Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0819

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200301022/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere aan [partij] ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Wet op de openluchtrecreatie voor een periode van vijf jaar ontheffing verleend voor kleinschalig kamperen bij het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301022/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 29 januari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) aan [partij] ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Wet op de openluchtrecreatie voor een periode van vijf jaar ontheffing verleend voor kleinschalig kamperen bij het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 23 april 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 januari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 17 februari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 mei 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 24 juli 2003 heeft [partij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg, en het college, vertegenwoordigd door M. Dekker, ambtenaar der gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [belanghebbenden], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: Wor) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wor, kunnen burgemeester en wethouders van dat verbod ontheffing verlenen voor het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste tien kampeermiddelen.

Ingevolge artikel 8, derde lid, van de Wor kunnen burgemeester en wethouders in afwijking daarvan voor door hen per kalenderjaar vast te stellen korte perioden het aantal toe te laten kampeermiddelen verhogen tot ten hoogste vijftien.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wor, voor zover van belang, kan een ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, slechts worden verleend voor zover het bestemmingsplan zich er niet tegen verzet.

2.2. Ter uitvoering van de Wor zijn in de “Beleidsvisie kleinschalig kamperen c.a. gemeente Veere”, vastgesteld op 11 juni 1998, (hierna: Beleidsvisie) de “algemene randvoorwaarden inrichting en gebruik kleinschalig kamperen” opgenomen. Een van die randvoorwaarden is de eis dat het kampeerterrein op een afstand van minimaal vijftig meter van omwonenden is gelegen.

2.3. Hoofdstuk 10 van de Beleidsvisie luidt, voor zover van belang, als volgt:

”In principe moeten de bestaande kleinschalige kampeerterreinen (gaan) voldoen aan het beleid zoals dat voor nieuwvestiging wordt vastgesteld. Het is echter mogelijk dat een bestaand terrein bijvoorbeeld in een uitgesloten zone is gelegen dan wel geen agrarisch bouwblok verkrijgt. Voor dat soort situaties zal een overgangsregeling gelden, waardoor het ter plaatse aanwezige kleinschalige kampeerterrein gehandhaafd kan blijven.

Ten aanzien van de overige inrichtings- en gebruikseisen (standplaatsoppervlakte, beplanting e.d.) dienen de bestaande kleinschalige kampeerterreinen uit een oogpunt van kwaliteitsverbetering in principe binnen 3 jaar aan de eisen te gaan voldoen voor zover dat nog niet het geval is.”

2.4. In hoger beroep heeft appellant zijn bij de rechtbank aangevoerde betoog herhaald, inhoudende dat de op 17 december 2001 verleende ontheffing ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wor wegens strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied Mariekerke” niet had mogen worden verleend.

2.5. Het bestemmingsplan “Buitengebied Mariekerke” was van kracht ten tijde van de eerder op 19 maart 1999 verleende ontheffing voor de exploitatie van de minicamping. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan “Buitengebied Veere” voor de locatie waarop de minicamping is gesitueerd, op 30 november 1999 rechtskracht heeft verkregen. De Afdeling komt derhalve tot het oordeel dat het bestemmingsplan “Buitengebied Mariekerke” op de op 17 december 2001 verleende ontheffing toepassing mist. Uit de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2002, in zaakno. 200104179/1, (www.raadvanstate.nl) volgt dat het hiervoor genoemde bestemmingsplan “Buitengebied Veere” zich niet tegen de exploitatie van de minicamping verzet. Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wor staat derhalve niet aan de verlening van de ontheffing in de weg.

2.6. Appellant heeft voorts betoogd dat het feit dat eerder ontheffing is verleend niet wegneemt dat aan de verlening van de ontheffing een nieuwe toetsing aan de Beleidsvisie ten grondslag diende te worden gelegd. Daarbij heeft appellant aangevoerd dat in de overgangsbepalingen in de Beleidsvisie een tijdsduur van drie jaar is opgenomen. Daarna diende elke bestaande minicamping te voldoen aan de voorwaarden genoemd in de Beleidsvisie, dus ook aan de afstandseis.

2.7. De rechtbank heeft overwogen dat bedoelde afstandseis niet meer ter discussie kan staan, waar het besluit van 19 maart 1999 inmiddels formele rechtskracht heeft verkregen. Dit oordeel kan niet worden gevolgd. Het betreft een ontheffing die een beperkte tijdsduur heeft, wat meebrengt dat voor iedere daartoe strekkende nieuwe aanvraag als uitgangspunt geldt dat deze dient te worden beoordeeld met inachtneming van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, het geldende beleid en de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen. Daaraan doet niet af dat het besluit waarbij eerder ontheffing is verleend inmiddels rechtens onaantastbaar is geworden. Dit heeft de rechtbank miskend.

Voor bestaande kleinschalige kampeerterreinen geldt ingevolge hoofdstuk 10 van de Beleidsvisie dat deze in principe moeten voldoen aan het beleid voor nieuwvestiging, waarbij voor kampeerterreinen die niet aan de randvoorwaarden met betrekking tot de situering voldoen of kunnen voldoen een overgangsregeling geldt die niet aan een termijn is gebonden. Ingevolge het bepaalde in hoofdstuk 10 van de Beleidsvisie ziet de termijn van 3 jaar alleen op de overige inrichtings- en gebruikseisen waaraan kleinschalige kampeerterreinen uit het oogpunt van kwaliteitsverbetering dienen te gaan voldoen. Niet kan worden geoordeeld dat het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk 10 van de Beleidsvisie kennelijk onredelijk is. Anders dan appellant heeft betoogd, heeft de termijn van 3 jaar betrekking op kwaliteitseisen waaraan een kleinschalig kampeerterrein moet voldoen en derhalve niet op de door appellant bedoelde afstandseis. Het college behoefde daarom bij de afweging in het kader van artikel 8, tweede en derde lid, van de Wor, aan het afstandscriterium geen betekenis toe te kennen. Het betoog van appellant treft derhalve geen doel.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. E.A. Alkema en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

97-402.