Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0833

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200303522/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2003, kenmerk RO2V06068, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouders] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkrundveehouderij op het perceel [locatie] in de [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummer [-]. Dit besluit is op 28 april 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/270
JBO 2005/270

Uitspraak

200303522/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2003, kenmerk RO2V06068, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouders] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkrundveehouderij op het perceel [locatie] in de [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummer [-]. Dit besluit is op 28 april 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. J.C.P.J.M. Vergouwen, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is een revisievergunning verleend voor een melkrundveehouderij, waarbij ten opzichte van de vigerende vergunning de varkensstallen achter de woning worden omgebouwd naar een jongveestal en berging, de melkveestal 90° is gedraaid en de huidige jongveestal zal worden omgebouwd naar machineberging en werkplaats. In de inrichting zullen in plaats van varkens meer melkkoeien en jongvee worden gehouden.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellant heeft bezwaar tegen de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.3-1.5 en tegen de combinatie van deze voorschriften met voorschrift 1.6. Volgens appellant acht verweerder een bodemonderzoek in de inrichting ten onrechte noodzakelijk. Het gaat hier volgens appellant slechts om een melkrundveehouderij zonder activiteiten die de bodem zouden kunnen bedreigen. Appellant acht het een veel te zware onderzoeksverplichting voor zijn inrichting, waarover verweerder zelf heeft opgemerkt dat het een bedrijf is met een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. De bodemonderzoeken zijn te duur en derhalve onredelijk bezwarend, aldus appellant. Bovendien heeft verweerder enkel bij zijn bedrijf dergelijke onderzoeken geëist, hetgeen volgens appellant in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

2.4. Verweerder staat op het standpunt dat binnen de inrichting wel degelijk bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Het betreft de aanwezigheid van een dieselolietank van 1800 liter met tankplaats, de opslag van bestrijdingsmiddelen en enkele vaten met olie. Op deze activiteiten is de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (hierna: de NRB) van toepassing. Het preventieve bodembeschermingsbeleid dat in de NRB is uitgewerkt, gaat er volgens verweerder van uit dat (zelfs) de maatregelen en voorzieningen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig kunnen uitsluiten dat onverhoopt een belasting van de bodem optreedt. Om die reden blijft bodembelastingonderzoek in de vorm van een nulsituatie-bodemonderzoek, eventueel een herhalingsonderzoek en een eindsituatie-bodemonderzoek noodzakelijk, aldus verweerder.

2.5. De voorschriften 1.3 tot en met 1.6 zien op de uitvoering van een nulsituatie-bodemonderzoek, een herhalingsonderzoek, een eindsituatie-bodemonderzoek en op het treffen van bodembeschermende voorzieningen/maatregelen.

In voorschrift 1.3.1 is bepaald dat binnen 5 maanden na het van kracht worden van de vergunning een nulsituatie-bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd. Het nulsituatie-bodemonderzoek kan zich beperken tot de delen van de inrichting waarvan het redelijkerwijs niet is uitgesloten dat zich daar na het van kracht worden van de vergunning bodemverontreiniging kan voordoen dan wel de delen waarvan het niet is uitgesloten dat daar in het verleden met verontreinigde stoffen is gewerkt. Het onderzoek moet tenminste voldoen aan de eisen van het protocol voor gecombineerd bodemonderzoek “Bodemonderzoek Milieuvergunningen en BSB”, Sdu Uitgeverij Koninginnegracht, Den Haag, oktober 1993, ISBN 9012081181.

In voorschrift 1.4.1 is bepaald dat een herhalingsonderzoek dient te worden uitgevoerd op aanwijzing van het bevoegd gezag nadat een redelijk vermoeden van bodemverontreiniging is ontstaan. Het onderzoek dient betrekking te hebben op de door het bevoegd gezag aan te wijzen locaties binnen de inrichting en te worden uitgevoerd conform het protocol voor gecombineerd bodemonderzoek “Bodemonderzoek Milieuvergunningen en BSB”, Sdu Uitgeverij Koninginnegracht, Den Haag, oktober 1993, ISBN 9012081181.

