Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0344

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
200303366/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) het verzoek van appellante om handhavend op te treden tegen illegale profielwijziging van het naast haar woning en kantoor gelegen gedeelte van het terrein (hierna: het perceel) van [derde belanghebbende] afgewezen.

Bij besluit van 5 juni 2002 heeft de Minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2003, verzonden op 28 april 2003, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303366/1.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 18 april 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) het verzoek van appellante om handhavend op te treden tegen illegale profielwijziging van het naast haar woning en kantoor gelegen gedeelte van het terrein (hierna: het perceel) van [derde belanghebbende] afgewezen.

Bij besluit van 5 juni 2002 heeft de Minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2003, verzonden op 28 april 2003, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 juli 2003 heeft de Minister van antwoord gediend.

Daartoe op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid gesteld, heeft [derde belanghebbende] op 15 juli 2003 een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2003, waar appellante in persoon en de Minister, vertegenwoordigd door mr. S. de Bruin en ing. A.H.M.M. Kerkhof, gemachtigden, zijn verschenen. Voor [derde belanghebbende] is ter zitting verschenen mr. J.C.M. van Roesel, advocaat te Rosmalen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat ten tijde van het bestreden besluit sprake was van een met de Wet beheer rijkswaterstaatswerken strijdige situatie, zodat de Minister bij het bestreden besluit terecht zijn afwijzing van het verzoek om handhaving heeft gehandhaafd.

2.2. Niet in geschil is dat [derde belanghebbende] op 28 oktober 2000 circa 70 m3 verontreinigde grond van het perceel heeft laten verwijderen.

2.3. Appellante stelt dat [derde belanghebbende] eind 1999, begin 2000 niet slechts 70 m3 verontreinigde grond op het perceel heeft gestort, maar 1050 m3. Zij betoogt dat dit blijkt uit het rapport van ingenieursbureau [naam ingenieursbureau] van 20 maart 2001. Voorts betoogt zij dat het rapport van adviesbureau [naam adviesbureau] van 17 mei 2000, waarin wordt gesteld dat sprake is van 60/70 m3 verontreinigde grond, in hoofdzaak tot stand is gekomen op aanwijzing van het bedrijf dat de grond in opdracht van [derde belanghebbende] heeft gestort. Ook stelt appellante dat over de omvang van de stort geen geschil meer mogelijk is, nu het rapport van [naam ingenieursbureau] tot stand is gekomen op grond van een vaststellingsovereenkomst, gesloten in het kader van een door haar aangespannen kort gedingprocedure tussen haar en [derde belanghebbende]. In die overeenkomst is onder meer opgenomen dat [derde belanghebbende] zal zorgdragen voor de vereiste sanering overeenkomstig de Wet bodembescherming, indien de resultaten van het onderzoek uitwijzen dat sprake is van een op grond van die wet onaanvaardbare mate van verontreiniging.

2.4. Het betoog van appellante slaagt niet. Dat het rapport van [naam adviesbureau] tot stand is gekomen in opdracht van het bedrijf dat de grond in opdracht van [derde belanghebbende] heeft gestort, vormt onvoldoende grond om aannemelijk te maken dat dit rapport geen betrekking heeft op alle door [derde belanghebbende] eind 1999, begin 2000 gestorte grond. In het rapport van [naam ingenieursbureau] noch in de daaraan ten grondslag liggende vaststellingsovereenkomst is vermeld dat het onderzoek van [naam ingenieursbureau] slechts betrekking heeft op grond die is gestort in de periode eind 1999, begin 2000. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat dit rapport niet tevens ziet op stortingen van voor die periode. Voorts roept de vaststellingsovereenkomst, anders dan appellante kennelijk meent, slechts rechten en verplichtingen voor partijen in het leven. Zij vormt geen grondslag voor de Minister om handhavend op te treden; van zodanig optreden kan ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht alleen sprake zijn terzake van hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Nu appellante haar betoog ook overigens niet met objectieve gegevens heeft onderbouwd, heeft zij haar stelling dat [derde belanghebbende] eind 1999, begin 2000 1050 m3 verontreinigde grond op het perceel heeft gestort, onvoldoende aannemelijk gemaakt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. C. de Gooijer en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

66-413.