Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0923

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200302599/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2002, kenmerk 2002/4204, heeft verweerder aan appellanten een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 500,00 per dag dat in strijd met de ingevolge het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) geldende geluidgrenswaarden voor de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats], het terras en de speeltuin aan de achterzijde van de inrichting in werking worden gehouden. Het maximumbedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 15.000,00. Voor de last geldt een begunstigingstermijn van zestien weken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2004/45 met annotatie van Zigenhorn
Milieurecht Totaal 2003/1985
Module Horeca 2003/756
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/3656

Uitspraak

200302599/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2002, kenmerk 2002/4204, heeft verweerder aan appellanten een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 500,00 per dag dat in strijd met de ingevolge het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) geldende geluidgrenswaarden voor de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats], het terras en de speeltuin aan de achterzijde van de inrichting in werking worden gehouden. Het maximumbedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 15.000,00. Voor de last geldt een begunstigingstermijn van zestien weken.

Bij besluit van 11 maart 2003, kenmerk 2002/5221, verzonden op

12 maart 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 april 2003, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk van appellanten ontvangen. Dit is aan verweerder toegezonden.

Bij brief van 25 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2003, waar van [een van de appellanten] in persoon, en bijgestaan door

[gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. M.F.H.T. Hordijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is door appellanten [deskundige] en door verweerder [deskundige] meegebracht.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bij het besluit van

14 juni 2002 opgelegde last onder dwangsom ten aanzien van het in strijd met de ingevolge het Besluit geldende geluidgrenswaarden in werking houden van het terras en de speeltuin aan de achterzijde van de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats] gehandhaafd.

2.2. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge het derde lid wordt voor het opleggen van een last onder dwangsom niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

Ingevolge het vijfde lid wordt in de beschikking die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

In voorschrift 1.1.1, onder a, van de bijlage bij het Besluit is ondermeer bepaald dat het piekniveau (Lmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, op de gevel van woningen niet meer mag bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

In voorschrift 1.1.2, aanhef en onder a, van de bijlage bij het Besluit is bepaald dat bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in voorschrift 1.1.1, buiten beschouwing blijft het stemgeluid van bezoekers op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein.

2.3. Appellanten betogen dat verweerder ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd. Zij zijn hierbij van mening dat het terrein achter de inrichting, alwaar zich het terras en de speeltuin bevinden, niet aangemerkt kan worden als binnenterrein in de zin van voorschrift 1.1.2, aanhef en onder a, van de bijlage bij het Besluit. Om die reden dient het aldaar voortgebrachte stemgeluid van bezoekers buiten beschouwing te blijven bij de beoordeling of de inrichting kan voldoen aan de in voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit gestelde geluidgrenswaarden.

2.3.1. Verweerder stelt zich blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat het terras en de speeltuin aangemerkt moeten worden als een binnenterrein, nu deze niet aan de straat of een andere openbare ruimte zijn gelegen. In dit verband heeft hij ondermeer gewezen op hetgeen gesteld is in de Nota van Toelichting bij het Besluit.

2.3.2. Bij het opleggen van de last onder dwangsom heeft verweerder zich gebaseerd op het in zijn opdracht uitgevoerde akoestisch onderzoek door Architecten- en ingenieursbureau [naam]. van juli 2001, waarin specifiek onderzoek is verricht naar de door het gebruik van de tot de inrichting behorende terras en de speeltuin veroorzaakte geluidbelasting. Uit dit akoestisch onderzoek blijkt dat wanneer de inrichting in werking is met het terras en de speeltuin als gevolg van het stemgeluid van bezoekers ondermeer overschrijdingen plaatsvinden van de in het Besluit voor de dag- en avondperiode opgenomen grenswaarden voor het maximale geluidniveau van respectievelijk 1 dB(A) en 6 dB(A). In dit akoestisch onderzoek is ervan uitgegaan dat het terras en de speeltuin beschouwd moeten worden als een binnenterrein in de zin van voorschrift 1.1.2, aanhef en onder a, van de bijlage bij het Besluit.

