Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0928

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200302823/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2001 heeft appellante vastgesteld dat zij jegens de stichting "Stichting tot oprichting en instandhouding van scholen voor Christelijk Middelbaar Algemeen Voortgezet- en Christelijk Beroepsonderwijs" aanspraak maakt op de volledige schadevergoeding betreffende een werkneemster van de Stichting ten bedrage van ƒ 26.100,69

(€ 11.843,98).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2003/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302823/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs", gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 26 maart 2003 in het geding tussen:

de stichting "Stichting tot oprichting en instandhouding van scholen voor Christelijk Middelbaar Algemeen Voortgezet- en Christelijk Beroepsonderwijs” (thans: de stichting “Stichting voor Christelijk Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs en Praktijkonderwijs"), gevestigd te Veenendaal

en

appellante.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2001 heeft appellante vastgesteld dat zij jegens de stichting "Stichting tot oprichting en instandhouding van scholen voor Christelijk Middelbaar Algemeen Voortgezet- en Christelijk Beroepsonderwijs" aanspraak maakt op de volledige schadevergoeding betreffende een werkneemster van de Stichting ten bedrage van ƒ 26.100,69

(€ 11.843,98).

Bij besluit van 19 april 2002 heeft appellante het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 maart 2003, verzonden op 27 maart 2003, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 juni 2003. Laatstgenoemde brief is aangehecht.

Bij brief van 7 juli 2003 heeft de Stichting voor Christelijk Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs en Praktijkonderwijs (hierna: de Stichting) van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. C.M. Bitter, advocaat te Den Haag, en [gemachtigde], en de Stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1.1. Ingevolge artikel 98a, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de WVO), zoals dat luidde ten tijde in geding, is het bevoegd gezag van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen scholen aangesloten bij een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van vervanging bij afwezigheid van personeel. De in de eerste volzin bedoelde rechtspersoon wordt door de Minister van Onderwijs en Wetenschappen aangewezen.

Ingevolge artikel 98a, tweede lid, is het bevoegd gezag van de in het eerste lid bedoelde scholen voorts verplicht aan de in dat lid bedoelde rechtspersoon jaarlijks een door die rechtspersoon vast te stellen bijdrage te voldoen in verband met de kosten van vervanging.

Ingevolge artikel 98a, vierde lid, kan de rechtspersoon regels vaststellen ter uitvoering van het eerste lid.

2.1.2. Appellante is de in artikel 98a van de WVO bedoelde rechtspersoon. Zij heeft voor het schooljaar 1999-2000 het “Reglement Vervangingsfonds Voortgezet Onderwijs schooljaar 1999-2000” (hierna: het Reglement) vastgesteld.

Ingevolge artikel 4A, tweede lid, eerste volzin, van het Reglement maakt appellante aanspraak op de uit te betalen schadevergoeding indien er vervangingsdeclaraties worden ingediend die verband houden met een ongeval in verband waarmee de Dienst Schade Afwikkeling van het Ministerie van Financiën een schadeclaim heeft ingesteld.

2.1.3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren (hierna: de VOA) heeft het lichaam dat aan of ten behoeve van een ambtenaar krachtens diens rechtspositieregeling uitkeringen of verstrekkingen verleent ter zake van een aan deze overkomen ongeval, voor de kosten van deze voorzieningen verhaal op degene die, bij ontbreken van die voorzieningen, in verband met het veroorzaken van het ongeval jegens de ambtenaar naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn voor de alsdan door deze geleden schade. Het verhaal kan niet ten nadele van de ambtenaar worden uitgeoefend.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de VOA worden, indien de ambtenaar ten gevolge van het ongeval geheel of voor een deel van zijn normale diensttijd verhinderd is zijn dienst te verrichten, de krachtens zijn rechtspositieregeling over de periode van die gehele of gedeeltelijke verhindering uitbetaalde bezoldiging of beloning en hiermede verband houdende uitkeringen - met inbegrip van de ingehouden loonbelasting en van de premie voor sociale voorzieningen - geheel of voor een met de mate van de verhindering overeenkomend deel onder de in het eerste lid bedoelde uitkeringen begrepen.

