Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0810

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200304029/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arcen en Velden (hierna: het college) [derde belanghebbende] te [plaats] (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor het oprichten, respectievelijk veranderen van een woning op het perceel kadastraal bekend, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie sub 1], respectievelijk [locatie sub 2] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304029/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 mei 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Arcen en Velden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arcen en Velden (hierna: het college) [derde belanghebbende] te [plaats] (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor het oprichten, respectievelijk veranderen van een woning op het perceel kadastraal bekend, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie sub 1], respectievelijk [locatie sub 2] te [plaats].

Bij besluit van 26 november 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 mei 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 22 augustus 2003 heeft vergunninghoudster een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.M.G.M. Richter, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.E.J.M. Janssen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar vergunninghoudster gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Velden-Dorp” is het perceel deels bestemd voor “Winkels met woningen” en deels bestemd voor “Tuin II”. Niet in geschil is dat het bouwplan niet in overeenstemming is met deze bestemmingen.

2.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Het bouwplan valt, anders dan appellant veronderstelt, binnen de in het kader van artikel 19, tweede lid, van de WRO aangewezen categorie, als bedoeld in onderdeel A 1, aanhef en onder a, van de door het college van gedeputeerde staten van Limburg vastgestelde lijst van gevallen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO (hierna: de lijst).

Appellant kan voorts niet worden gevolgd in het standpunt dat, voorafgaand aan de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten was vereist. Onderdeel A 2, aanhef en onder d, van de lijst is niet aan de orde, nu niet is gebleken dat het bouwplan is gesitueerd in de nabijheid van een bedrijf. Het gemeenschapshuis “[naam]” kan, anders dan appellant betoogt, niet als zodanig worden aangemerkt.

Het beroep van appellant op (de toelichting bij) onderdeel A 2, aanhef en onder f, van de lijst miskent voorts dat geen sprake is van een beschermd dorpsgezicht dan wel een monument.

Ter zitting heeft appellant het gestelde ten aanzien van onderdeel A 2, aanhef en onder h, van de lijst ingetrokken.

Hetgeen appellant overigens in dit kader heeft aangevoerd ziet niet op de toepassingsvoorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de WRO en kan dan ook reeds daarom geen doel treffen.

Tot slot kan niet worden staande gehouden dat het bouwplan een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat, mede gelet op de geringe afwijking van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, sprake is van een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing.

2.3. Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn vrijstellingsbevoegdheid, faalt.

Appellant heeft niet genoegzaam aannemelijk gemaakt dat het bouwplan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat, als gevolg van verminderde lichtinval, geluidhinder, belemmering van uitzicht en aantasting van de privacy. Voorts is niet gebleken dat zijn boerderij bij uitvoering van het bouwplan dermate in waarde zal dalen dat sprake is van een kennelijk onredelijke afweging van belangen.

Het beroep van appellant op het bepaalde in artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan evenmin slagen. Mede gelet op het verhandelde ter zitting heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de afstand tussen de door appellant bedoelde vensters en de grenslijn van zijn erf niet minder dan twee meter bedraagt.

2.4. De Afdeling begrijpt het betoog van appellant, dat door het bouwplan de prominente situering van zijn lokaal karakteristieke boerderij verloren gaat en daarmee het karakter van het dorpsbeeld wordt aangetast, aldus dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Appellant heeft ter onderbouwing van dit standpunt een rapport overgelegd van het Monumenten Advies Bureau Nijmegen van oktober 2002, - een aangepaste versie van het door genoemd bureau medio 2000 opgestelde rapport -ondersteund door een tweetal van na het besluit op bezwaar daterende brieven van de boerderijenstichting Limburg en van de plaatselijke Historische Werkgroep Arcen-Lomm-Velden. In voornoemde stukken wordt geadviseerd om - kort samengevat - de afstand tussen de boerderij van appellant en het bouwplan te vergroten en de hoogte van het bouwplan te verkleinen.

Uit het welstandsadvies noch uit de besluiten van het college blijkt dat het rapport van het Monumenten Advies Bureau, dan wel voorgaande versie, is betrokken bij de beoordeling van de vraag of het bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoet. Ter zitting is door het college gesteld dat de welstandscommissie bij haar advisering met betrekking tot het bouwplan wel op de hoogte was van de inhoud van het eerdere rapport. Dit rapport ziet evenwel op de situatie waarin de voormalige werkplaats/winkel blijft gehandhaafd. De werkplaats/winkel is echter inmiddels gesloopt en het bouwplan voorziet juist in nieuwbouw op die plaats. Omdat de welstandscommissie het bouwplan dient te beoordelen in relatie tot de (nog) aanwezige bebouwing, kon aan het rapport geen betekenis worden toegekend en is het daarom buiten beschouwing gelaten. Het bouwplan is beoordeeld in relatie tot de nog aanwezige bebouwing – de boerderij – waarbij is overwogen dat de prominente situering van de boerderij van appellant behouden blijft. Ook in het rapport van 2002 is als uitgangspunt genomen de toen bestaande situatie van de werkplaats/winkel in relatie tot de boerderij van appellant. Dit rapport vormde daarom geen reden voor een ander oordeel.

Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling in de rapportage van het Monumenten Advies Bureau geen grond voor het oordeel dat het college zich, gelet op het positieve welstandsadvies, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. De Afdeling ziet op grond van het voorgaande in de omstandigheid dat genoemde rapporten in de beslissing op bezwaar onvermeld zijn gebleven geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank de beslissing op bezwaar ten onrechte in stand heeft gelaten.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

71-455.