Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0954

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
200306974/1 en 200306974/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 september 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een onderhouds-/timmerbedrijf gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Fijnaart, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 22 september 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200306974/1 en 200306974/2.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een onderhouds-/timmerbedrijf gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Fijnaart, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 22 september 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 21 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 21 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2003, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 13 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2003, waar appellanten in persoon en bijgestaan door mr. M.K. Weterings, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door A.J.M. van Hoek, ambtenaar van de gemeente, en R. Vliex en K. Hornman, gemachtigden, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghouder.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten zijn van mening dat verweerder de aanvraag niet in behandeling had mogen nemen, nu deze aanvraag onjuist dan wel onvolledig is en geen reëel beeld geeft van de werkzaamheden op de onderhavige inrichting. Zij voeren hiertoe aan dat er, anders dan in de aanvraag is vermeld, meermalen per jaar op het terrein van de inrichting boten worden bewerkt. Voorts worden er volgens appellanten geen kozijnen gemaakt noch worden de boten met hout betimmerd, terwijl dit wel door vergunninghouder is aangevraagd. Ook, zo stellen zij, vinden er werkzaamheden plaats die niet in de aanvraag zijn vermeld, zoals het werken met staal, het slijpen van boten en het gebruiken van een heftruck, tractor en hogedrukreiniger.

2.2. De Voorzitter overweegt dat de vergunningaanvraag onder andere uit een aanvraagformulier, tekeningen en een akoestisch rapport bestaat. Blijkens deze stukken behoort bij de inrichting een bedrijfsterrein waarop onder andere vervoersbewegingen en werkzaamheden, zoals houtbewerking ten behoeve van kozijnen en deuren, houtbetimmering en houtbewerking ten behoeve van boten korter dan 25 meter en verduurzaming van kozijnen, deuren en boten, plaatsvinden. In het akoestisch rapport is nader omschreven wat de activiteiten binnen de inrichting zullen inhouden. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

De in de aanvraag, en de daarbij behorende bescheiden, vermelde activiteiten maken blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uit van de vergunning. Activiteiten die niet door vergunninghouder zijn aangevraagd, zoals werkzaamheden met de tractor, heftruck en hogedrukreiniger, zijn derhalve niet vergund. Voorzover het beroep van appellanten voortkomt uit de vrees dat deze, en mogelijk andere, niet vergunde activiteiten toch zullen plaatsvinden, overweegt de Voorzitter dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.3. Appellanten voeren verder aan dat geen bouwvergunning is verleend voor de container.

De Voorzitter is van oordeel dat het ontbreken van een bouwvergunning er niet aan in de weg staat dat krachtens de Wet milieubeheer vergunning wordt verleend. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Appellanten zijn van mening dat verweerder ten onrechte de in het ontwerp van het besluit vermelde voorschriften 1.3 en 1.4 niet in het bestreden besluit heeft opgenomen.

Blijkens de stukken waren voornoemde voorschriften in het ontwerp opgenomen om te beklemtonen dat activiteiten die niet zijn vermeld in de aanvraag, niet zijn toegestaan. Nu volgens het dictum van het bestreden besluit overeenkomstig de aanvraag vergunning is verleend en de betrokken voorschriften niet anders bepaalden, is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften 1.3 en 1.4 uit het ontwerp van het besluit niet aan de vergunning behoefden te worden verbonden. De beroepsgrond treft geen doel.

2.6. Voorzover appellanten aanvoeren dat de vergunning onvoldoende waarborgen biedt tegen de overlast die zij ondervinden van de opslag van allerhande rommel op het buitenterrein van de inrichting, overweegt de Voorzitter dat aan de vergunning verschillende voorschriften zijn verbonden betreffende het schoonhouden en in goede staat van onderhoud houden van het bedrijfsterrein en betreffende de opslag van afvalstoffen en materiaal. Gelet op de stukken en de aard van de inrichting, is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in de vergunning opgenomen voorschriften toereikend zijn en dat geen aanvullende voorschriften op dit punt nodig zijn. Deze beroepsgrond faalt.

2.7. Appellanten stellen dat de onderhavige inrichting geluidoverlast zal veroorzaken.

2.7.1. Voor de beoordeling van directe geluidhinder heeft verweerder hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, wat betreft de maximale geluidniveaus, en hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt genomen. Voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten indirecte geluidhinder heeft verweerder de circulaire inzake “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van 29 februari 1996 (hierna te noemen: de circulaire) gehanteerd.

Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft verweerder onder andere de hierna genoemde voorschriften aan de vergunning verbonden.

2.7.2. In voorschrift 5.1 zijn voor de referentiepunten 1 en 3 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) grenswaarden gesteld van 43 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Ten aanzien van referentiepunt 5 zijn grenswaarden gesteld van 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Tevens heeft verweerder ten aanzien van de referentiepunten 1, 3 en 5 in voorschrift 5.2 grenswaarden voor het piekgeluidniveau gesteld van respectievelijk 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.

