Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0951

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-12-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
200306699/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

200306699/2.

Datum uitspraak: 15 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam van 9 september 2003 in het geding tussen:

verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs (hierna: het college) verzoeker onder oplegging van drie afzonderlijke dwangsommen gelast de overtreding van artikel 25 van het bestemmingsplan “Noordpolder 1984” te beëindigen door de voertuigen en voertuigonderdelen die in de tuin bij de woning op het perceel [locatie] te [plaats] zijn gestald te verwijderen en de overtreding van artikel 5.1.1 van de bouwverordening 1999 van de gemeente Berkel en Rodenrijs te beëindigen door het in overeenstemming brengen van deze tuin met de bestemming en de hinder veroorzakende werkzaamheden aan voertuigen en voertuigonderdelen in de tuin te staken.

Bij besluit van 29 april 2003 heeft het college het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 6 januari 2003 met een andere motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 9 september 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 6 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 13 en 22 november 2003.

Bij brief van 12 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 november 2003, waar verzoeker in persoon en het college, vertegenwoordigd door M.L.F. de Bruijn, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de aangevallen uitspraak is overwogen dat ter zitting bij de voorzieningenrechter van de zijde van het college desgevraagd is verklaard dat een deel van de bij het besluit van 6 januari 2003 opgelegde last bij het besluit van 29 april 2003 is komen te vervallen. Ter zitting bij de Voorzitter is de juistheid van deze overweging van de zijde van het college bevestigd. Nu echter uit het besluit van 29 april 2003 niet kan worden opgemaakt dat een deel van de last is komen te vervallen, voldoet dit besluit in zoverre naar voorlopig oordeel niet aan de daaraan te stellen eis van rechtszekerheid.

2.2. Ter zitting bij de Voorzitter is voorts van de zijde van het college verklaard dat tegen de plaatsing van – in het geval van verzoeker - maximaal twee auto’s in de tuin bij de woning geen bezwaren bestaan en dat dan ook, wanneer dat aantal niet wordt overschreden, geen dwangsommen worden verbeurd. Nu het besluit van 29 april 2003 kennelijk ziet op alle in de tuin aanwezige voertuigen en daarin geen uitzondering wordt gemaakt voor de plaatsing van maximaal twee auto’s, is dit besluit naar voorlopig oordeel wat dit onderdeel betreft eveneens in strijd met de rechtszekerheid.

2.3. Gelet op het vorenstaande, bestaat gerede twijfel dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure onverkort in stand zal blijven en bestaat aanleiding voor het treffen van na te melden voorlopige voorziening.

2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs van 6 januari 2003 en 29 april 2003, kenmerk MdB/03/v&t(003) en MdB/03/105 (V&T385);

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 105,29; het bedrag dient door de gemeente Berkel en Rodenrijs te worden betaald aan verzoeker;

III. gelast dat de gemeente Berkel en Rodenrijs aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 175,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Boer

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2003

201.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306699/2.

Datum uitspraak: 15 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam van 9 september 2003 in het geding tussen:

verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs (hierna: het college) verzoeker onder oplegging van drie afzonderlijke dwangsommen gelast de overtreding van artikel 25 van het bestemmingsplan “Noordpolder 1984” te beëindigen door de voertuigen en voertuigonderdelen die in de tuin bij de woning op het perceel [locatie] te [plaats] zijn gestald te verwijderen en de overtreding van artikel 5.1.1 van de bouwverordening 1999 van de gemeente Berkel en Rodenrijs te beëindigen door het in overeenstemming brengen van deze tuin met de bestemming en de hinder veroorzakende werkzaamheden aan voertuigen en voertuigonderdelen in de tuin te staken.

Bij besluit van 29 april 2003 heeft het college het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 6 januari 2003 met een andere motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 9 september 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 6 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 13 en 22 november 2003.

Bij brief van 12 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 november 2003, waar verzoeker in persoon en het college, vertegenwoordigd door M.L.F. de Bruijn, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de aangevallen uitspraak is overwogen dat ter zitting bij de voorzieningenrechter van de zijde van het college desgevraagd is verklaard dat een deel van de bij het besluit van 6 januari 2003 opgelegde last bij het besluit van 29 april 2003 is komen te vervallen. Ter zitting bij de Voorzitter is de juistheid van deze overweging van de zijde van het college bevestigd. Nu echter uit het besluit van 29 april 2003 niet kan worden opgemaakt dat een deel van de last is komen te vervallen, voldoet dit besluit in zoverre naar voorlopig oordeel niet aan de daaraan te stellen eis van rechtszekerheid.

2.2. Ter zitting bij de Voorzitter is voorts van de zijde van het college verklaard dat tegen de plaatsing van – in het geval van verzoeker - maximaal twee auto’s in de tuin bij de woning geen bezwaren bestaan en dat dan ook, wanneer dat aantal niet wordt overschreden, geen dwangsommen worden verbeurd. Nu het besluit van 29 april 2003 kennelijk ziet op alle in de tuin aanwezige voertuigen en daarin geen uitzondering wordt gemaakt voor de plaatsing van maximaal twee auto’s, is dit besluit naar voorlopig oordeel wat dit onderdeel betreft eveneens in strijd met de rechtszekerheid.

2.3. Gelet op het vorenstaande, bestaat gerede twijfel dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure onverkort in stand zal blijven en bestaat aanleiding voor het treffen van na te melden voorlopige voorziening.

2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs van 6 januari 2003 en 29 april 2003, kenmerk MdB/03/v&t(003) en MdB/03/105 (V&T385);

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 105,29; het bedrag dient door de gemeente Berkel en Rodenrijs te worden betaald aan verzoeker;

III. gelast dat de gemeente Berkel en Rodenrijs aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 175,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Boer

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2003

201.