Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0339

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
200301486/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2002 heeft de gemeenteraad van Maastricht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 mei 2002, het bestemmingsplan “Terraspark/Ambyerveld” vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/1011
Milieurecht Totaal 2003/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301486/1.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. omwonenden van de Molenweg-Bemelerweg en de vereniging in oprichting Open Landschap Maastricht, gevestigd te Maastricht,

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2002 heeft de gemeenteraad van Maastricht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 mei 2002, het bestemmingsplan “Terraspark/Ambyerveld” vastgesteld.

Bij besluit van 14 januari 2003, kenmerk 2002/55875, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 7 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2003, appellanten sub 2 bij fax-bericht van 12 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, en appellanten sub 3 bij fax-bericht van 12 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 10 april 2003. Appellanten sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 27 maart 2003.

Bij brief van 26 mei 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 oktober 2003, waar appellant sub 1, in persoon, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door

mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, appellanten sub 3, vertegenwoordigd door mr. B.J. Berton, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.L. Kluter, ambtenaar der provincie, zijn verschenen.

Voorts is gehoord de gemeenteraad van Maastricht, vertegenwoordigd door

mr. E.H.J. Verheijden, ambtenaar der gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied is gelegen ten oosten van Maastricht, globaal tussen de Rijksweg/achterzijde bebouwing oostzijde Ambyerstraat Noord/Hagenstraat/Molenweg/Oude Molenweg en de oostelijke gemeentegrenzen met Meerssen, Valkenburg aan de Geul, Margraten en Eijsden.

Het plan voorziet onder meer in de uitbreiding van een sportveldencomplex aan de Oude Molenweg/Bemelerweg, het treffen van een planologische regeling ter bescherming van de hamster en woningbouw in Ambyerveld.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het plan goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellanten stellen dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd, voor zover het plan voorziet in de uitbreiding van het sportveldencomplex aan de Oude Molenweg/Bemelerweg, het treffen van een planologische regeling ter bescherming van de hamster en woningbouw in Ambyerveld.

2.4. Appellanten sub 2 hebben bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop verweerder de ingediende bedenkingen heeft behandeld. Zij zijn van mening dat verweerder een aantal bezwaren ten onrechte niet heeft weerlegd, zodat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.

2.5. De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat verweerder de bezwaren samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een bedenking afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat de wezenlijke bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.6. Appellant sub 1 en appellanten sub 3 zijn van mening dat het plan economisch niet uitvoerbaar is.

De bezwaren van appellant sub 1 richten zich met name tegen het aanwenden van gemeenschapsgelden ten behoeve van het sportveldencomplex.

Appellanten sub 3 zijn van mening dat nu in de financiële opzet melding wordt gemaakt van “opbrengst herontwikkeling VV Scharn aan de Akersteenweg”, terwijl nog geen procedure is ingezet om tot wijziging over te gaan en er evenmin onderzoek heeft plaatsgevonden naar de haalbaarheid van de herontwikkeling, onvoldoende is aangetoond dat de lasten door de opbrengsten en het budget van de gemeente zullen worden gedekt.

2.7. Verweerder is op basis van de gegevens vermeld in het hoofdstuk “Economische uitvoerbaarheid” van de plantoelichting van mening dat de economische uitvoerbaarheid is gewaarborgd.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het voor een oordeel over de economische uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is dat alle voorgenomen plannen ook zullen zijn uitgevoerd alvorens tot een oordeel te kunnen komen. De plannen die de gemeente ter plaatse heeft zijn niet onrealistisch en lijken voorshands niet onuitvoerbaar, terwijl appellanten sub 3 niet hebben aangetoond dat zulks wel het geval zou zijn, aldus verweerder.

Met betrekking tot de bezwaren van appellant sub 1 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de financieringswijze van het bestemmingsplan niet te zijner beoordeling staat.

2.8. Ingevolge artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 verricht het college van burgemeester en wethouders onderzoek ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied der gemeente naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente. Bij de voorbereiding van een ontwerp van een bestemmingsplan heeft dit onderzoek van stonde af aan mede betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan.

Blijkens de Nota van toelichting op dit besluit betreft het daarbij onder meer de financiële uitvoerbaarheid.

