Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0918

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200302994/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast een dakkapel op het dak van de woning aan de [locatie] te [plaats] te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200302994/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 19 maart 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast een dakkapel op het dak van de woning aan de [locatie] te [plaats] te verwijderen.

Bij besluit van 19 november 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 17 mei 2002 heeft het college voornoemd besluit ingetrokken en een nieuw besluit genomen waarin de beslissing tot het verwijderen van de dakkapel nader is gemotiveerd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 maart 2003, verzonden op 28 maart 2003, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2003, waar het college, vertegenwoordigd door drs. M. Link en P.M. Evers, ambtenaren der gemeente, is verschenen. Appellant is niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders. Niet in geschil is dat de onderhavige dakkapel is gebouwd zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning. Het college was dan ook bevoegd terzake handhavend op te treden.

2.2. Alleen in bijzondere gevallen kan het college afzien van handhavend optreden tegen een illegale situatie. Van een bijzonder geval kan sprake zijn, indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie. Dat doet zich hier niet voor.

2.3. Dienaangaande volstaat het te overwegen dat de gerealiseerde dakkapel in strijd is met het vigerende bestemmingsplan en dat aan appellant geen beroep op het overgangsrecht, dat vervat is in artikel 46 van de planvoorschriften, toekomt.

Ook indien, zoals appellant stelt, ten tijde van belang reeds van een bestaande dakkapel van deze omvang sprake zou zijn geweest – het college heeft dat gemotiveerd bestreden – dan nog komt appellant geen beroep op voormeld artikel toe, omdat een calamiteit, als in dit artikel bedoeld, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, niet aan de orde was.

2.4. Tenslotte is niet aannemelijk geworden, dat, zoals appellant heeft gesteld, verweerder niet handhavend zou optreden tegen andere vergelijkbare illegale situaties, zodat de slotsom moet zijn dat er geen grond is voor het oordeel dat het college niet tot handhavend optreden mocht besluiten. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

202.