Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0359

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
200302949/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dronten (hierna: het college) aan de Stichting Ontwikkeling Windenergie Flevoland (hierna: de Stichting) met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van 18 windmolens op het perceel aan de Kubbeweg, nummers 1, 5, 9, 15, 17, 21, 4, 8, 12, 14, 20 en 24 te Biddinghuizen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 juni 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 maart 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 8 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/37
Gst. 2004, 30 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302949/1.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maliepaard Interim en Projecten B.V., gevestigd te Nagele,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Zwolle van 28 maart 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Dronten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dronten (hierna: het college) aan de Stichting Ontwikkeling Windenergie Flevoland (hierna: de Stichting) met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van 18 windmolens op het perceel aan de Kubbeweg, nummers 1, 5, 9, 15, 17, 21, 4, 8, 12, 14, 20 en 24 te Biddinghuizen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 juni 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 maart 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 8 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 28 juli 2003 heeft de Stichting van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Deuzeman, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is de Stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. H.A. Bosma, advocaat te Dronten, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge het vierde lid van artikel 19 van de WRO wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van de WRO is herzien of geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, van de WRO is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

2.2. Niet in geschil is en ook de Afdeling is van oordeel dat het project in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied Dronten”, waarin de betreffende gronden zijn bestemd voor “agrarische doeleinden zonder bebouwing”. Het project maakt een aanzienlijke inbreuk op de bestaande planologische situatie.

2.3. Naarmate de inbreuk op het geldende planologische regime groter is, moeten zwaardere eisen worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project.

2.4. Appellante betoogt in dit verband allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat het voorbereidingsbesluit niet toereikend is voor de verleende vrijstelling. Hiervoor is volgens appellante ten minste een ontwerp-bestemmingsplan vereist dat de instemming heeft van de Provinciale Planologische Commissie (hierna: de PPC).

Dit betoog faalt. Appellante gaat er ten onrechte vanuit dat de in de jurisprudentie voor artikel 19 (oud) van de WRO ontwikkelde criteria, onder de werking van het nieuwe artikel – ook in het geval dat het vierde lid van artikel 19 aan de orde is – thans nog gelden. De Afdeling stelt vast dat de wetgever in artikel 19, eerste lid, thans heeft voorzien in een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare, bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan voor een project. Voor de toepassing van deze bevoegdheid geldt de eis dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Verder dient het vrijstellingsbesluit ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de WRO naast de ruimtelijke onderbouwing, een beschrijving van het betrokken project en de afwegingen die aan het verlenen van vrijstelling ten grondslag liggen te bevatten. Deze vereisten gelden ook bij toepassing van artikel 19, vierde lid, van de WRO. Er bestaat geen aanleiding naast die eisen de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria ten aanzien van artikel 19 (oud) van de WRO te handhaven. De wetsgeschiedenis, in het bijzonder het amendement waarbij het vierde lid aan artikel 19 van de WRO is toegevoegd (TK 1998-1999, 25 311, nr. 46), geeft daartoe ook geen aanleiding.

2.5. Anders dan appellante betoogt, heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het project van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien. Het project past in het toekomstige bestemmingsplan “Buitengebied 2000”, waarin de onderhavige locatie als “locatie gebied windmolens” is bestemd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit bestemmingsplan geen rechtskracht zal verkrijgen. Uit de door gedeputeerde staten van Flevoland verleende verklaring van geen bezwaar van 31 januari 2002 blijkt dat de Subcommissie Gemeentelijke Plannen van de PPC op 14 januari 2001 ten aanzien van het door appellante bestreden bouwplan positief heeft geadviseerd. Dat diezelfde commissie eerder op 14 april 2000 niet onverkort heeft ingestemd met het voor-ontwerp van dit bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op de windmolens, doet daaraan niet af. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende aandacht is besteed aan de landschappelijke inpassing van de windmolens en de aantasting van de openheid van het gebied. Uit die onderbouwing blijkt dat het project wordt uitgevoerd overeenkomstig het provinciaal beleid, zoals neergelegd in het Provinciaal Omgevingsplan en nader uitgewerkt in de “Beleidsregel plaatsing windmolens” (van 21 februari 2001). In de beleidsregel wordt met betrekking tot de landschappelijke inpassing van windmolens de voorkeur uitgesproken voor lijnopstellingen die aansluiten bij bestaande infrastructurele elementen en gebieden met een technisch rationeel uiterlijk, alsmede aansluiting bij bestaande hoofdrichtingen in het landschap. Het project voldoet daaraan, nu het voorziet in een lijnopstelling die aansluit bij de Kubbetocht en de Zijdenettentocht.

Aangaande de stelling van appellante dat het college ten onrechte geen milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) heeft opgesteld, overweegt de Afdeling het volgende. Bij besluit van 22 mei 2001 heeft het college voor dit project een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend, waarbij tevens is geoordeeld dat ten behoeve van de voorgenomen activiteit geen m.e.r. hoeft te worden opgesteld. Voor zover appellante het met dit oordeel niet eens was, had het op haar weg gelegen tegen voormeld besluit beroep in te stellen bij de Afdeling. Dat heeft zij niet gedaan. Het besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Dit heeft tot gevolg dat het oordeel van het college om geen m.e.r. op te stellen in de onderhavige procedure niet meer ter beoordeling staat.

2.6. Met de rechtbank is de Afdeling verder van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning te verlenen.

De Stichting beschikte voor het windmolenproject over een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer, terwijl appellante voor een soortgelijk project op het naastgelegen perceel nog geen aanvraag daartoe had ingediend. Van het college kon in redelijkheid niet worden verwacht in verband met zodanige door appellante in te dienen aanvraag de door de Stichting ingediende aanvraag om bouwvergunning, welke aanvraag voldoet aan de indieningsvereisten, aan te aanhouden. Ter zitting in hoger beroep is overigens gebleken dat appellante nog geen aanvraag voor een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer heeft ingediend.

2.7. Appellante betoogt tot slot tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij met enige aanpassing haar plannen geheel dan wel nagenoeg geheel kan verwezenlijken. De beslissing van de rechtbank is niet op deze overweging ten overvloede gebaseerd.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Roosmalen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

53-429.