In de plantoelichting is ten aanzien van het sportveldencomplex vermeld dat de totale kosten worden geraamd op 2,55 miljoen euro. De dekkingsmiddelen (opbrengst herontwikkeling VV Scharn aan de Akersteenweg en herschikking van MJIP-gelden) bedragen 1 miljoen euro, als gevolg waarvan sprake is van een dekkingstekort van 1,55 miljoen euro. De dekking van dit tekort vindt als volgt plaats:

- algemene reserves Grondzaken: 0,52 miljoen euro;

- sociale pijler sociale infrastructuur: 0,52 miljoen euro;

- herprioritering MJIP-gelden: 0,51 miljoen euro.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van het goedkeuringsbesluit voldoende inzicht bestond omtrent de economische uitvoerbaarheid van het plan. Hierbij heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling terecht opgemerkt dat het voor een oordeel over de economische uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is dat eerst alle voorgenomen plannen ook zullen zijn uitgevoerd.

Voorts is de Afdeling van oordeel dat de keuze van de gemeenteraad met betrekking tot de wijze van aanwending van algemene middelen in het kader van het voorliggende geschil niet ter toetsing staat.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in de betogen van appellant sub 1 en appellanten sub 3 geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het plan in strijd met artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 heeft goedgekeurd.

2.9. Appellant sub 1 wijst er op dat het bandenbedrijf [naam], dat is gevestigd aan de Bemelerweg, bij de vaststelling van het plan alsnog als zodanig in het bestemmingsplan is opgenomen, maar dat nog steeds is vastgehouden aan de verkeersontsluiting en de bouw van gebouwen ter hoogte van dit bedrijf aan de Bemelerweg. Hierdoor kan het plan, zoals ook blijkt uit de inrichtingstekening behorende bij het raadsbesluit, niet verwezenlijkt worden.

2.10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er zwaarwegende redenen van financiële aard zijn om het bandenbedrijf [naam] niet op te nemen binnen de bestemming “Uit te werken sportdoeleinden”. Derhalve is het bedrijf alsnog overeenkomstig het huidige gebruik bestemd. Verweerder acht de stelling van appellant dat hierdoor het plan niet verwezenlijkt kan worden niet juist, aangezien de kleed- en clubaccommodatie, verkeersontsluiting en parkeerfaciliteiten voorzien zijn ten oosten van het bandenbedrijf [naam]. Daarnaast is in het plan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders bevoegd is de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” te wijzigen in de bestemming “Sportdoeleinden”, waardoor de mogelijkheid bestaat de gronden van het bedrijf alsnog bij het sportveldencomplex te betrekken.

2.11. Bij het raadsbesluit is als bijlage opgenomen een schetsontwerp van het sportveldencomplex. Blijkens het raadsbesluit dient het complex te worden gesitueerd aan de Bemelerweg op de locatie zoals aangegeven in de desbetreffende bijlage, met inachtneming van de aanpassingen zoals beschreven in paragraaf 3.6 van het raadsvoorstel, zijnde de planologische inpassing van het ter plaatse gevestigde bandenbedrijf [naam].

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is vast komen te staan dat verwezenlijking van het sportveldencomplex, ook na toekenning van de bestemming “Bedrijven” aan het bandenbedrijf bij de vaststelling van het plan, in enigszins gewijzigde vorm tot de mogelijkheden behoort.

Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het plan kan worden verwezenlijkt.

2.12. Appellant sub 1 is van mening dat de woningbouw in Ambyerveld ten onrechte in het voorliggende plan is opgenomen.

2.13. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de begrenzing van het plangebied identiek is aan de begrenzing van het voorgaande bestemmingsplan “Buitengebied-Oost”. Het plandeel Ambyerveld blijft vooralsnog onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan “Terraspark/Ambyerveld” en zal, nadat voor de desbetreffende gronden een uitwerkingsplan van kracht is geworden, te zijner tijd in een bestemmingsplan voor de kern Amby worden opgenomen.

Verweerder is van mening dat de gekozen planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening danwel anderszins in strijd met het recht.

Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat de keuze tevens is gemaakt teneinde het op deze gronden gevestigde voorkeursrecht ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten te kunnen handhaven.

2.14. Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan.

Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

De Afdeling is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat in dit geval verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd.

