Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0782

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200304487/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stein (hierna: het college) bouwvergunning verleend aan Tankinstallatiebedrijf Mokobouw BV (hierna: Mokobouw) voor het oprichten van een tankstation op het perceel kadastraal bekend gemeente Stein, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend Mauritsweg te Elsloo (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200304487/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], gevestigd respectievelijk te [plaats] en [plaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht van 23 mei 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Stein.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stein (hierna: het college) bouwvergunning verleend aan Tankinstallatiebedrijf Mokobouw BV (hierna: Mokobouw) voor het oprichten van een tankstation op het perceel kadastraal bekend gemeente Stein, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend Mauritsweg te Elsloo (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 mei 2003 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 mei 2003, verzonden op 27 mei 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 8 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 juli 2003 hebben Mokobouw en Kuwait Petroleum Nederland BV (hierna: Kuwait) een memorie ingediend. Bij brief van 5 september 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en bijgestaan door mr. P.J.T. Austen, advocaat te Valkenburg aan de Geul, en het college, vertegenwoordigd door R.H.F.M. Wilbers en J.W.M. van Kuijck, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen. Daar zijn ook gehoord Mokobouw en Kuwait, vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop, advocaat te Maastricht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Sanderboutlaan” rust op het perceel de bestemming “Bedrijfsdoeleinden B2”.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de gronden die als zodanig op de kaart zijn aangegeven bestemd voor het uitoefenen van bedrijven ten behoeve van industrie, bouwnijverheid, handel, transport, opslag en communicatie, alsmede voor dienstverlenende bedrijven ten behoeve van of in directe relatie met de toegestane bedrijven, zoals bedrijven gericht op het wegtransport, garagebedrijven (in hoofdzaak gericht op het wegtransport) en verkooppunten van brandstof.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de planvoorschriften (beschrijving in hoofdlijnen), voorzover hier van belang, wordt de wijze waarop de in lid 1 bedoelde doeleinden worden gerealiseerd in hoofdlijnen bepaald door het volgende:

c. de dienstverlenende bedrijven genoemd in lid 1, sub a, moeten een duidelijke afgeleide functie hebben van op het bedrijventerrein toegelaten bedrijven;

f. de bedrijven dienen te voorzien in parkeer-, laad en losruimte van voldoende omvang op eigen terrein. Als indicatie wordt daarbij uitgegaan van tenminste 1 parkeerplaats per 2 arbeidsplaatsen én 1 parkeerplaats per 500 m2 bedrijfsvloeroppervlakte (bruto).

2.2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een tankstation ter vervanging van een bestaand tankstation, dat gevestigd is op gronden met dezelfde bestemming. Het perceel is gelegen tegenover het perceel waarop het bestaande tankstation is gevestigd.

2.3. Appellanten betogen, onder verwijzing naar de toelichting op het bestemmingsplan, dat het bouwplan niet getoetst moet worden aan artikel 6, eerste lid, onder a, maar aan artikel 6, vierde lid, onder c, van de planvoorschriften. Volgens appellanten heeft de voorzieningenrechter voorts miskend dat appellanten wel degelijk hebben betwist dat het tankstation een afgeleide functie heeft van de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven. Dit betoog treft geen doel. Naar het oordeel van de Afdeling vereist artikel 6, vierde lid, onder c, van de planvoorschriften geen relatie met op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven, doch slechts met bedrijven die op grond van de planvoorschriften kunnen worden toegelaten. De begrippen “toegelaten” en “toegestane” hebben dezelfde betekenis. Toetsing van het bouwplan aan artikel 6, vierde lid, onder c, leidt derhalve niet tot een andere conclusie dan toetsing aan artikel 6, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften.

2.4. Appellanten betogen voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte uit de omstandigheid dat sprake is van een onbemand tankstation heeft afgeleid dat de behoefte aan parkeerruimte nihil is en daarmee een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 6, vierde lid, onder f, van de planvoorschriften. Volgens appellanten, die in de nabijheid van het perceel eveneens een tankstation exploiteren, combineren vrachtwagenchauffeurs een tankstop in het algemeen met een rustpauze in het kader van het rijtijdenbesluit en/of met andere activiteiten, zoals olie en banden controleren en ruiten wassen, en is er daardoor wel sprake van een parkeerbehoefte. Als gevolg van het ontbreken van parkeerruimte bij het vergunde tankstation ontstaan volgens hen parkeerproblemen in de omgeving van het perceel en worden vrachtwagens op de weg en op het perceel van appellanten geparkeerd. Dit betoog treft evenmin doel. Nog daargelaten dat het hier gaat om de verplaatsing van een tankstation en de gestelde parkeerproblemen niet door deze verplaatsing wordt veroorzaakt, maar hoogstens worden vergroot als gevolg van de verruiming van het tankvolume van het tankstation, moet er sprake zijn van een parkeerbehoefte die een duidelijke relatie heeft met bedrijfsuitoefening ter plaatse. Voor het tanken op zichzelf is geen parkeerruimte noodzakelijk. Dat vrachtwagenchauffeurs het tanken combineren met andere activiteiten, waarvoor wel parkeerruimte noodzakelijk is, betekent niet dat er sprake is van een relatie met de bedrijfsuitoefening. Evenals de voorzieningenrechter is de Afdeling dan ook van oordeel dat nu het onderhavige bouwplan enkel ziet op het oprichten van een tankstation zonder aanvullende voorzieningen, het college in de bestreden beslissing op bezwaar uit kon gaan van de in artikel 6, vierde lid onder f, genoemde indicatie en dat gelet op die indicatie de aanleg van parkeerplaatsen niet vereist is.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Haan

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

58-398.