2.3.3. Blijkens de Nota van Toelichting op voorschrift 1.1.2, aanhef en onder a, van de bijlage bij het Besluit wordt met een onoverdekt terrein bedoeld een voor publiek toegankelijk onbebouwd deel van de inrichting, dus een buitenterrein zoals een tuin of een terras. Voorts is in voornoemde Nota van Toelichting, voorzover hier van belang, het volgende gesteld: “De uitsluiting van stemgeluid afkomstig van een buitenterrein geldt feitelijk uitsluitend voor situaties waarbij het buitenterrein aan de straat of een andere openbare ruimte is gelegen. In deze gevallen mag worden aangenomen dat het van bijvoorbeeld het terras afkomstige geluid opgaat in het omgevingsgeluid. Echter indien een buitenterrein omsloten is door bebouwing zal het omgevingsgeluid doorgaans veel lager zijn. Stemgeluid van het terras zal dan eerder leiden tot overlast. De beoordeling van dergelijke situaties dient overeenkomstig voorschrift 1.1.1 te geschieden.”

2.3.4. In onderhavig geval zijn het terras en de speeltuin gelegen aan de achterzijde van de inrichting en grenzen deze niet aan de straat of een andere openbare ruimte.

De Afdeling overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of het terras en de speeltuin zijn aan te merken als binnenterrein met name de hoogte van het aldaar heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid van belang is. Voorts is bepalend de mate van beslotenheid van de ligging van het terras en de speeltuin, hetgeen tot uitdrukking komt in een lager referentieniveau. Indien het referentieniveau bij het terras en de speeltuin aanmerkelijk lager is dan wanneer deze delen van de inrichting aan de straat of een andere openbare ruimte zouden zijn gelegen, bestaat aanleiding het stemgeluid niet uit te sluiten bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat zich aan de noordzijde van de speeltuin een schuur bevindt en aan de oostzijde van het terras en de speeltuin bebouwing in de vorm van woningen. Aan de zuid- en westzijde grenzen het terras en de speeltuin aan de achtertuinen van omwonenden alsmede aan een onbebouwd landbouwperceel. Achter dit landbouwperceel bevindt zich een rondweg. Appellanten stellen dat het geluid van de auto’s op deze weg duidelijk hoorbaar is ter plaatse van de inrichting. Verweerder heeft dit niet weersproken noch blijkt het tegendeel uit het door hem gehanteerde akoestisch onderzoek.

Gelet op het vorenstaande houdt de Afdeling het voor mogelijk dat ter plaatse van het terras en de speeltuin ten gevolge van de situering en de mate van omsluiting geen aanmerkelijk lager referentieniveau heerst dan wanneer deze delen van de inrichting aan de straat of een andere openbare ruimte zouden zijn gelegen. Nu verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar het heersende referentieniveau is de Afdeling van oordeel dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende voorbereiding niet zorgvuldig kan worden geacht. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Dit beroepsonderdeel slaagt.

2.4. Voorts zijn appellanten van mening dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van het akoestisch rapport van juli 2001, aangezien dit is gebaseerd op berekeningen en niet op metingen. Het is volgens appellanten in strijd met de zorgvuldigheid dat verweerder zelf geen metingen heeft verricht, mede gelet op de slechts geringe overschrijding van de geluidgrenswaarden.

2.4.1. De Afdeling stelt vast dat het door verweerder gehanteerde akoestisch rapport van juli 2001 is gebaseerd op berekeningen en niet op metingen. Deze berekeningen berusten uitsluitend op aannames, terwijl er feitelijk geen overtreding is geconstateerd.

Gelet op het vorenstaande staat niet vast dat appellanten voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit hebben overtreden. Hieruit volgt dat verweerder niet bevoegd was appellanten vanwege de overtreding van voormeld voorschrift een last onder dwangsom op te leggen, zodat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet, in samenhang met de artikelen 5:21 en 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze beroepsgrond slaagt.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit op bezwaar dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding het primaire besluit van 14 juni 2002 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Het verzoek van appellanten om verweerder te veroordelen in de kosten van het opmaken van een deskundigenverslag, waaraan volgens appellanten 9 uren zijn besteed, wordt niet toegewezen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat, gelet op de datum van het deskundigenverslag, 3 september 2002, de kosten van de door appellanten ingeschakelde deskundige niet zijn gemaakt in verband met de behandeling van het voorliggende beroep.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk van 11 maart 2003, kenmerk 2002/5221;

III. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk van 14 juni 2002, kenmerk 2002/4204;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 885,82, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Oisterwijk te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de gemeente Oisterwijk aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

312-443.