2.15. Appellanten sub 3 hebben aangevoerd dat de in het plan opgenomen bestemming “Uit te werken sportdoeleinden” op gespannen voet staat met de in het voorgaande bestemmingsplan opgenomen bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarde (Aln)”.

2.16. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

2.17. Appellant sub 1 en appellanten sub 3 zijn van mening dat de sportvoorziening aan de Oude Molenweg niet in overeenstemming is met het provinciale beleid zoals neergelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg, vastgesteld door Provinciale Staten van Limburg op 29 juni 2001 (hierna te noemen: het POL) alsmede de partiële Streekplanherziening openruimte- en bufferzonebeleid Zuid-Limburg, vastgesteld door Provinciale Staten op 17 december 1999 (hierna: de streekplanherziening).

2.18. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de (Oude) Molenweg wordt aangemerkt als oostgrens van het stedelijk gebied. Specifiek stedelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw en de aanleg van bedrijfsterreinen ten oosten van deze weg worden door zowel het provinciaal als het gemeentelijk beleid uitgesloten. De gemeenteraad is van mening dat wel ruimte wordt gelaten voor het realiseren van recreatieve voorzieningen in het desbetreffende gebied.

2.19. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het POL geen specifiek beleid bevat ten aanzien van sportterreinen. Wel bestaat binnen het plandeel dat in het POL als perspectief 4 “Vitaal landelijk gebied” is aangeduid, ruimte voor toeristisch-recreatieve bedrijvigheid. In zoverre acht verweerder het standpunt van de gemeenteraad dat ruimte wordt gelaten voor recreatieve voorzieningen in beginsel juist.

Gezien het feit dat het een uitbreiding van een bestaand sportveldencomplex in de nabijheid van het stedelijk gebied van Maastricht betreft en het sportterrein ook niet als een specifiek stedelijke functie kan worden gezien, acht verweerder de voorgestane ontwikkeling niet in strijd met het provinciaal beleid.

In zijn verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat hij het plandeel evenmin in strijd met de streekplanherziening acht. In de streekplanherziening is aangegeven dat de daarin vastgestelde contouren niet mogen worden overschreden met nieuwe woon- en bedrijfsbebouwing voor zover deze gerelateerd is aan de kernen van het landelijk gebied. Aan het buitengebied gerelateerde functies zijn echter wel buiten de contouren toegestaan. Verweerder acht een sportveldencomplex geen specifiek stedelijke functie welke per definitie in de kern of het stedelijk gebied thuishoort.

2.20. In het POL is ten aanzien van perspectief 4 “Vitaal landelijk gebied” onder meer het volgende vermeld:

”Perspectief 4 heeft betrekking op landbouwgebieden met een grote variatie aan landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten. Het zijn onder meer gebieden met aardkundige en cultuurhistorische waarden van (inter-)nationale betekenis (…).

Perspectief 4 richt zich primair op bescherming van de aanwezige waarden in samenhang met kwaliteitsverbetering van vooral bestaande landbouw- en toeristische bedrijven. Het beleid is gericht op versterking van de kwaliteit en identiteit van het landelijk gebied. Dit draagt tevens bij aan het versterken van de toeristisch-recreatieve structuur en beleving van Limburg. (…).

De economische ontwikkeling van landbouw, recreatie en toerisme wordt als een kans en voorwaarde gezien voor behoud en versteviging van met name de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten in een grote variëteit aan landbouwgebieden. Grootschalige nieuwe ontwikkelingen zijn hier echter niet de bedoeling”.

In het POL is aangegeven dat de streekplanherziening een aanvulling van het POL is.

In de streekplanherziening is onder meer aangegeven dat de begrenzing van de bufferzones, als zijnde volledig afgewogen, als harde lijn op de plankaart is weergegeven. Het beleid binnen de bufferzones is gericht op het handhaven danwel ontwikkelen van de open ruimten tussen de stedelijke gebieden.

Voorts is in de streekplanherziening aangegeven dat de vastgestelde contouren niet mogen worden overschreden met nieuwe woon- of bedrijfsbebouwing.

2.21. Niet gebleken is dat het plandeel in strijd is met de streekplanherziening, die door verweerder is aangeduid als een aanvulling van het POL, aangezien de in dit plandeel voorziene bebouwing geen woon- of bedrijfsbebouwing betreft.