In voorschrift 5.4 is bepaald dat, om de geluidniveaus van de voorschriften 5.1 en 5.2 niet te overschrijden, voorzieningen zullen moeten worden getroffen overeenkomstig het akoestisch rapport opgesteld door [naam bureau] d.d. 27 november 2002, revisie 1, met documentnummer 122091.421.RR001 (hierna: het akoestisch rapport).

Voorts is in voorschrift 5.5 bepaald dat het intern van en naar de inrichting verplaatsen van boten uitsluitend is toegestaan met de in voornoemd akoestisch rapport opgenomen en aangevraagde transportmiddelen en transportbewegingen.

2.7.3. In de Handreiking wordt aanbevolen om zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld – zoals het geval is in de gemeente Moerdijk - bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik te maken van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn opgenomen. Hierin wordt voor nieuwe inrichtingen aanbevolen de aanvraag om vergunning te toetsen aan de richtwaarden. Overschrijding van de richtwaarden kan toelaatbaar zijn op grond van een bestuurlijk afwegingsproces. Een belangrijke rol daarbij speelt het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid. Ten aanzien van de grenswaarden van de piekgeluidimmissieniveaus is in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking aanbevolen uit te gaan van de grenswaarden van het equivalente geluidniveau vermeerderd met 10 dB(A). Daarnaast is de maximale grenswaarde van 70 dB(A) als etmaalwaarde aangegeven.

2.7.4. Voorzover appellanten hun beroep hebben gericht tegen de hoogte van de gestelde grenswaarden, overweegt de Voorzitter dat de omgeving van de inrichting is te kwalificeren als een landelijke omgeving, waarvoor ingevolge de Handreiking richtwaarden gelden van 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit beoogd aan te sluiten bij voornoemde richtwaarden. Wat de referentiepunten 1 en 3 betreft heeft verweerder bij het bepalen van de geluidgrenswaarde in de dagperiode aansluiting gezocht bij het ter plaatse van de inrichting heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid. De in voorschrift 5.1 opgenomen grenswaarden komen hiermee overeen. Voorts komen de in voorschrift 5.2 opgenomen piekgeluidgrenswaarden overeen met de in de Handreiking aanbevolen maximale waarden van 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de Voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de voorschriften 5.1 en 5.2 neergelegde grenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel te beperken.

2.7.5. Ten aanzien van de naleefbaarheid van de geluidvoorschriften overweegt de Voorzitter allereerst dat in het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport een overzicht is gegeven van de voor de bedrijfssituatie relevante geluidbronnen. Deze bronnen, waaronder de aan- en afvoerbewegingen van personen-, bestel- en vrachtwagens, het laden en lossen van vrachtwagens en de container en het werken met diverse houtbewerkingsmachines en een compressor, zijn in de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidemissie meegenomen. Daarbij overweegt de Voorzitter dat in het onderzoek rekening is gehouden met werkzaamheden in de loods met openstaande deuren. Voorts zijn ook de in het rapport omschreven bijzondere situaties, zoals het eenmaal per jaar plaatsen van een vaartuig op de inrichting, meegenomen in het onderzoek.

Uit het akoestisch rapport volgt dat, met inachtneming van de relevante geluidbronnen, aan de in voorschrift 5.1 gestelde grenswaarden kan worden voldaan. Ook aan de in voorschrift 5.2 opgenomen piekgeluidgrenswaarden, voorzover het betreft de avond- en nachtperiode, kan worden voldaan. In de dagperiode worden de in voorschrift 5.2 opgenomen grenswaarden echter overschreden. Deze overschrijding wordt blijkens het akoestisch rapport veroorzaakt door het laden en lossen van de container en door de vrachtwagen. Uit het akoestisch rapport blijkt dat na het nemen van maatregelen, bestaande uit het plaatsen van de container op een rubberen ondergrond aan de waterkant, het plaatsen van een scherm van 2 meter op de inrichtingsgrens aan de zijde van de woning van appellanten en door omzichtig te werk te gaan, aan de grenswaarden voor het piekgeluidniveau in de dagperiode kan worden voldaan. De naleefbaarheid van met name voorschrift 5.2 wordt gewaarborgd doordat in voorschrift 5.4 van het bestreden besluit is bepaald dat voornoemde voorzieningen zullen moeten worden getroffen om aan de voorgeschreven geluidniveaus te voldoen.

De Voorzitter ziet geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van het akoestisch onderzoek. Gezien het vorenstaande is er geen reden om aan te nemen dat de inrichting niet kan voldoen aan de geluidvoorschriften.

2.7.6. Ten aanzien van de verkeersbewegingen van en naar de inrichting overweegt de Voorzitter dat, gelet op de door verweerder uitgevoerde berekening, het aantal in de vergunningaanvraag opgegeven vervoersbewegingen per dag en de soort voertuigen, sprake is van een dusdanig beperkt aantal aan- en afvoerbewegingen van en naar de inrichting dat niet aannemelijk is dat de in de circulaire opgenomen voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. De Voorzitter is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunning hierom niet behoefde te worden geweigerd en dat dienaangaande geen (specifieke) voorschriften aan de vergunning behoefden te worden verbonden.

2.7.7. De beroepsgronden inzake geluid treffen geen doel.

2.8. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Montagne

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

374.