Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0774

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
200304718/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 1999 heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Staatssecretaris) appellant een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998 van ƒ 288.448,00 (€ 130.892,00) toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 383 met annotatie van N. Verheij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304718/1.

Datum uitspraak: 24 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar van 8 juli 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris (thans: de Minister) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 1999 heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Staatssecretaris) appellant een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998 van ƒ 288.448,00 (€ 130.892,00) toegekend.

Bij besluit van 16 juni 2000 heeft de Staatssecretaris die tegemoetkoming herzien in die zin dat de tegemoetkoming is vastgesteld op ƒ 245.634,00 (€ 111.463,85 ). Voorts heeft de Staatssecretaris in verband met vervolgschade een teeltplanschade vastgesteld van ƒ 19.169,00 (€ 8698,51) en een bedrag van (ƒ 42.814,00 - ƒ 19.169,00 =) ƒ 23.645,00 (€ 10.729,63 ) als teveel uitbetaald teruggevorderd. Tot slot heeft de Staatssecretaris te kennen gegeven dat zijn brief van 25 juni 1999 hiermee is komen te vervallen.

Bij besluit van 3 mei 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard wat betreft de hoogte van de bereddingskosten en de tegemoetkoming daarin vastgesteld op (ƒ 6612,50 – ƒ 1500,00 =) ƒ 5112,50 (€ 2319,95). De Staatssecretaris heeft eraan toegevoegd dat het terug te vorderen bedrag daarmee komt op ƒ 18.532,50 (€ 8409,68). Voor het overige is het bezwaar tegen het besluit van 16 juni 2000 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank), voorzover hier van belang, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 augustus 2003 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. ing. R.T.G. van der Veldt, werkzaam bij Laser, zijn verschenen. Voorts is op verzoek van de Staatssecretaris gehoord [gemachtigde], werkzaam bij het Bureau Coördinatie Expertise-organisaties.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1 van het Besluit houdende de van toepassingverklaring van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen op de schade en kosten tengevolge van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998, in samenhang met artikel 3 van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: de Wet), is de Wet van toepassing op de schade en kosten die zijn ontstaan ten gevolge van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef, van de Wet heeft een gedupeerde recht op een tegemoetkoming in

(..)

e. de teeltplanschade;

(..)

i. de bereddingskosten per risico-adres.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet wordt de omvang van de schade en, voor zover nodig, van de kosten door of onder verantwoordelijkheid van een door Onze Minister aangewezen schade-expert opgenomen en neergelegd in een schaderapport.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wet verstrekt de schade-expert aan de gedupeerde een afschrift van het schaderapport.

Ingevolge artikel 5, derde lid, van de Wet, kan al dan niet op verzoek van de gedupeerde de omvang van de schade en de kosten opnieuw door of onder verantwoordelijkheid van een schade-expert als bedoeld in het eerste lid worden opgenomen en neergelegd in een schaderapport. Het tweede lid is van toepassing.

Ingevolge artikel 10 van de Wet, voorzover in deze van belang, kan de tegemoetkoming worden gewijzigd of ingetrokken, indien:

a. er feiten of omstandigheden zijn waarvan Onze Minister bij het nemen van die beschikking redelijkerwijs niet op de hoogte kan zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager zou zijn vastgesteld,

b. de hoogte van de toegekende tegemoetkoming onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten, of

(c.) ..

In verband met de extreem zware regenval op 13 en 14 september 1998 respectievelijk op 27 en 28 oktober 1998 heeft de Staatssecretaris op 29 oktober 1998 (Stscrt. 1998, 208) respectievelijk op 16 december 1998 (Stcrt. 1998, 244) de op de Wet en het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen gebaseerde Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 (hierna: de WTS1-regeling) respectievelijk de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998 (hierna: de WTS2-regeling) vastgesteld.

2.2. Bij besluit van 25 juni 1999 heeft de Staatssecretaris appellant een tegemoetkoming op grond van de WTS2-regeling toegekend in de getaxeerde kosten van de teeltplanschade en bereddingskosten van in totaal ƒ 288.448,00 (€ 130.892,00). Voorts bevat het besluit de rechtsmiddelenclausule van bezwaar alsmede de mededeling dat, indien appellant het niet eens is met de taxatiebedragen, hij binnen 14 dagen na verzending van deze brief om een hertaxatie kan verzoeken. Ter zitting is komen vast te staan dat het taxatierapport waarvan in het besluit wordt gesteld dat het als bijlage wordt meegezonden, eerst na de bezwaartermijn aan appellant is toegezonden.

Vast staat dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 25 juni 1999.

2.2.1. Op 5 juli 1999 heeft appellant om hertaxatie verzocht, waarbij hij de teeltplanschade heeft gesteld op ƒ 482.207,48 (€ 218.816,21) en de bereddingskosten op ƒ 6876,50 (€ 3120,42).

2.2.2. Bij brief van 13 maart 2000 heeft de Staatssecretaris appellant laten weten dat de hertaxatie inmiddels heeft plaats gevonden en dat daaruit is gebleken dat de eerder toegekende tegemoetkoming ƒ 42.814,00 (€ 19.428,15) te hoog is. Voorts wordt appellant in deze brief medegedeeld dat daarnaast een taxatie voor vervolgschade teeltplanschade heeft plaats gevonden, als gevolg waarvan appellant recht heeft op een bedrag van ƒ 19.169,00 (€ 8698,51) en dat de Staatssecretaris voornemens is een bedrag van (ƒ 42.814,00 – ƒ 19.169,00 =) ƒ 23.645,00 (€ 10.729,63) terug te vorderen.