Voorts staat vast dat het plangebied is gelegen in het gebied dat in het POL is aangeduid als perspectief 4 “Vitaal landelijk gebied”.

De Afdeling is met verweerder van oordeel dat de uitbreiding van het sportveldencomplex dient te worden aangemerkt als een recreatieve voorziening.

Voorts is de Afdeling van oordeel dat de uitbreiding van deze recreatieve voorziening past binnen het beleid zoals neergelegd in het POL ten aanzien van het gebied dat is aangeduid als perspectief 4.

Van strijd met het beleid zoals neergelegd in het POL is derhalve geen sprake.

2.22. Voorts kan appellant sub 1 zich niet verenigen met de wijze van ontsluiting van het sportveldencomplex op de Bemelerweg. Naar de mening van appellant leent de smalle en landschappelijke Bemelerweg zich niet voor het verwerken van piekdrukten. Appellant is van mening dat het complex via de Akersteenweg dient te worden ontsloten.

Appellanten sub 3 vrezen dat ten gevolge van de realisatie van het sportveldencomplex een te grote verkeersdruk op de directe omgeving zal ontstaan.

[appellanten sub 3] zijn verder nog van mening dat er een verkeersgevaarlijke situatie zal ontstaan als de ontsluiting van het complex op de Bemelerweg zal plaatsvinden, aangezien de Bemelerweg niet is ingericht op dergelijke verkeersstromen.

2.23. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat het kruispunt Bemelerweg-Oude Molenweg, op basis van het aantal geregistreerde aanrijdingen, niet bovengemiddeld verkeersgevaarlijk is. Voorts is de verkeersdruk niet dermate hoog dat zou moeten worden afgezien van de toegang tot de sportvelden aan de Bemelerweg. De Akersteenweg komt, gelet op de verkeersveiligheid en de noodzakelijke verkeersdoorstroming op de weg niet in aanmerking voor ontsluiting van het sportveldencomplex.

Voorts heeft de gemeenteraad zich op het standpunt gesteld dat de verkeersdruk op de directe omgeving deels gelijk zal blijven ten opzichte van de huidige situatie en deels, voor wat betreft de Oude Molenweg, zal afnemen. Slechts het wegdeel van de Bemelerweg dat gelegen is tussen de kruising met de Oude Molenweg en de nieuwe ingang van het complex is nieuw in de ontsluitingsroute. Op dit wegdeel zijn fietsvoorzieningen aanwezig. De verkeersdruk ter plaatse is niet dusdanig groot dat er volgens de gemeenteraad sprake is van een structurele verkeersgevaarlijke situatie.

2.24. Verweerder deelt het standpunt van de gemeenteraad dat de verkeersbelasting aan de Oude Molenweg zal afnemen doordat deze weg in de nieuwe situatie grotendeels gevrijwaard zal worden van verkeer van en naar het sportcomplex omdat de nieuwe hoofdingang aan de Bemelerweg komt te liggen. Nu de ingang aan de Oude Molenweg komt te vervallen, zal de verkeersbelasting bij de woning van appellanten Bollen aan de Oude Molenweg afnemen.

Met betrekking tot de bezwaren van [appellanten sub 3], die woonachtig zijn aan de Bemelerweg, heeft verweerder overwogen dat de leden die thans gebruik maken van de Bemelerweg om naar de sportvelden te gaan, dit ook in de toekomst zullen blijven doen. De leden van de voetbalvereniging “VV Scharn” uit de wijken Scharn en Heer zullen uitsluitend het eerste deel van de Bemelerweg gebruiken en niet langs de woning van deze appellanten rijden.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de clubaccommodatie en de toegang tot het sportveldencomplex op voldoende afstand van het kruispunt Oude Molenweg-Bemelerweg zijn gesitueerd, waardoor naar zijn mening geen sprake zal van een verkeersonveilige situatie.

2.25. Op grond van de stukken alsmede het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat in de bestaande situatie de gebruikers en bezoekers van de voetbalvereniging gebruik maken van de Bemelerweg en de Oude Molenweg ten einde de twee huidige locaties van de vereniging aan de Akersteenweg en de Oude Molenweg te bereiken.

