Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0917

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200302471/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: het college) aan appellante sub 1 bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een café op de begane grond tot eetcafé met een aparte bovenwoning op het perceel [locatie] te [plaats], (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200302471/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 7 maart 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: het college) aan appellante sub 1 bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een café op de begane grond tot eetcafé met een aparte bovenwoning op het perceel [locatie] te [plaats], (hierna: het perceel).

Bij besluit van 4 december 2001 heeft het college het besluit van 14 mei 2001 herroepen en het daartegen door [partij sub 1] en [partij sub 2] gemaakte bezwaar buiten behandeling gelaten.

Bij uitspraak van 7 maart 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 16 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 21 juli, 5 september en 22 september 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 11 augustus 2003 heeft [partij sub 1] een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. R.H.G.M. Kerkckhoffs, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.E.J.M. Vorstermans en ing. M.H.J.M. Creuwels, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan “Centrum-binnenstad” en “Centrum-binnenstad herziening 1995” ligt het perceel in “Zone 4, Centrumgebied 4”, waar op de begane grond is toegestaan: wonen, kantoor of publieksverzorgend ambacht, en op de verdiepingen: wonen. Blijkens de kaart “functionele karakteristiek” mag ter plaatse de afwijkende functie “discotheek/dancing” worden gehandhaafd.

2.2. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

2.3. Het primaire betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat voor het bouwplan geen vrijstelling is vereist, omdat bij besluit van 27 mei 1999 vrijstelling is verleend voor het verbouwen van de discotheek/dancing tot café ter plaatse, faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze vrijstelling niet ziet op het onderhavige bouwplan, dat betrekking heeft op een eetcafé met bovenliggende woning.

2.4. Appellanten betogen subsidiair dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep niet was gericht tegen het verzuim van het college om bij de beslissing op bezwaar, gelet op het bepaalde in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), een nieuwe beslissing te nemen op de bouwaanvraag en daarbij, gelet op het bepaalde in artikel 46, derde lid, van de Woningwet, tevens een beslissing te nemen op het verzoek om vrijstelling.

2.5. Dit betoog treft doel. Het college heeft de herroeping van het besluit van 14 mei 2001 vergezeld doen gaan van een buiten behandeling laten van de tegen dat besluit ingediende bezwaren, hoewel de Awb voor dat laatste geen grondslag biedt. Het college heeft evenwel verzuimd de herroeping overeenkomstig het laatste zinsdeel van artikel 7:11 van de Awb vergezeld te doen gaan van een nieuw besluit op de voorliggende bouwaanvraag en tevens verzuimd daarbij na te gaan of voor het bouwplan vrijstelling kon worden verleend. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het beroep niet mede tegen dit verzuim was gericht. De aangevallen uitspraak en de beslissing op bezwaar komen voor vernietiging in aanmerking.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen.

2.7. De Afdeling acht termen aanwezig om het college op na te melden wijze in de proceskosten te veroordelen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 7 maart 2003, AWB 02 / 148 WW44 I;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maastricht van 4 december 2001,

SOG 00-0423 B;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maastricht in de door appellanten in verband met de behandeling van de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 1288,00 welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Maastricht te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de gemeente Maastricht aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

(€ 566,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

58-429.