Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO1285

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
06-01-2004
Zaaknummer
200307001/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2003, kenmerk Wm 039/03, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] te [plaats] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een proefbedrijf voor de veehouderij op het perceel [locatie sub 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Maasdriel, sectie […], nummer […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200307001/2.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2003, kenmerk Wm 039/03, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] te [plaats] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een proefbedrijf voor de veehouderij op het perceel [locatie sub 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Maasdriel, sectie […], nummer […].

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 20 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van dezelfde datum, bij de Raad van State eveneens ingekomen op 22 oktober 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 december 2003, waar verzoeker in persoon, en bijgestaan door mr. Th. A. G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Groenenboom-Steffens, ing. J.A.M. Coppens en R.C.H.M. Kroon, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster daar gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigde], [gemachtigde], [gemachtigde] en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoeker vreest geluidhinder van de inrichting. Hij heeft betoogd dat in het akoestisch rapport dat deel uitmaakt van de aanvraag en ook in het bestreden besluit ten onrechte een verregaande tweedeling is aangebracht tussen de representatieve bedrijfssituatie en de afwijkende bedrijfssituatie.

2.3. Verweerder staat op het standpunt dat geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder mede gelet op het akoestisch onderzoek van 26 juni 2003 ([naam] Raadgevende Ingenieurs, JBR/2003.1058/AWE, hierna: het akoestisch onderzoek) dat bij de aanvraag is gevoegd.

2.4. In voorschrift 2.1 is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) voor de representatieve bedrijfssituatie, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van de onderstaande immissiepunten, zoals vermeld in het bij de beschikking behorend akoestisch meetrapport (Rapport 2003.1058-1, figuur 4), niet meer mag bedragen dan hetgeen is weergegeven in onderstaand schema:

Immissiepunten Dag Avond Nacht

(07.00-19.00) (19.00-23.00) (23.00-07.00)

001 [locatie sub 2] 47 38 38

002 [locatie sub 3] 48 38 38

003 [locatie sub 4] 35 34 34

004 [locatie sub 5] 45 38 38

In voorschrift 2.2 is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor de afwijkende bedrijfssituatie bepaald. Kort gezegd mag dit op punt 001 niet meer bedragen dan 48, 38, 40 dB(A), op punt 002 niet meer dan 49, 38, 39 dB(A), op punt 003 niet meer dan 37, 34 en 34 dB(A) en op punt 004 niet meer dan 49,38, 39 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.5. Uit de overwegingen ten aanzien van de bedenkingen in het bestreden besluit, leidt de Voorzitter af dat verweerder bij het stellen van de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gedurende de afwijkende bedrijfsituatie aansluiting heeft gezocht bij paragraaf 5.3 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking).

Volgens paragraaf 5.3 van de Handreiking kan voor regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie, waarbij in principe wordt uitgegaan van een frequentie van maximaal circa een dag-, avond- of nachtperiode per week, na een bestuurlijk afwegingsproces een hogere grenswaarde worden gesteld.

Volgens de Handreiking zal daarbij het feit of er in die situaties sprake is van hinder en zo ja, in welke mate en in welke frequentie, een belangrijke rol spelen. Ook hier geldt dus, volgens de Handreiking, dat steeds een belangenafweging zal moeten plaatsvinden bij de vraag of de vergunning op deze wijze kan worden verleend, afhankelijk van het tijdstip en de duur van de activiteit, de frequentie van voorkomen, de hoogte van het geluidniveau (absoluut en relatief), de noodzaak dan wel onvermijdelijkheid van de desbetreffende activiteit, de redelijkerwijs te treffen maatregelen en het al dan niet vóórkomen van incidentele bedrijfssituaties. Verder is het gewenst dat de desbetreffende activiteiten zo nauwkeurig mogelijk in de aanvraag worden vermeld, en in de vergunningvoorschriften worden vastgelegd.

2.6. Blijkens het verhandelde ter zitting staat verweerder op het standpunt dat de geluidgrenswaarden die in het bestreden besluit zijn neergelegd voldoende bescherming tegen geluidhinder bieden aangezien dit lagere geluidgrenswaarden zijn dan die welke zijn opgenomen in de onderliggende vergunning. Voorts heeft hij gesteld dat ook in de afwijkende bedrijfssituatie geen onaanvaardbare geluidhinder optreedt nu de geluidgrenswaarden slechts 1 dB verschillen van de representatieve bedrijfssituatie.

De Voorzitter overweegt dat bij bestaande inrichtingen niet zomaar van bestaande rechten kan worden uitgegaan. Bij herziening van vergunningen dienen de richtwaarden van de Handreiking opnieuw te worden getoetst. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen. Een dergelijke bestuurlijke afweging dient gelet op het bepaalde in paragraaf 5.3 van de Handreiking eveneens gemaakt te worden indien geluidgrenswaarden in de vergunning worden opgenomen voor afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie.

Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat verweerder dergelijke afwegingen ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit om hogere waarden te vergunnen dan de richtwaarden uit de Handreiking en evenmin aan de hogere waarden voor afwijkende bedrijfssituaties. Dit klemt naar het oordeel van de Voorzitter te meer nu uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er ongeveer dertig situaties denkbaar zijn die afwijken van de representatieve bedrijfssituatie. Deze situaties komen soms één keer per jaar doch meestal meerdere keren per jaar voor. De Voorzitter is er niet van overtuigd dat de genoemde geluidvoorschriften 2.1 en 2.2 voldoende garanties bieden dat voor onaanvaardbare geluidhinder niet behoeft te worden gevreesd, nu hierin niet is vastgelegd hoe vaak per week of hoelang per dag deze afwijkende bedrijfsituaties mogen voorkomen en niet duidelijk uit de voorschriften of het bestreden besluit blijkt dat de frequentie waarmee deze situaties voorkomen beperkt blijft tot maximaal circa één dag-, avond- of nachtperiode per week .

2.7. De Voorzitter ziet gelet op het voorgaande aanleiding, na afweging van de betrokken belangen, de na te melden voorlopige voorziening te treffen. De overige gronden behoeven geen bespreking.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 28 augustus 2003, kenmerk Wm 039/03;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 686,87, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Maasdriel te worden betaald aan verzoeker;

III. gelast dat de gemeente Maasdriel aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.I. van Koten, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Koten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

324.