De Afdeling acht het standpunt van verweerder dat ten gevolge van de opheffing van de sportvelden aan de Akersteenweg alsmede het vervallen van de toegang van de bestaande twee sportvelden aan de Oude Molenweg, de verkeersbelasting op de Oude Molenweg zal afnemen, niet onjuist. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten gevolge van het plan de verkeersbelasting ter hoogte van de woning van appellanten Bollen zal afnemen.

Voorts stelt de Afdeling op grond van de stukken alsmede het verhandelde ter zitting vast dat ten gevolge van de ontsluiting van de sportvelden aan de Bemelerweg, het verkeer op het eerste deel van de Bemelerweg, komende uit Maastricht, zal toenemen. De stukken bieden geen aanknopingspunten voor de opvatting dat deze toename zodanig groot zal zijn dat ter plaatse verkeersgevaarlijke situaties zullen ontstaan. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de ontsluiting naar het sportveldencomplex op voldoende afstand van het kruispunt Oude Molenweg-Bemelerweg zal worden gesitueerd.

Nu de toename van verkeer op het eerste deel van de Bemelerweg, komende uit Maastricht, zal plaatsvinden, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat, gelet op de ligging van de woning van [appellanten sub 3], ter plaatse van hun woning geen sprake zal zijn van toename van de verkeersdruk.

Dat ten gevolge van de uitbreiding van het sportveldencomplex het aantal verkeersbewegingen in het plangebied en de directe omgeving daarvan zal toenemen acht de Afdeling, gelet op de stukken alsmede het verhandelde ter zitting, niet aannemelijk, aangezien door sluiting van de sportvelden aan de Akersteenweg en de uitbreiding op de locatie aan de Bemelerweg slechts een verschuiving van de verkeersstromen zal plaatsvinden.

2.26. Appellant sub 1 en appellanten sub 3 betwisten de noodzaak van een verbindingszone ten behoeve van hamsters, aangezien de hamsters zich niet meer in het plangebied bevinden en er geen wetenschappelijk onderzoek bestaat of praktijkervaring waarmee kan worden onderbouwd dat een verbindingsroute bijdraagt aan de bescherming van de hamsters. Voorts is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de nu geplande locatie voor het sportcomplex de enige juiste locatie zou zijn in relatie tot een verbindingsroute ten behoeve van de hamsters, aldus appellanten sub 3.

Appellanten sub 2 zijn van mening dat door het sportveldencomplex inbreuk zal worden gemaakt op het natuurlijk verspreidingsgebied van de hamster. Er is onvoldoende onderzoek verricht naar de alternatieven in het kader van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992, inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206), zo stellen appellanten.

2.27. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat in het tussen de hamsterkernleefgebieden (Amby en Heer) gelegen gebied, waar de uitbreiding van het sportveldencomplex is beoogd, de hamster niet meer voor komt. In de toekomst zullen echter nieuwe populaties in de hamsterkernleefgebieden worden uitgezet en zal in het tussengebied de hamster in de toekomst weer kunnen worden aangetroffen. Op grond van rijksbeleid dienen verbindingszones tussen de diverse hamsterkernleefgebieden te worden aangelegd, ten einde het onderlinge verkeer tussen de verschillende hamsterpopulaties zeker te stellen. Dit beleid wordt door de gemeente Maastricht ondersteund en geconcretiseerd in het bestemmingsplan. Ten behoeve van de situering van de verbindingszone tussen de kernleefgebieden Amby en Heer is onderzoek verricht door het bureau Natuurbalans. De in dit onderzoek als minst ongunstig, gelet op de belangen van de hamster, aangemerkte situering van de verbindingszone is in het voorliggende plan opgenomen. Uit dit onderzoek bleek tevens dat de uitbreiding van het bestaande sportpark aan de Oude Molenweg, gelet op de belangen van de hamster en de situering van de meest gunstige verbindingszone, de enige locatie in het buitengebied is die realiseerbaar is.

Voorts heeft de gemeenteraad gesteld dat uit het onderzoek is gebleken dat bij de alternatieve locaties het leefgebied van de hamster dusdanig wordt verstoord dat de desbetreffende locaties niet realiseerbaar zijn.

