Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0849

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200303439/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helmond (hierna: het college) geweigerd met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, in samenhang met artikel 20, eerste lid, van het Bro, vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het wijzigen van het plat dak van de garage in een kap op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303439/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 11 april 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Helmond.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helmond (hierna: het college) geweigerd met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, in samenhang met artikel 20, eerste lid, van het Bro, vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het wijzigen van het plat dak van de garage in een kap op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 augustus 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 25 februari 2002 herroepen en alsnog geweigerd met toepassing van artikel 19, derde lid van de WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, van het Bro vrijstelling en bouwvergunning te verlenen.

Bij uitspraak van 11 april 2003, verzonden op 15 april 2003, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 23 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2003, waar [een der appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. H.J.P. van Erp, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten betogen terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bezwaarschriftencommissie bij brief van 3 juli 2002 heeft geadviseerd het besluit van 2 oktober 2001 wegens een motiveringsgebrek te herroepen en de gevraagde bouwvergunning alsnog te weigeren. Blijkens het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft zij slechts geadviseerd het bezwaarschrift gegrond te verklaren. Nu deze overweging van de rechtbank echter geen betrekking heeft op de inhoudelijke beoordeling van de bestreden beslissing op bezwaar, kan dit geen reden zijn tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.2. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het onwenselijk is om gezien de samenhang met de overige bebouwing aan de Julianalaan voor het onderhavige bouwplan een uitzondering te maken op de regeling dat bijgebouwen een platte dakvorm dienen te hebben. Daarbij neemt zij in aanmerking dat zowel het bestemmingsplan “Herziening Aarle-Rixtelseweg en omgeving/[locatie]”, dat geldt voor het perceel, als het bestemmingsplan “Aarle-Rixtelseweg en omgeving” dat geldt voor de Julianalaan en de Schubertlaan, op bijgebouwen slechts platte daken toestaat. Aan appellanten kan worden toegegeven dat, nu het hier een hoekwoning betreft, het daarbij geplande bijgebouw in één lijn staat met de hoofdgebouwen in de Schubertlaan, die wel van een kap zijn voorzien. Dit kan echter niet leiden tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan het hiervoor genoemde planologische regime.

2.3. Anders dan appellanten hebben betoogd is niet gebleken dat het college geweigerd heeft vrijstelling te verlenen enkel omdat er een zienswijze is ingediend naar aanleiding van het ter inzage gelegde bouwplan en zonder dat daaraan een belangenafweging ten grondslag heeft gelegen. Derhalve treft de grief dat de bestreden beslissing in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen geen doel.

2.4. Het hoger beroep van appellant is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Haan

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

58-398.