben als bouwstof dan wel als afvalstof niet zijnde een bouwstof kan worden aangemerkt. Op grond van het vorenstaande is onvoldoende vast komen te staan of sprake is van overtreding van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

2.2.3. Voorts overweegt de Voorzitter dat de last onder dwangsom betrekking heeft op tien locaties waarnaar grond uit “De Kom” is afgevoerd dan wel is terecht gekomen. Verweerder heeft bij het bestreden besluit verzoekster gelast de grond van de locaties te verwijderen en af te voeren naar een verwerkingsinrichting.

Ter zitting heeft verzoekster haar verantwoordelijkheid voor een aantal van deze locaties erkend, doch voor andere locaties ontkend. Voorts staat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat op enkele locaties de desbetreffende grond reeds is verwerkt op een zodanige wijze dat afvoer daarvan praktisch niet meer mogelijk is. Ter zitting heeft verweerder dit laatste niet weersproken.

De Voorzitter overweegt verder dat voor het rechtmatig kunnen besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom vast dient te staan dat verzoekster ten aanzien van alle locaties kan worden aangemerkt als overtreder en dat zij het derhalve ten aanzien van alle locaties in haar macht heeft om de overtreding te beëindigen. Ter zitting is een en ander onvoldoende vast komen te staan. Ook in zoverre leent de onderhavige procedure zich naar het oordeel van de Voorzitter niet voor een definitieve beoordeling van dit aspect van het geschil.

2.3. De Voorzitter ziet in het vorenoverwogene, daarbij in aanmerking nemende de bij het bestreden besluit betrokken belangen, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude van 7 november 2003, kenmerk AZ/HG/DA-dekom, tot zes weken na de beslissing op het bezwaarschrift;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Jacobswoude te worden betaald aan verzoekster;

III. gelast dat de gemeente Jacobswoude aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

179-335.