Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0824

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200301272/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2000 heeft de Informatie Beheer Groep een verzoek van appellant om de titel ingenieur (afgekort tot ir.) te mogen voeren, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301272/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 22 januari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de Informatie Beheer Groep.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2000 heeft de Informatie Beheer Groep (hierna: de IBG) een verzoek van appellant om de titel ingenieur (afgekort tot ir.) te mogen voeren, afgewezen.

Bij besluit van 21 mei 2001 heeft de IBG het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 januari 2003, verzonden op die dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 april 2003 heeft de IBG van antwoord gediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft appellant van repliek gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door [decaan] van het “Joke Smit College” in Amsterdam, en de IBG, vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee, medewerker van de IBG, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7.20, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) is degene die met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een opleiding met een studielast van ten minste 168 studiepunten dan wel, wat betreft de opleidingen genoemd in artikel 7.4, derde lid, een examen waarmee een deel van de opleiding dat ten minste 168 studiepunten bedraagt wordt afgesloten, heeft afgelegd, gerechtigd tot het voeren van de titel ingenieur, afgekort tot ir., indien het wetenschappelijk onderwijs betreft op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving of op het gebied van de techniek.

Ingevolge artikel 7.23, derde lid, van de WHW kan de IBG aan degene die op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een titel heeft verkregen, die niet in de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling is opgenomen, toestaan in de plaats van die titel in Nederland één van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere titel is verkregen, naar het oordeel van de IBG ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.

2.1.1. Ter invulling van de beoordelingsvrijheid die de IBG op grond van artikel 7.23, derde lid, van de WHW toekomt, hanteert zij de vaste gedragslijn dat de gelijkwaardigheid van een opleiding aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs wordt vastgesteld aan de hand van het eindniveau van de opleiding, met als weegfactoren de opleidingsvereisten, de nominale studieduur en de nominale studieomvang. De overeenkomstigheid van de opleiding wordt vastgesteld aan de hand van de vraag of voor de buitenlandse opleiding een soortgelijke Nederlandse opleiding bestaat, blijkend uit de bestudeerde vakken, de aanwezigheid van een stage- en/of thesisverplichting, het opleidingskarakter en de opleidingsdoelstelling.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak is de beslissing op bezwaar - die strekt tot handhaving van de afwijzing van een verzoek van appellant om in Nederland de titel ingenieur te mogen voeren - vernietigd wegens strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en is bepaald dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand blijven. Het hoger beroep kan niet anders worden begrepen dan dat het zich beperkt tot de uitspraak van de rechtbank, voorzover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.3. Appellant heeft betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat de IBG in haar beoordeling ten onrechte het niveau van het Russische onderwijs in de richting ruimtevaart en militaire luchtvaart, waarin appellant een opleiding heeft voltooid, buiten beschouwing heeft gelaten.

2.3.1. Dit betoog treft doel. Nu vast staat dat aan appellant, voor de door hem op het Moskous Staatsinstituut voor de Luchtvaart (technische universiteit) gevolgde opleiding, de titel “radiotechnisch ingenieur” is toegekend, dient beantwoording van de vraag, of hem kan worden toegestaan in Nederland de titel ingenieur te voeren, overeenkomstig artikel 7.23, derde lid, van de WHW en het terzake door de IBG gevoerde beleid te worden beantwoord aan de hand van een vergelijking van die opleiding met een overeenkomstige Nederlandse opleiding in het wetenschappelijk onderwijs. De IBG heeft, evenals de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic) in de door haar uitgebrachte adviezen, de uitgevoerde vergelijking echter vooral gebaseerd op het niveau van Russische vooropleidingen en het door appellant gevolgde postdoctorale onderwijs; voorzover de IBG en Nuffic de opleiding, op grond waarvan appellant zijn titel heeft verkregen, al in een vergelijking hebben betrokken, beperkt dat zich tot een beschrijving en typering van het Russisch hoger onderwijs in het algemeen in plaats van - zoals artikel 7.23, derde lid, van de WHW en het beleid van de IBG meebrengen - een waardering van de door appellant voltooide opleiding in het bijzonder.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, kan gelet op het hiervoor overwogene niet tot de conclusie worden gekomen dat de beslissing op bezwaar van 21 mei 2001 niet is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

2.4. Het hoger beroep is gegrond en de uitspraak van de rechtbank dient, voorzover aangevallen, te worden vernietigd. Gegeven de beperking van het voorliggende hoger beroep en in aanmerking genomen dat de IBG geen hoger beroep heeft ingesteld, dient appellant - voordat de IBG een nieuwe beslissing op bezwaar neemt - alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om te worden gehoord.

2.5. De IBG dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 22 januari 2003, AWB 01/2249 WET, voorzover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van de bij die uitspraak vernietigde beslissing op bezwaar van 21 mei 2001, kenmerk KER0120.01/BBJ/OWD 00474, in stand blijven;

III. veroordeelt de Informatie Beheer Groep in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 33,37; het bedrag dient door de Informatie Beheer Groep te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de Informatie Beheer Groep aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 165,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Schuurman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003.

282.