Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0779

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200304522/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Laren (hierna: het college) geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het geheel vernieuwen, veranderen en vergroten van een bijgebouw op het perceel [adres] te Laren, kadastraal bekend gemeente Laren, sectie [nummer] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304522/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten],

appellanten

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 28 mei 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Laren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Laren (hierna: het college) geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het geheel vernieuwen, veranderen en vergroten van een bijgebouw op het perceel [adres] te Laren, kadastraal bekend gemeente Laren, sectie [nummer] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 februari 2001 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 mei 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 7 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 12 augustus 2003 heeft het college het door appellanten gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 september 2003 bij de rechtbank beroep ingesteld.

Bij brief van 25 september 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.L.C.A. Rietveld en C.C.W. van Rooijen, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2.1. Overwegingen

2.2. Het bouwplan ziet op het geheel vernieuwen, veranderen en vergroten van een bestaande schuur op het perceel. De schuur is gelegen aan de binnenkant van een tuinmuur. Niet in geschil is het bouwplan in strijd is met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “De Kolonie” op het perceel rustende bestemming “Bos en houtopstanden (Nb)”.

2.3. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat een kennelijk onjuiste intekening op de plankaart niet kan worden afgedaan onder verwijzing naar de formele rechtskracht van het bestemmingsplan. Volgens appellanten werd ten tijde van het ontwerpen van het bestemmingsplan beoogd de bestemmingsgrens, die op de plankaart zes meter binnen de muur is getekend, gelijk te laten vallen met de ligging van de muur. In dat geval zou het bouwplan gesitueerd zijn op gronden met de bestemming “Erf”, waarmee het bouwplan volgens appellanten wel in overeenstemming is. Dat sprake is van een vergissing bij het tekenen van de plankaart wordt volgens hen bevestigd door het feit dat op de plankaart niet de reeds lange tijd voor de tervisielegging van het bestemmingsplan aanwezige schuur is ingetekend. Dit betoog treft geen doel. In beginsel moet uit een oogpunt van rechtszekerheid worden uitgegaan van de plankaart. Het beroep van appellanten op de uitspraak van de Afdeling van 1 november 1999, BR 2000/411 faalt, reeds omdat in dit geval het bestemmingsplan en de daarbijbehorende toelichting geen enkel aanknopingspunt bieden om aan te nemen dat sprake is van een vergissing bij het tekenen van de plankaart.

2.4. Ingevolge artikel 22 van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, mogen bouwwerken die hetzij door hun bestaan als zodanig hetzij door hun afmetingen niet voldoen aan de bestemmingen van het plan of aan één of meer bepalingen dezer voorschriften, gedeeltelijk worden vernieuwd of gedeeltelijk worden veranderd met dien verstande dat reeds bestaande afwijkingen van de bepalingen van het plan, ook naar hun aard, niet mogen worden vergroot.

2.5. Het betoog van appellanten dat de aangevraagde bouwwerkzaamheden op grond van het overgangsrecht kunnen worden uitgevoerd treft evenmin doel. Terecht en op goede gronden heeft de rechtbank geoordeeld dat de bouwvergunning niet kan worden verleend op grond van het overgangsrecht. De Afdeling merkt daarbij nog op dat de aanvraag om bouwvergunning ziet op het geheel vernieuwen van de bestaande schuur en er derhalve geen sprake is van een gedeeltelijke vernieuwing in de zin van de planvoorschriften, zodat ook om die reden op grond van het overgangsrecht geen bouwvergunning verleend kan worden.

2.6. Appellanten betogen terecht dat de rechtbank niet is ingegaan op hun beroep op de door het college gedane toezeggingen en op het gelijkheidsbeginsel. Dit kan echter niet leiden tot het door hen beoogde resultaat. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich bij de bestreden beslissing op bezwaar terecht op het standpunt gesteld dat zijn brief van 2 mei 1991 geen toezegging bevat tot het verlenen van een bouwvergunning voor de schuur. Deze brief bevat immers juist een weigering om de bestemming “Bos- en houtopstanden” te wijzigen in de bestemming “Tuin”. Voorts is voor de volgens appellanten op het perceel [adres] te Laren in een tuin met dezelfde bosbestemming opgerichte schuur volgens het college geen bouwvergunning verleend.

2.7. Het hoger beroep van appellanten is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Bij besluit van 12 augustus 2003 heeft het college een nieuwe beslissing genomen, het bezwaar van appellanten opnieuw ongegrond verklaard en opnieuw geweigerd om met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO bouwvergunning te verlenen. Appellanten hebben tegen dat besluit bij brief van 23 september 2003 beroep ingediend bij de rechtbank te Amsterdam. Dit nieuwe besluit moet worden aangemerkt als een besluit bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) zodat het hoger beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb geacht moet worden mede gericht te zijn tegen dat besluit. Partijen hebben ter zitting medegedeeld dat zij niet waren voorbereid op de behandeling van het hoger beroep tegen dat besluit. Na overleg met hun advocaat hebben appellanten voorts na de zitting naar voren gebracht dat zij van mening zijn dat bij de behandeling van het beroep de inmiddels aan de tuin verleende monumentenstatus, die niet in hoger beroep aan de orde is geweest, betrokken dient te worden. Gelet hierop ziet de Afdeling, omdat een goede rechtspleging hierbij is gebaat, aanleiding om het beroep tegen het nieuwe besluit met toepassing van artikel 6:19, tweede lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank te Amsterdam.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het beroep van appellanten tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Laren van 12 augustus 2003, BR-ROM 4933, terug naar de rechtbank te Amsterdam.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Haan

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

58-398.