Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0832

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200301311/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juli 2002, kenmerk ME/EP/RE/02010971, heeft verweerder, in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, krachtens artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 25a van het Lozingenbesluit bodembescherming voor een periode van vier jaar aan appellante een vergunning verleend voor het veranderen van een gasdroog- en waterinjectie-installatie, alsmede het lozen van afvalwaterstromen in de bodem op de locatie "Dalen 1/8", aan de Galgaten te Dalen, kadastraal bekend gemeente Dalen, sectie I, nummers 773 en 774. De gevraagde vergunning is geweigerd voor het injecteren in de diepe ondergrond van putstimulatievloeistoffen en sulfinolhoudend spoelwater.

Dit besluit is op 16 januari 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200301311/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.", gevestigd te Assen,

appellante,

en

de minister van Economische Zaken,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2002, kenmerk ME/EP/RE/02010971, heeft verweerder, in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, krachtens artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 25a van het Lozingenbesluit bodembescherming voor een periode van vier jaar aan appellante een vergunning verleend voor het veranderen van een gasdroog- en waterinjectie-installatie, alsmede het lozen van afvalwaterstromen in de bodem op de locatie "Dalen 1/8", aan de Galgaten te Dalen, kadastraal bekend gemeente Dalen, sectie I, nummers 773 en 774. De gevraagde vergunning is geweigerd voor het injecteren in de diepe ondergrond van putstimulatievloeistoffen en sulfinolhoudend spoelwater.

Dit besluit is op 16 januari 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 25 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2003, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. M. Mezger, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

Voorts zijn daar gehoord: het college van gedeputeerde staten van Drenthe, vertegenwoordigd door mr. L.A.E. van Dijk, ing. K.J. van den Berg en ing. M.J. Power, allen ambtenaar van de provincie, en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, vertegenwoordigd door ir. R.B.J. van Zwieten, ambtenaar van het ministerie.

2. Overwegingen

2.1. Gelet op het overgangsrecht zoals dat is neergelegd in artikel XIV van de Wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de Wet milieubeheer (Stb. 346), dient de aanvraag voor de onderhavige vergunning te worden getoetst aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wet van 21 juni 2001.

Ingevolge artikel 22.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer (oud) is, voorzover hier van belang, hoofdstuk 8 van deze wet mede van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Mijnwet 1903, voorzover het betreft afvalstoffen die van buiten de betrokken inrichting afkomstig zijn, dan wel gevaarlijke afvalstoffen.

Op grond van artikel 8.2, derde lid, van de Wet milieubeheer (oud) is verweerder bevoegd te beslissen op een aanvraag om een vergunning voor een bij een mijn behorende bovengronds gelegen inrichting die is aangewezen krachtens artikel 9, eerste lid, onder a, van de Mijnwet 1903.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming – zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit – is het verboden een lozing van overige vloeistoffen in de bodem uit te voeren. Ingevolge het tweede lid kan het bevoegd gezag voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, op daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien wordt aangetoond dat:

a. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van afvoer van de vloeistof niet mogelijk is en

b. in de overige vloeistoffen geen stoffen voorkomen als bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlage III, of deze stoffen daarin voorkomen met een - wat betreft de stoffen van lijst I zodanig geringe toxiciteit, persistentie en (bio)accumulatie, of – wat betreft de stoffen van lijst II – zodanig geringe schadelijke werking dat ook op de lange termijn geen gevaar voor verontreiniging van de bodem bestaat.

Ingevolge het derde lid wordt een besluit inzake een ontheffing waaromtrent ingevolge artikel 3, vierde lid, verweerder dient te beslissen, niet genomen dan in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister van VROM).

Ingevolge artikel 25a, eerste lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 25, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a en b, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar. Ingevolge het tweede lid is, voorzover hier van belang, artikel 25, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

2.2. Appellante kan zich niet verenigen met de gedeeltelijke weigering van de gevraagde vergunning. Samengevat weergegeven voert zij aan dat ook de injectie in de diepe ondergrond van de geweigerde afvalstromen kan worden aangemerkt als een milieuhygiënische en doelmatige verwijdering van afvalstoffen. Appellante stelt dat het bestreden besluit de nodige motivering en zorgvuldigheid ontbeert.

2.2.1. Bij een op 26 september 2002 verzonden besluit, kenmerk 2002076618, heeft de minister van VROM een verklaring van geen bedenkingen (hierna: een vvgb) afgegeven als bedoeld in artikel 8.36, eerste lid, van de Wet milieubeheer (oud) in verband met de behandeling van een aanvraag van appellante om een door het college van gedeputeerde staten van Drenthe te verlenen veranderingsvergunning voor de onderhavige inrichting. Daarbij heeft de minister van VROM verklaard bedenkingen te hebben tegen het injecteren in de diepe ondergrond van putstimulatievloeistoffen en sulfinolhoudend spoelwater voorzover deze afvalstoffen worden aangemerkt als gevaarlijke afvalstoffen. In zoverre heeft de minister van VROM dan ook geweigerd een vvgb af te geven.

Alvorens verweerder de in het geding zijnde vergunning kon verlenen, behoefde de minister van VROM geen vvgb af te geven. Blijkens de considerans van het bestreden besluit heeft verweerder de gedeeltelijke weigering van de gevraagde vergunning echter geheel gebaseerd op het door de minister van VROM gehanteerde beleid, zoals dat tot uiting komt in het ontwerp van de vvgb dat dateert van vóór het bestreden besluit. De motivering van verweerder is derhalve gebaseerd op de overwegingen van de ontwerp-vvgb van de minister van VROM. Deze ontwerp-vvgb stemt in zoverre geheel overeen met de hiervoor genoemde definitieve vvgb die is afgegeven bij het op 26 september 2002 verzonden besluit.

2.2.2. Bij uitspraak van heden, no. 200301307/1, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister van VROM in de definitieve vvgb met de enkele verwijzing naar beleidsuitgangspunten en met de enkele stelling dat bovengrondse verwerking a priori doelmatiger is, niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat verwijdering van putstimulatievloeistoffen en sulfinolhoudend spoelwater door middel van injectie in de diepe ondergrond minder doelmatig zou zijn dan de bovengrondse verwerking daarvan.

Gelet op het vorenstaande kan ook het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.3. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij is geweigerd vergunning te verlenen voor het injecteren van putstimulatievloeistoffen en sulfinolhoudend spoelwater in de diepe ondergrond. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen.

2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de minister van Economische Zaken van 29 juli 2002, kenmerk ME/EP/RE/02010971, voorzover daarbij is geweigerd vergunning te verlenen voor de injectie van putstimulatievloeistoffen en sulfinolhoudend spoelwater in de diepe ondergrond;

III. draagt de minister van Economische Zaken op binnen zeventien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Economische Zaken) aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Kuipers

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

271-335.