2.2. In geschil is het oordeel van de rechtbank dat artikel 4A, tweede lid, eerste volzin, van het Reglement onverbindend is. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 98a, vierde lid, van de WVO appellante niet de bevoegdheid toekent de in dat artikel opgenomen aanspraak te maken, omdat artikel 98a, vierde lid, van de WVO slechts in algemene bewoordingen aangeeft dat appellante regels kan vaststellen ter uitvoering van artikel 98a, eerste lid, van de WVO. In artikel 98a, eerste lid, van de WVO is niets bepaald omtrent de afdracht van schadevergoedingsuitkeringen, aldus de rechtbank, en ook overigens is haar niet gebleken van een formele wettelijke basis op grond waarvan appellante bevoegd is daarop aanspraak te maken.

2.3. Appellante betoogt dat artikel 98a, vierde lid, van de WVO voldoende basis biedt voor het opleggen van de verplichting aan bevoegde gezagsorganen om de ingevolge artikel 2 van de VOA ontvangen schadevergoeding aan haar af te dragen. Voorts betoogt appellante dat artikel 4A, tweede lid, eerste volzin, van het Reglement geen aanknopingspunten biedt voor de opvatting dat het bevoegd gezag de schadevergoeding uitsluitend behoeft af te dragen voorzover vervangingskosten zijn gedeclareerd.

2.4. Dit betoog slaagt. Ingevolge artikel 98a, eerste lid, van de WVO stelt appellante zich ten doel waarborgen te bieden voor de kosten van vervanging bij afwezigheid van personeel. Artikel 98a, tweede lid, van de WVO, waarin is bepaald dat het bevoegd gezag in verband met de kosten van vervanging jaarlijks een door appellante vast te stellen bijdrage moet voldoen, moet worden aangemerkt als een uitwerking van het in artikel 98a, eerste lid, van de WVO bepaalde. Gelet daarop kan appellante ingevolge artikel 98a, vierde lid, van de WVO, gelezen in samenhang met artikel 98a, eerste en tweede lid, nadere regels stellen met betrekking tot de vaststelling van de bijdrage voor de kosten van vervanging bij afwezigheid van personeel. De in artikel 4A, tweede lid, eerste volzin, van het Reglement bedoelde schadevergoeding bestaat uit loon- en aanverwante kosten als bedoeld in artikel 2, tweede lid van de VOA. Deze schadevergoeding kan worden verkregen, indien een personeelslid ten gevolge van een ongeval is verhinderd zijn werkzaamheden te verrichten. In artikel 4A, tweede lid, eerste volzin, van het Reglement is bepaald dat appellante slechts aanspraak maakt op de schadevergoeding, indien het bevoegd gezag vervangingsdeclaraties heeft ingediend die verband houden met de afwezigheid van personeel ten gevolge van een ongeval. Gelet daarop is de aanspraak van appellante op de schadevergoeding zodanig verknoopt met de afwezigheid van personeel en daarmee verband houdende kosten van vervanging, dat niet kan worden staande gehouden dat het in artikel 4A, tweede lid, eerste volzin, van het Reglement bepaalde de regelgevende bevoegdheid van appellante te buiten gaat.

Ingevolge artikel 4A, tweede lid, eerste volzin, van het Reglement maakt appellante aanspraak op de gehele schadevergoeding, indien vervangingsdeclaraties worden ingediend in verband met de afwezigheid van een personeelslid door een ongeval. Anders dan de Stichting meent, is dat niet anders indien het afwezige personeelslid niet volledig is vervangen, of indien de schadevergoeding hoger of lager is dan de kosten van de vervanging. Dat, indien vervangingsdeclaraties worden ingediend, de gehele schadevergoeding moet worden afgedragen, is in overeenstemming met de in artikel 98a van de WVO opgenomen regeling, die het karakter heeft van risico-egalisatie en verevening. Daaraan is inherent dat de te betalen bijdrage niet gelijk is aan de te ontvangen vergoedingen. Ook in dit opzicht gaat het gestelde in artikel 4A, tweede lid, eerste volzin, van het Reglement de regelgevende bevoegdheid van appellante niet te buiten.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 26 maart 2003, SBR 02/1041;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter,

en mr. J.A.M. van Angeren en mr. B.J. van Ettekoven, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Dallinga

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

18-413.