Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO1279

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
06-01-2004
Zaaknummer
200305846/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht heeft bij besluit van 6 mei 2003 het uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan II (winkelcentrum)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305846/2.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht heeft bij besluit van 6 mei 2003 het uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan II (winkelcentrum)" vastgesteld.

Bij besluit van 23 juni 2003, kenmerk DRM/ARB/03/7581A, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 1 augustus 2003, bij het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland ingekomen op 5 augustus 2003, en na doorzenden bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 september 2003.

Bij eerstgenoemde brief hebben verzoekers verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 december 2003, waar verzoekers, in de persoon van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. L. Berkemeijer, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. H. Gerritsen, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het uitwerkingsplan strekt tot uitwerking van de bestemming "Centrumgebied (uit te werken ex. artikel 11 WRO)" uit het bestemmingsplan “Carnisselande-Zuid”.

2.3. Verzoekers vragen om schorsing van het uitwerkingsplan voorzover het voorziet in de bouw van een zogenoemd poortgebouw van 30 meter hoog als toegang tot het achterliggende winkelcentrum. Hiertoe voeren zij aan dat zij door de korte afstand van 18 meter tussen het poortgebouw en hun appartementencomplex minder zonlicht in hun woning zullen krijgen.

2.4. Verweerder heeft in de verslechtering van de daglichttoetreding geen aanleiding gezien goedkeuring aan het uitwerkingsplan te onthouden.

2.5. Vaststaat dat met de bouw van het poortgebouw al is aangevangen en dat die verkeert in een fase van afwerking.

Verzoekers trachten met het verzoek te bewerkstelligen dat niet verder wordt gebouwd. In dit verband overweegt de Voorzitter dat voor het poortgebouw op 13 november 2001 een bouwvergunning is verleend. Hiertegen zijn geen bezwaren ingediend, waardoor de bouwvergunning na afloop van de termijn voor het indienen van bezwaar onherroepelijk is geworden. Gelet hierop is hetgeen verzoekers met het verzoek willen bewerkstelligen niet mogelijk. Het schorsen van het uitwerkingsplan heeft namelijk niet tot gevolg dat van de onherroepelijke bouwvergunning geen gebruik mag worden gemaakt.

Met het verzoek is, gelet op het vorenstaande, geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van de een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

Overigens merkt de Voorzitter op dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting, waaronder de bezonningsdiagrammen, is gebleken dat de bezonningssituatie aan de voorzijde van het flatgebouw van verzoekers in de namiddag in enige mate verslechtert ten gevolge van de bouw van het poortgebouw. De Voorzitter is er vooralsnog niet van overtuigd dat de bezonningssituatie voor verzoekers zodanig verslechtert dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen een groter gewicht had moeten toekennen aan het belang van verzoekers dan aan de belangen die zijn gemoeid met de verwezenlijking van het uitwerkingsplan.

2.6. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Neuwahl

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

280-409.