2.28. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij, omdat sinds 1996 in het tussengebied geen hamsters meer zijn aangetroffen, de aanwijzing van het gehele gebied ten oosten van de Oude Molenweg als leefgebied van de hamster niet langer reëel acht, terwijl bovendien sprake is van een zeer globale aanduiding van het leefgebied van de hamster. Wel dient rekening te worden gehouden met het feit dat op grond van het “Beschermingsplan Hamster 2000-2004”(hierna: het beschermingsplan) van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) tussen de hamsterkernleefgebieden Amby en Heer een verbindingszone dient te worden aangelegd teneinde het onderlinge verkeer tussen de verschillende hamsterpopulaties zeker te stellen. Verweerder onderschrijft de in het beschermingsplan vermelde noodzaak tot het aanleggen van een verbindingszone.

Voorts onderschrijft verweerder het standpunt van de gemeenteraad dat, gelet op de belangen van de hamster en de meest gunstige verbindingszone, de thans gekozen locatie de enige locatie in het buitengebied is die realiseerbaar is.

2.29. Niet in geschil is dat in het plangebied sinds 1996 geen hamsters meer zijn aangetroffen.

Het plangebied is gelegen tussen de in het beschermingsplan aangeduide kernleefgebieden van hamsters Amby en Heer en valt binnen het gebied dat in het beschermingsplan is aangeduid als gebied waarbinnen een verbindingszone dient te worden aangelegd.

Ten behoeve van het opstellen van het bestemmingsplan heeft de gemeenteraad van Maastricht aan het bureau Natuurbalans opdracht gegeven onderzoek te verrichten naar de eisen van de ligging en inrichting van een verbindingszone voor de hamster en naar de essentiële voorwaarden voor het optimaal functioneren van de verbindingszone. Verder is het bureau verzocht onderzoek te doen naar de vraag wat de beïnvloeding is van het sportveldencomplex op de kwaliteit van de kernleefgebieden en de verbindingzone van de hamster en naar de vraag welke randvoorwaarden er te stellen zijn om de negatieve gevolgen voor de fauna op de aangrenzende terreinen zoveel mogelijk te beperken.

Uit het rapport van bureau Natuurbalans van 23 mei 2001 blijkt dat vier alternatieven zijn onderzocht voor het traject van de hamsterverbindingszone alsmede de inpassing van het sportveldencomplex.

Blijkens het rapport heeft de in het plan gekozen route voor de verbindingszone in combinatie met de inpassing van het sportveldencomplex de minste gevolgen voor een duurzame ontwikkeling van de hamster in het kernleefgebied Heer en heeft deze ook de minste gevolgen voor de uitwisseling van dieren tussen de kernen Heer en Amby. Bij een goede invulling van de verbindingszone voor Heer en Amby zal deze inrichtingsvariant geen gevolgen hebben voor het leefgebied van de hamster in het gebied ten oosten van Maastricht. Daarbij dienen de in het rapport vermelde randvoorwaarden voor de inrichting van het sportveldencomplex in acht te worden genomen, aldus bureau Natuurbalans.

2.30. Appellanten hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren.

Evenmin is de Afdeling gebleken dat bij dit onderzoek onvoldoende alternatieven zijn betrokken.

De omstandigheid dat er, voor zover bekend, geen ervaringen zijn met het aanleggen van een verbindingszone voor hamsters, zoals ook blijkt uit het rapport van bureau Natuurbalans, bekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat verweerder deswege goedkeuring had dienen te onthouden aan het plan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met de met dit plandeel beoogde doelstelling, te weten het scheppen van voorwaarden voor de ontwikkeling van hamsternetwerken.

2.31. Appellanten sub 2 en sub 3 vrezen overlast te zullen ondervinden van het sportveldencomplex.

Appellanten sub 2 voeren aan dat in verband met de geluidaspecten op grond van de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) in beginsel een afstand van 50 meter tussen de woonbebouwing en het sportcomplex dient te worden aangehouden. Verweerder heeft volgens appellanten nagelaten op deze bezwaren in te gaan.

Appellanten sub 3 vrezen geluidoverlast en lichthinder van het complex te ondervinden. Deze appellanten betwijfelen of voldaan kan worden aan de eisen opgenomen in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.

