Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0874

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200302197/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Driebergen-Rijsenburg aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het bouwen van een werkplaats op het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie [-], nr. [-], plaatselijk bekend [locatie].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302197/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 24 februari 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Driebergen-Rijsenburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Driebergen-Rijsenburg (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het bouwen van een werkplaats op het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie [-], nr. [-], plaatselijk bekend [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 december 2001 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 februari 2003, verzonden op 25 februari 2003, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 1 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 3 april 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 4 augustus 2003 heeft vergunninghouder een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door B.J. ter Horst, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar gehoord de vergunninghouder, bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Kom Driebergen” (hierna: het bestemmingsplan). Daarin heeft het perceel de bestemming “Winkel”.

Ingevolge artikel 2.03-1 van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor detailhandelsbedrijven en dienstverlenende bedrijven en/of instellingen met een baliefunctie alsmede voor wonen in verband hiermee, met de daartoe nodige gebouwen, andere bouwwerken en andere werken, benevens voor tuinen en erven.

Ingevolge artikel 2.03-2a van de planvoorschriften mogen – voor zover hier van belang – op deze gronden uitsluitend gebouwen en/of andere bouwwerken worden gebouwd, welke blijkens aard en indeling rechtstreeks en uitsluitend ten dienste staan van de sub 2.03-1 genoemde doeleinden.

Ingevolge artikel 2.03.2c van de planvoorschriften bedraagt de goothoogte van deze gebouwen maximaal 6.50 meter.

Ingevolge artikel 1.1-u van de planvoorschriften wordt verstaan onder detailhandelsbedrijf een bedrijf dat uitsluitend of overwegend is gericht op de bedrijfsmatige verkoop van goederen, direct ten dienste van particulier verbruik en/of gebruik.

2.2. In geschil is het antwoord op de vraag of het college terecht vergunning heeft verleend voor de bouw van de onderhavige werkplaats, ter vervanging van de bestaande werkplaats op het perceel.

2.3. Appellanten betogen dat de beoogde werkplaats niet past binnen de bestemming “Winkel”, omdat het bedrijf van vergunninghouder niet uitsluitend en in overwegende mate gericht is op de bedrijfsmatige verkoop van goederen en het gebouw niet rechtstreeks en uitsluitend ten dienste staat van een detailhandelsbedrijf.

Gelet op de omvang van de reparatiewerkzaamheden, werpen appellanten niet zonder grond de vraag op of in het onderhavige geval sprake is van een detailhandelsbedrijf. Niettemin heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Voor dat oordeel is van belang dat ter plaatse reeds sedert 1961 een motorenhandel met werkplaats is gevestigd die - na inventarisatie van het winkelbestand in de gemeente - bij vaststelling van het bestemmingsplan de bestemming “Winkel” heeft gekregen. Voorts is niet gebleken dat de aard van de bedrijfsactiviteiten sedertdien is gewijzigd. De enkele omstandigheid dat het bouwplan voorziet in een werkplaats die - wat vloeroppervlakte betreft - enigszins groter is dan de huidige werkplaats, kan niet leiden tot de conclusie dat reeds daarom sprake is van een wijziging in de aard van die activiteiten. Gelet hierop en op vorenbedoelde historisch gegroeide situatie, dient geoordeeld te worden dat het bouwplan in overeenstemming is met de bestemming “Winkel”.

2.4. Appellanten betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan deels is gesitueerd op het naastgelegen perceel, [locatie], welk perceel de bestemming “Woning” heeft en dat om die reden sprake is van strijd met de planvoorschriften. Dit betoog faalt, nu zowel uit de bouwtekening behorend bij het besluit van 20 juli 2001, als uit de - naar het college ter zitting heeft toegelicht - aangepaste bouwtekening met een akkoord van Bouw- en Woningtoezicht van 9 oktober 2001 blijkt dat het bouwplan geheel binnen de bestemming “Winkel” is gesitueerd.

2.5. De rechtbank heeft voorts, anders dan appellanten menen, terecht en op goede gronden geoordeeld dat het bepaalde in artikel 2.03-2c van de planvoorschriften van toepassing is op de hoogte van het onderhavige bouwwerk. Het betoog van appellanten dat de toegestane hoogte van het bouwwerk is geregeld in artikel 2.03-2j van de planvoorschriften - dat ziet op erfscheidingen, tuinmuren en schuttingen - omdat de onderhavige werkplaats gedeeltelijk als erfscheiding fungeert, miskent dat laatstgenoemd artikel slechts betrekking heeft op bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

71-455.