2.2.3. Bij besluit van 16 juni 2000 heeft de Staatssecretaris onder overneming van de in zijn brief van 13 maart 2000 genoemde bedragen de oorspronkelijke tegemoetkoming in de teeltplanschade herzien en het teveel uitbetaalde bedrag teruggevorderd. Tevens heeft de Staatssecretaris medegedeeld dat zijn brief van 25 juni 1999 hiermee komt te vervallen.

2.2.4. Bij besluit van 3 mei 2001 is het besluit van 16 juni 2000 gehandhaafd ten aanzien van de tegemoetkoming in de kosten van de teeltplanschade en zijn de bezwaren tegen de hoogte van de tegemoetkoming in de bereddingskosten gegrond verklaard in die zin dat appellant een tegemoetkoming is toegekend van (ƒ 6612,50 – ƒ 1500,00 =) ƒ 5112,50 (€ 2319,95). Tevens vermeldt het besluit dat daarmee het terug te vorderen bedrag komt op ƒ 18.532,50 (€ 8409,68).

2.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 5 van de Wet diende de Staatssecretaris na de taxatie appellant een schaderapport te verstrekken en had appellant de mogelijkheid een verzoek om hertaxatie in te dienen. Dit rapport dan wel het na hertaxatie opgestelde rapport vormt de grondslag voor de toekenning van een tegemoetkoming. Vast staat dat de Staatssecretaris aan de in artikel 5 neergelegde eis van verstrekking van een afschrift van het schaderapport niet tijdig heeft voldaan. Het taxatierapport is aan appellant verstrekt ruim nadat de bezwaartermijn was verstreken. Tegen het besluit van 25 juni 1999 heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Dit besluit is derhalve rechtens onaantastbaar. Ook de Staatssecretaris is hiervan uitgegaan, gelet op de inhoud van het besluit van 16 juni 2000. Desondanks heeft het verzoek om hertaxatie de Staatssecretaris, blijkens de brief van 13 maart 2000, aanleiding gegeven tot herbeoordeling van de taxatie, op grond waarvan hij tot het oordeel is gekomen dat het bedrag, genoemd in het besluit van 25 juni 1999, te hoog is vastgesteld. Het te veel toegekende bedrag heeft de Staatssecretaris teruggevorderd bij het primaire besluit van 16 juni 2000.

2.4. Ter zitting heeft de Staatssecretaris ter toelichting op zijn in zijn brief van 13 maart 2000 geuite voornemen en de uitvoering daarvan in het besluit van16 juni 2000 verklaard dat de herziene (lagere) vaststelling van de tegemoetkoming een gevolg is van een rekenfout, die is gemaakt bij de toekenning van de oorspronkelijke tegemoetkoming bij besluit van 25 juni 1999 en die bij de hertaxatie aan het licht is gekomen. De Staatssecretaris heeft erkend dat uit het besluit van 25 juni 1999 zelf de rekenfout niet blijkt, doch dat appellant geacht wordt deze rekenfout te kennen, nu deze uit het bij het besluit van 25 juni 1999 horende taxatierapport blijkt. Om die reden stelt de Staatssecretaris zich op het standpunt dat hij de bevoegdheid had op grond van artikel 10, aanhef en onder b, van de Wet het besluit van 25 juni 1999 in te trekken of te wijzigen.

2.5. Anders dan de Staatssecretaris stelt, kan niet worden geoordeeld dat appellant wist of behoorde te weten dat de hem bij besluit van 25 juni 1999 toegekende tegemoetkoming te hoog was omdat zij op een fout berustte. In de eerste plaats beschikte appellant ten tijde van het besluit van 25 juni 1999 noch hangende de bezwaartermijn over het taxatierapport, op grond waarvan appellant naar de mening van de Staatssecretaris de rekenfout had kunnen kennen, en bovendien kwam appellant zelf op een hogere teeltplanschade uit, zoals ook uit zijn verzoek om hertaxatie blijkt, zodat er evenmin reden was voor de conclusie dat appellant dit behoorde te weten.

2.6. Dit leidt tot het oordeel dat zich de onder artikel 10, aanhef en onder b, van de Wet genoemde situatie niet voordoet. De Staatssecretaris heeft derhalve ten onrechte met toepassing van dit onderdeel van artikel 10 van de Wet het besluit van 25 juni 1999 gewijzigd en ten onrechte het bij dit besluit zijns inziens te veel, toegekende teruggevorderd.

2.7. De rechtbank heeft het vorenstaande miskend. Het hoger beroep is gegrond en de uitspraak, voorzover aangevallen, moet worden vernietigd. De Afdeling zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en het beroep tegen het besluit van 3 mei 2001, voorzover daarbij de terugvordering van een bedrag van ƒ 42.814,00 (€ 19.428,15), zijnde het verschil tussen het bij besluit van 25 juni 1999 en het bij besluit van 16 juni 2000 in beginsel toegekende bedrag, is gehandhaafd, gegrond verklaren, en het besluit van 3 mei 2001 in zoverre vernietigen. Tevens bestaat aanleiding zelf in de zaak te voorzien in die zin dat het besluit van 16 juni 2000 wordt herroepen, voorzover het de terugvordering betreft van het bedrag van ƒ 42.814,00 (€ 19.428,15).

2.8. De Staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar van 8 juli 2003, WET 01/1105, voorzover aangevallen;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris (thans: de Minister) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 3 mei 2001, 00.2.0387, voorzover het betreft de terugvordering van een bedrag van ƒ 42.814,00 (€ 19.428,15);

V. herroept het besluit van de Staatssecretaris (thans: de Minister) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 juni 2000, GvR/110, voorzover het betreft de terugvordering van een bedrag van ƒ 42.814,00 (€ 19.428,15);

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde besluit;

VII. veroordeelt de Staatssecretaris (thans: de Minister) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) te worden betaald aan appellant;

VIII. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van € 277,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Wolff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003

238.