Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0944

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
200306404/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2003 heeft verweerder besloten het in werking hebben van een pluimveebedrijf op het perceel [locatie] te [plaats] zonder een daartoe ingevolge de Wet milieubeheer vereiste vergunning onder voorwaarden te gedogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306404/2.

Datum uitspraak: 16 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2003 heeft verweerder besloten het in werking hebben van een pluimveebedrijf op het perceel [locatie] te [plaats] zonder een daartoe ingevolge de Wet milieubeheer vereiste vergunning onder voorwaarden te gedogen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 23 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 oktober 2003.

Bij brief van 30 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 november 2003, waar verzoeker, in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.R.J. Baneke, advocaat te Nijmegen, en ing. A.A.H. Dijkema en mr. V.C.E. Wattenberg, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn de Werkgroep Milieubeheer Groesbeek, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de vereniging “Vereniging Milieu-Offensief”, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de in het bestreden besluit gehanteerde gedoogtermijn, die op 1 februari 2004 afloopt, te kort is. Een langere gedoogtermijn is aangewezen, aldus verzoeker. Hij voert hiertoe – kort weergegeven - aan dat er concreet zicht bestaat op legalisering, nu reeds een vergunningaanvraag is ingediend en eveneens binnen afzienbare tijd een milieu-effectrapport bij verweerder zal worden ingediend. Voorts is verzoeker van mening dat verweerder zich ten onrechte baseert op een legcyclus van één jaar. Verzoeker stelt verder dat het te ver voert om aan het niet naleven van de aan het gedoogbesluit verbonden voorwaarden de sanctie te verbinden dat het gedoogbesluit wordt ingetrokken.

2.3. Ten aanzien van het bezwaar van verzoeker omtrent het intrekken van het gedoogbesluit als sanctie op de overschrijding van de in het bestreden besluit opgenomen gedoogvoorwaarden, overweegt de Voorzitter dat verzoeker hiermee het karakter van een gedoogbesluit miskent. Gedogen houdt immers niet meer in dan de bereidheid van het bevoegd gezag om de activiteiten in kwestie tijdelijk toe te staan, mits voldaan wordt aan de daarbij gestelde voorwaarden. Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, vervalt de bereidheid om te gedogen en kan verweerder alsnog beslissen handhavingsmaatregelen te treffen.

2.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit nog niet kon beoordelen of de thans gedoogde activiteiten binnen afzienbare termijn zouden kunnen worden vergund; wel was reeds een aanvraag om vergunning ingediend. Het verlangde milieu-effectrapport zal uiterlijk 15 december 2003 worden overgelegd. Onder die omstandigheden heeft verweerder aan verzoeker willen toestaan de inmiddels aangevangen legcyclus – dat is de periode waarin een bepaalde lichting hennen eieren legt – af te maken.

Bij de voorbereiding van het bestreden besluit heeft verzoeker er in zijn bedenkingen tegen het ontwerpbesluit op gewezen dat het in dit geval niet gaat om hennen met een eenmalige legcyclus van 14 maanden, zoals beschreven in de aanvraag bij wege van “worst case” in milieuhygiënische zin (hoe korter de legperiode, des te meer vervoerbewegingen), maar om hennen met een dubbele legcyclus. In het verzoekschrift is dit geconcretiseerd in die zin dat de totale legcyclus van deze hennen twee jaren bedraagt. Verzoeker stelt deze termijn ook aan verweerder te hebben genoemd tijdens het mondeling overleg over de gedoogbeschikking.

Tegen deze achtergrond, en mede in aanmerking genomen de geschiedenis van de vergunningverlening voor de onderhavige activiteiten, ziet de Voorzitter aanleiding om allereerst te bevorderen dat de Afdeling het beroep tegen het bestreden besluit zo spoedig mogelijk zal behandelen; daarbij zal ook kunnen worden ingegaan op de bezwaren van de Werkgroep Milieubeheer Groesbeek en de Vereniging Milieu-Offensief. In de tweede plaats ziet hij, gelet op de betrokken belangen, aanleiding een voorlopige voorziening te treffen op grond waarvan verzoeker zijn bij het bestreden besluit gedoogde activiteiten in elk geval kan voortzetten totdat de uitspraak op het door verzoeker tegen voornoemd besluit ingestelde beroep is verzonden.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek van 5 augustus 2003, voorzover daarin is bepaald dat de gedoogtermijn op 1 februari 2004 afloopt;

II. treft de voorlopige voorziening dat verzoeker zijn bij het besluit van 5 augustus 2003 gedoogde activiteiten kan voortzetten totdat de uitspraak op het door verzoeker tegen voornoemd besluit ingestelde beroep is verzonden;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Groesbeek te worden betaald aan verzoeker;

IV. gelast dat de gemeente Groesbeek aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Montagne

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2003

374.