Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0910

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200303132/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 april 2001 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd om aan [wederpartij] aanlegvergunning te verlenen voor het egaliseren en uitvoeren van grondbewerkingen, alsmede voor het afgraven, bodemverlagen en ophogen van gronden, ten behoeve van het permanent omzetten voor bollenteelt van de grond op het perceel nabij [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303132/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Zijpe,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar van 3 april 2003 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2001 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd om aan [wederpartij] aanlegvergunning te verlenen voor het egaliseren en uitvoeren van grondbewerkingen, alsmede voor het afgraven, bodemverlagen en ophogen van gronden, ten behoeve van het permanent omzetten voor bollenteelt van de grond op het perceel nabij [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 23 juli 2001 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 april 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het bezwaar tegen het besluit van 18 april 2001 gegrond verklaard, het besluit van 18 april 2001 herroepen en bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 23 juli 2001. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 14 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 augustus 2003 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2003, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. de Ruyter en J.A. Paasman, beiden ambtenaar der gemeente, bijgestaan door mr. A.J.H.W.M. Versteeg, advocaat te Amsterdam, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde], leden van de directie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college komt niet op tegen het oordeel van de rechtbank dat voor de werkzaamheden waarvoor [wederpartij] een aanlegvergunning had gevraagd, ingevolge artikel 5, zevende lid, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1989, tweede herziening”, geen aanlegvergunning is vereist. Het hoger beroep is niet gericht tegen de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het besluit op bezwaar van 23 juli 2001.

Het college betoogt uitsluitend dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aanleiding bestond om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 23 juli 2001.

2.2. Ter zitting is gebleken dat ook volgens het college geen ander besluit mogelijk is dan herroeping en intrekking van het besluit van 18 april 2001, gelet op het tijdstip waarop het verzoek om aanlegvergunning is gedaan. Het gegeven, dat het college in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar een passage had willen wijden aan de thans bestaande feitelijke situatie ter plaatse in relatie tot het vigerende planologische regime ten gevolge van een inmiddels genomen en van kracht geworden voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, is – anders dan het college betoogt - geen omstandigheid die de rechtbank had moeten weerhouden om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf te voorzien.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voorzover aangevallen, te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

58-439.