In voorschrift 1.5.1 is bepaald dat bij het beëindigen van een bodembedreigende activiteit dan wel 2 maanden voor het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten een eindsituatie-bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd. Het eindsituatie-bodemonderzoek moet worden verricht ter plaatse van de tijdens het nulsituatie-bodemonderzoek onderzochte locaties. Het onderzoek moet tenminste voldoen aan de eisen van het protocol voor gecombineerd bodemonderzoek “Bodemonderzoek Milieuvergunningen en BSB”, Sdu Uitgeverij Koninginnegracht, Den Haag, oktober 1993, ISBN 9012081181.

2.6. Uit de aanvraag blijkt dat 1800 liter diesel in een tank die geplaatst is in een lekbak is aangevraagd. Voorts zijn er reinigingsmiddelen in een kast aanwezig (75 liter en 25 kilo) en worden bestrijdingsmiddelen (eveneens 75 liter en 25 kilo) in een afsluitbare kast opgeslagen. Verder worden er volgens de aanvraag nog drie vaten olie in lekbakken in de inrichting opgeslagen.

Verweerder heeft ter bescherming van het milieu onder andere ten aanzien van de bovengrondse stalen tank (hoofdstuk 3), de opslag van vloeistoffen in emballage (hoofdstuk 4), de opslag van reinigingsmiddelen (hoofdstuk 5) en bestrijdingsmiddelen (hoofdstuk 9) voorschriften aan de vergunning verbonden.

Ter zitting is gebleken, dat de olietank is gesitueerd in een lekbak boven de mestkelder in één van de stallen waarin de varkens werden gehuisvest. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat het niet nodig is dat onderzoek naar de aanwezigheid van enigerlei verontreiniging wordt verricht onder de vloer van de mestkelder of bij voederopslagplaatsen. Voor die locaties is uitdrukkelijk geen bodemonderzoek voorgeschreven, aldus verweerder. Het gaat volgens hem uitsluitend om de plaats van de dieselolietank, de kast met bestrijdingsmiddelen en reinigingsmiddelen en de vaten met olie.

Gelet op de tekst van voorschrift 1.3.1, waar wordt voorgeschreven dat onderzoek moet worden verricht bij delen van de inrichting waarvan het redelijkerwijs niet is uitgesloten dat zich daar na het van kracht worden van de vergunning bodemverontreiniging kan voordoen dan wel de delen waarvan het niet is uitgesloten dat daar in het verleden met verontreinigde stoffen is gewerkt, is de Afdeling van oordeel dat de uitleg van verweerder ter zitting een evident beperktere uitleg van voorschrift 1.3.1 is dan op grond van de tekst van dit voorschrift moet worden aangenomen. Nu niet duidelijk is welke verplichtingen voor vergunninghouder precies uit voorschrift 1.3.1 voortvloeien, is dit voorschrift strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel. Nu de voorschriften 1.4 en 1.5 samenhangen met voorschrift 1.3 komen zij eveneens voor vernietiging in aanmerking.

Voorts overweegt de Afdeling dat het feit dat de regionale milieudienst tegenwoordig standaard aanbeveelt deze voorschriften aan een milieuvergunning te verbinden, verweerder niet ontslaat van de verplichting in het concrete geval te onderzoeken of deze voorschriften, naast de voorschriften uit de hoofdstukken 3, 4, 5 en 9 van de vergunning en voorschrift 1.6 waarin bodembeschermende voorzieningen of maatregelen worden geëist, noodzakelijk zijn.

Ten aanzien van de kast met bestrijdingsmiddelen overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat in deze kast geen bestrijdingsmiddelen ten behoeve van de landbouw worden opgeslagen. Deze worden door de loonwerker meegebracht. Verweerder heeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd welk risico voor bodemverontreiniging de opslag van deze middelen meebrengt. Het besluit is in zoverre ook in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verder is de Afdeling met betrekking tot het bodemonderzoek onder de dieselolietank van oordeel dat het, gelet op het feit dat de olietank boven een mestkelder is geplaatst, voor appellant onredelijk bezwarend is indien hij hieronder een bodemonderzoek zou moeten uitvoeren.

2.7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het de voorschriften 1.3, 1.4 en 1.5 betreft.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal van 8 april 2003, kenmerk R02V06068, voorzover het de voorschriften 1.3, 1.4 en 1.5 betreft;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Roosendaal te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de gemeente Roosendaal aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.I. van Koten, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Koten

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

324.