Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0888

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200302255/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 augustus 2002 heeft appellant de aanvraag van [wederpartij] om verstrekking van een gehandicaptenparkeerkaart afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200302255/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Emmen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Assen van 25 februari 2003 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2002 heeft appellant de aanvraag van [wederpartij] om verstrekking van een gehandicaptenparkeerkaart afgewezen.

Bij besluit van 10 oktober 2002 heeft appellant het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 februari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat appellant binnen vier weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] beslist. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.P. Rohrich, ambtenaar der gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (hierna: de Regeling) kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met gebruikmaking van de gebruikelijke loopmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder.

2.2. Aan zijn beslissing op bezwaar heeft appellant, met verwijzing naar een terzake door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Drenthe (hierna: GGD) opgemaakt advies, ten grondslag gelegd dat hoewel het loopvermogen van [wederpartij] beperkt is, zij niet voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder. Zij kan met krukken zelfstandig lopen, aldus appellant.

2.3. Niet in geschil is dat er sprake is van een loopbeperking als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling, dat wil zeggen dat [wederpartij] niet in staat kan worden geacht een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen. Uitsluitend is in geschil de vraag of voldaan is aan de eveneens in die bepaling gestelde norm van continue afhankelijkheid van de hulp van de bestuurder.

2.4. Appellant heeft betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat laatstbedoelde norm - continue afhankelijkheid van de hulp van de bestuurder – niet op zichzelf staat en dat niet reeds indien daaraan wordt voldaan aanspraak kan worden gemaakt op een gehandicaptenparkeerkaart. Deze norm is een fysiek criterium dat betrekking heeft op de loopbeperking. Het is een aanscherping van het daarvoor genoemde 100 meter-criterium, aldus appellant.

2.5. Anders dan appellant kennelijk meent heeft de rechtbank niet geoordeeld dat reeds de enkele afhankelijkheid van de bestuurder grond kan opleveren voor toekenning van een gehandicaptenparkeerkaart. De rechtbank heeft eerst vastgesteld dat [wederpartij] een loopbeperking heeft, zodanig dat zij niet in staat is een afstand van 100 meter te overbruggen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling, om pas daarna een oordeel te geven over de vraag of [wederpartij] tevens voldoet aan het criterium van continue afhankelijkheid van hulp van de bestuurder. Voorzover appellant heeft bedoeld te betogen dat ook dit criterium betrekking heeft op de medische beperkingen van [wederpartij], is dat betoog juist, doch kan het niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Uit de tekst noch de strekking van genoemde bepaling valt immers op te maken dat, zoals appellant aanvoert, dit criterium uitsluitend betrekking heeft op de daarvoor genoemde loopbeperking. Die uitleg heeft de rechtbank terecht strijdig met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling geacht.

In dit licht bezien heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant onvoldoende oog heeft gehad voor de zorgvuldige voorbereiding van de beslissing op bezwaar, en in dat verband gewezen op de in het advies van de GGD aangehaalde overige medische beperkingen van [wederpartij], zoals het niet zelfstandig kunnen opstaan uit een lage (auto)stoel en de noodzaak om de benodigdheden voor haar stoma voorhanden te hebben, welke beperkingen mee kunnen brengen dat [wederpartij] voor het vervoer van deur naar deur afhankelijk zou kunnen zijn van de continue hulp van de bestuurder. Behalve aan de hand van de vastgestelde loopbeperking had het op de weg van appellant gelegen om ook aan de hand van alle overige medische omstandigheden te beoordelen of [wederpartij] aan de in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling bedoelde criteria voldeed om in aanmerking te kunnen komen voor een gehandicaptenparkeerkaart.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank evenzeer terecht geoordeeld dat de beslissing op bezwaar in strijd is genomen met de Regeling en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Matulewicz

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

45-402.