Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0370

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
200302632/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat (hierna: het college) het verzoek van appellanten om handhavend op te treden tegen de door [derde belanghebbende] aangebrachte beplanting bestaande uit bomen en struiken op de percelen kadastraal bekend gemeente Balk, sectie […], nrs. [locatie sub 1] en [locatie sub 2], afgewezen.

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2003, verzonden op die dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd voorzover dat ziet op de weigering van het college handhavend op te treden terzake van de beplanting op het perceel nr. [locatie sub 2]. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200302632/1.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 maart 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat (hierna: het college) het verzoek van appellanten om handhavend op te treden tegen de door [derde belanghebbende] aangebrachte beplanting bestaande uit bomen en struiken op de percelen kadastraal bekend gemeente Balk, sectie […], nrs. [locatie sub 1] en [locatie sub 2], afgewezen.

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2003, verzonden op die dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd voorzover dat ziet op de weigering van het college handhavend op te treden terzake van de beplanting op het perceel nr. [locatie sub 2]. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 22 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 juni 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend. Bij brief van 23 juli 2003 heeft [derde belanghebbende] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en [derde belanghebbende]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. G. Folmer, juridisch adviseur te Ruigahuizen, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.H. Schultinga, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Verder is [derde belanghebbende] ter zitting gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [derde belanghebbende] heeft langs de westelijke rand van het perceel nr. [locatie sub 1], onder meer ter hoogte van de woning van [appellant B], beplanting met bomen en struiken aangebracht, variërend in breedte tussen 4 en 5 meter met een totale lengte van ongeveer 37 meter. Langs de zuidkant van het perceel nr. [locatie sub 2] heeft [derde belanghebbende], onder meer ter hoogte van de woning van [appellant A], beplanting met bomen en struiken aangebracht, in breedte variërend tussen 10 en 16 meter en met een totale lengte van ongeveer 65 meter.

2.2. Op de percelen nrs. [locatie sub 1] en [locatie sub 2] rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bargebek” de bestemming “Cultuurgrond”.

Ingevolge artikel 10, onder A, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor cultuurgrond, met de daarbij behorende andere bouwwerken en andere werken, zulks met inachtneming van de aan deze gronden toegekende landschappelijke waarden, zoals omschreven in hoofdstuk 3 van de toelichting.

In hoofdstuk 3 van de toelichting staat ten aanzien van de landschappelijke elementen het volgende vermeld:

”Bijna alle gebouwen grenzen direct aan het open landschap. Vanaf de weg zijn er enerzijds enige doorkijkjes tussen de bebouwing naar het lager gelegen open en weidse landschap rond het Slotermeer en is er anderzijds het half-open coulisselandschap ten zuiden van de Jachtlustwei. Tamelijk veel erven worden omzoomd door boomsingels.”

Ingevolge de begripsbepalingen wordt onder Cultuurgrond verstaan:

“Volkstuinen, moestuinen, grasland, akkerbouw- en tuinbouwgebieden, met uitzondering van bosgronden.”

Ingevolge artikel 18, onder A, van de planvoorschriften is het verboden binnen het in het bestemmingsplan begrepen gebied, de gronden en gebouwen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met hetgeen hieromtrent is bepaald in de bestemmingen die in het plan aan de gronden zijn toegekend.

2.3. De Afdeling stelt voorop dat een eerder verzoek van [appellant A] om handhavend op te treden tegen de beplanting met bomen en struiken op het perceel nr. [locatie sub 2] bij (onherroepelijke) beslissing op bezwaar van 4 november 1996 door het college is afgewezen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de beplanting op dat perceel nadien zowel in breedte als in lengte (in oostelijke richting) is uitgebreid. Het hier aan de orde zijnde verzoek van appellanten ziet op de totale - in omvang toegenomen - beplanting op het perceel nr. [locatie sub 2] alsmede op de op het perceel nr. [locatie sub 1] aangebrachte beplanting. De Afdeling is van oordeel dat onder de hiervoor geschetste (veranderde) omstandigheden geen sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de beplanting met bomen en struiken, voorzover deze een breedte van (ongeveer) 5 meter niet overschrijdt, nog is aan te merken als omzoming. Permanente beplanting met bomen en struiken met een breedte van circa 10 en 16 meter, zoals deze aanwezig is op het perceel nr. [locatie sub 2], doet naar het oordeel van de rechtbank in onevenredige mate afbreuk aan de bestemming “Cultuurgrond”, zodat in zoverre sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat het college zich ten onrechte niet bevoegd heeft geacht om handhavend op te treden ten aanzien van de beplanting op het perceelnr. [locatie sub 2], voorzover deze een breedte van (ongeveer) 5 meter overschrijdt.

2.5. Appellanten kunnen zich met dit oordeel niet verenigen en betogen dat alle aanwezige beplanting, dus ook de beplanting met een breedte tot (ongeveer) 5 meter, in strijd is met de bestemming “Cultuurgrond”.

2.6. Dit betoog slaagt. In de omschrijving van het begrip “Cultuurgrond” zijn bosgronden uitdrukkelijk uitgezonderd. Dit betekent, gelet ook op het in de toelichting beschreven (open) karakter van het landschap, dat beplanting van de cultuurgrond met bomen en struiken, zoals op de percelen nrs. [locatie sub 1] en [locatie sub 2], waardoor hoge en dichte bosschages of bosjes (zullen) ontstaan, niet als passend binnen de bestemming “Cultuurgrond” kan worden aangemerkt. Een zodanige beplanting strekt verder dan de omzoming of afscheiding van een perceel of erf met een boomsingel. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de op de percelen aangebrachte beplanting in strijd moet worden geacht met de bestemming “Cultuurgrond”, zodat het college zich ten onrechte niet bevoegd heeft geacht om daartegen op te treden.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak en de beslissing op bezwaar van 18 juni 2002 dienen te worden vernietigd. Het college dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

2.8. Het college dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 25 maart 2003, reg.nr. 02/837 GEMWT;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat van 18 juni 2002;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1341,87, waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Gaasterlân-Sleat te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de gemeente Gaasterlân-Sleat aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 en € 175,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Molenaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

369.