Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0945

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
200307710/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2003, kenmerk RZ/RV92-03, heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 2.500,00 per maand dat de van het perceel [locatie sub 1] naar het perceel [locatie sub 2] verplaatste niet-schone grond niet door een erkend bureau conform het Bouwstoffenbesluit protocol AP04 is onderzocht op samenstelling en immissie van deze grond in de onderliggende bodem. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 10.000,00.

Wetsverwijzingen
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2003/78 met annotatie van Van der Meijden
JBO 2005/244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200307710/1.

Datum uitspraak: 16 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Twenterand,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2003, kenmerk RZ/RV92-03, heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 2.500,00 per maand dat de van het perceel [locatie sub 1] naar het perceel [locatie sub 2] verplaatste niet-schone grond niet door een erkend bureau conform het Bouwstoffenbesluit protocol AP04 is onderzocht op samenstelling en immissie van deze grond in de onderliggende bodem. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 10.000,00.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 18 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 december 2003, waar verzoeker [gemachtigde] en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door R. Venema, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.

3. Overwegingen

3.1. Verzoeker voert aan dat uit de in zijn opdracht uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat de onderhavige grond slechts licht verontreinigd is en daarom niet als ‘schone grond’ mag worden verhandeld. Hij stelt dat de grond niet is verhandeld en op zijn eigen terrein is verwerkt. Verzoeker is van mening dat de grond daarom niet nader behoeft te worden onderzocht.

3.1.1. Verweerder voert aan dat de in opdracht van verzoeker uitgevoerde bodemonderzoeken niet door een erkend onderzoeksbureau zijn uitgevoerd en niet voldoen aan de in het kader van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming gestelde eisen. Daardoor is het volgens verweerder onduidelijk of de onderhavige grond wel zonder nadere voorzieningen kon worden toegepast.

3.1.2. De Voorzitter stelt vast dat de onderhavige grond bij werkzaamheden op het perceel [locatie sub 1] is vrijgekomen en vervolgens is verplaatst en uitgespreid op het perceel [locatie sub 2]. Tevens stelt de Voorzitter vast dat het in opdracht van verzoeker uitgevoerde bodemonderzoek niet aan de, conform artikel 9 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming en de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit, hieraan gestelde eisen voldoet. De stelling van verzoeker dat de grond niet is verhandeld, maar op eigen terrein is verwerkt speelt hierbij geen rol. Gelet op het bovenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

3.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2003

315.