Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0853

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200301644/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) met vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) aan de besloten vennootschap Praxis B.V., gevestigd te Diemen (hierna: Praxis), bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsruimte ten behoeve van een bouwmarkt, gelegen op een perceel aan de Laan van ’s-Gravenmade te Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301644/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap Hornbach Bouwmarkt (Nederland) B.V., gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 12 februari 2003 in het geding tussen:

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) met vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) aan de besloten vennootschap Praxis B.V., gevestigd te Diemen (hierna: Praxis), bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsruimte ten behoeve van een bouwmarkt, gelegen op een perceel aan de Laan van ’s-Gravenmade te Den Haag.

Bij besluit van 20 november 2002 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 februari 2003, verzonden op 21 februari 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 12 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 mei 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 16 juni 2003 heeft Praxis een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G.H.J. Heutink en mr. N.F. Oppedijk van Veen, beiden advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door drs. M. Houtman, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Praxis, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een winkelruimte van ruim 5000 m2 ten behoeve van een bouwmarkt aan de Laan van ’s-Gravenmade te Den Haag.

2.2. Vast staat dat het project in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Hoornwijck”. Ingevolge dit bestemmingsplan hebben de gronden waarop het project betrekking heeft de bestemming “Uit te werken kantoren en bedrijfsdoeleinden (UKB)”.

Ingevolge artikel 6, lid A, onder I, sub 1, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden onder meer bestemd voor bedrijven. Krachtens artikel 6, lid A, onder III, van de planvoorschriften dienen burgemeester en wethouders overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de WRO, de in lid A bedoelde bestemming –UKB- uit te werken met inachtneming van de procedure als omschreven in lid I van artikel 24.

Het bouwen van bouwwerken dient ingevolge artikel 6, lid A, onder III, sub b, van de planvoorschriften te geschieden overeenkomstig een door burgemeester en wethouders uitgewerkt plan dat rechtskracht heeft verkregen. Zolang een dergelijke uitwerking niet is goedgekeurd mogen de bouwwerken slechts worden opgericht indien het bouwplan kan worden ingepast in een ontwerp dan wel in een door burgemeester en wethouders vastgestelde uitwerking en gedeputeerde staten vooraf schriftelijk hebben verklaard dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben.

2.3. Vaststaat dat de bestemming “Uit te werken kantoren en bedrijfsdoeleinden (UKB)” niet is uitgewerkt. Een (ontwerp-) uitwerkingsplan is niet voorhanden. Bovendien past het bouwplan niet binnen deze nog uit te werken bestemming. Gelet daarop bestond geen mogelijkheid om op basis van een ontwerp-uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 6, lid A, onder III, sub b, van de planvoorschriften, de zogeheten vooruitloopregeling, het bouwverbod te doorbreken en het bouwplan mogelijk te maken. Het betoog van appellante dat ten onrechte geen gebruik is gemaakt van de vooruitloopregeling berust dan ook op een misvatting. Anders dan appellante heeft betoogd, valt niet in te zien waarom in een dergelijk geval niet met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend.

2.4. Het betoog van appellante, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de door het college gegeven ruimtelijke onderbouwing van het vrijstellingsbesluit voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld, faalt.

2.4.1. In de beslissing op bezwaar heeft het college overwogen dat gedeputeerde staten van Zuid-Holland in hun besluit tot goedkeuring van het voormelde bestemmingsplan “Hoornwijck” in 1996 nadrukkelijk niet hebben uitgesloten dat aan de vestiging van grootschalige detailhandel op het bedrijventerrein Hoornwijck in de toekomst medewerking kan worden verleend, onder de voorwaarde dat nader onderzoek wordt verricht naar de gevolgen daarvan voor bestaande vestigingsplaatsen. Uit het ten behoeve van het project uitgevoerde “Distributie planologisch onderzoek” van 24 mei 2000, blijkt dat er op regioniveau meer dan voldoende ruimte is voor nieuw bouwmarktaanbod, in het bijzonder nabij onder meer de Vinexlocatie Ypenburg, die op korte afstand van de Praxisvestiging is gelegen.

2.4.2. Appellante betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan zich verdraagt met het op 20 februari 2002 vastgestelde “Regionaal structuurplan Haaglanden” (hierna: het RSP). Blijkens paragraaf 2.5.1 van het RSP is voor de detailhandel de “Regionale structuurvisie detailhandel” van 27 juni 2001 (hierna: de RSV) maatgevend. In de RSV (pagina 40 en 44) is de mogelijkheid tot vestiging van bouwmarkten buiten de voor perifere en grootschalige detailhandelsvoorzieningen aangewezen locaties (hierna: PDV/GDV-locaties) uitdrukkelijk opengelaten. Zowel in de RSV (tabel A) als in het RSP (paragraaf 2.5.1, onder c) is voorts aangegeven dat er in de agglomeratie Den Haag 20.000 m2 ruimte is voor nieuwe bouwmarkten, waarvoor – anders dan voor de overige volumineuze detailhandelbranches – geen specifieke locaties zijn aangewezen. De nabijheid van de VINEX-locatie Ypenburg wordt in dit verband als mogelijke locatie genoemd om de stadsgewestelijke behoefte aan bouwmarkten op te vangen. Gelet hierop is het feit dat Hoornwijck in het RSP niet als PDV- dan wel GDV-locatie is vermeld, niet van betekenis. Nu de onderhavige locatie is gelegen in de directe nabijheid van Ypenburg, kan niet worden staande gehouden dat het project zich niet met de RSV verdraagt. Nu de RVS voor het RSP maatgevend is, geldt datzelfde voor het RSP.

2.4.3. Hoewel sprake is van een niet-onaanzienlijke inbreuk op de bestaande planologische situatie, heeft de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande terecht geoordeeld dat de gegeven ruimtelijke onderbouwing van het project de rechterlijke toets kan doorstaan.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Roosmalen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

27-422.