2.32. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de in de VNG-brochure vermelde afstand van 50 meter geen wettelijke verplichting is. Vanuit de huidige situatie in Maastricht, waar sportveldcomplexen in woonbuurten liggen en waar de aanbevolen afstand veelal minder is dan 50 meter en vanuit de wens de binding tussen sportverenigingen en woonbuurt te handhaven en zo nodig zelfs te versterken, hanteert de gemeenteraad de aanbevolen afstand niet zonder meer als uitgangspunt.

Voorts heeft de gemeenteraad gesteld dat in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer eisen worden gesteld aan de geluidproductie met betrekking tot nabij gelegen gevels van woningen. De geluidbelasting op de gevels van de nabij gelegen woningen mag maximaal 50 dB(A) bedragen. Het sportveldencomplex zal aan deze eisen moeten voldoen. In het kader van een melding op grond van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen zullen voorts nadere eisen worden gesteld aan de geluiduitstraling naar de zijden van het sportpark waar geen woningen aanwezig zijn.

De gemeenteraad hanteert als grenswaarden voor lichthinder op de gevel van woningen tussen 07.00 uur en 23.00 uur 10 lux voor het stedelijk gebied en 5 lux voor het landelijk gebied. De woningen aan de Oude Molenweg liggen volgens de gemeenteraad feitelijk in het stedelijk gebied van Maastricht, het sportveldencomplex in het landelijk gebied. Gelet op deze overgangssituatie zal de gemeenteraad in het kader van de realisering van het sportveldencomplex bij de keuze van de verlichting een grenswaarde van 5 lux aanhouden. De afstand van het sportcomplex tot de woningen is dermate groot dat met de huidige verlichtingstechniek de grenswaarde van 5 lux haalbaar is en dat, bij een afstand van 50 meter, zelfs 0 lux mogelijk is, aldus de gemeenteraad.

2.33. Verweerder is van mening dat, gelet op artikel 22, derde lid, van de planvoorschriften, bij de uitwerking van de bestemming uitdrukkelijk rekening zal worden gehouden met de aspecten geluid- en lichthinder, waardoor in beginsel voldoende wordt tegemoet gekomen aan de bedenkingen van appellanten. Verweerder heeft het standpunt van de gemeenteraad onderschreven, dat het sportveldencomplex zal moeten voldoen aan de eisen met betrekking tot geluidproductie en geluidbelasting.

Voorts is verweerder van mening dat met de grenswaarde van 5 lux voldoende met de belangen van appellanten rekening is gehouden.

2.34. De Afdeling stelt vast dat verweerder in zijn bestreden besluit niet uitdrukkelijk is ingegaan op het bezwaar van appellanten sub 2 met betrekking tot de afstand van 50 meter als bedoeld in de VNG-brochure in verband met geluidoverlast. Verweerder heeft echter blijkens het bestreden besluit de bezwaren van deze appellanten met betrekking tot geluidoverlast in zijn afweging betrokken. In zoverre is geen sprake van een besluit dat niet op een deugdelijke motivering berust.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting bedraagt de afstand tussen het huidige sportveldencomplex en de dichtstbijgelegen woonbebouwing ongeveer 40 meter. Voorts is ter zitting vast komen te staan dat in de nieuwe situatie binnen een afstand van 50 meter geen andere bestaande woonbebouwing komt te liggen. In zoverre is geen sprake van een verslechtering van de bestaande situatie.

Verder dient, gelet op artikel 22, derde lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften, het college van burgemeester en wethouders bij de uitwerking van de bestemming de sportvoorzieningen zodanig te situeren dat zoveel mogelijk geluid- en lichtoverlast voor de nabij gelegen woningen wordt voorkomen. Blijkens de toelichting bij het bestemmingsplan alsmede hetgeen van de zijde van de vertegenwoordiger van de gemeenteraad ter zitting is aangegeven, kan dit onder meer door de sportterreinen en de daarbij behorende bebouwing zodanig te situeren dat de geluidproductie zoveel mogelijk binnen het terrein van de inrichting wordt gehouden.

Met hetgeen appellanten sub 3 hebben aangevoerd hebben zij naar het oordeel van de Afdeling op voorhand niet aannemelijk gemaakt dat de inrichting niet zal kunnen voldoen aan de voorwaarden op grond van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.

Voorts acht de Afdeling de door de gemeenteraad gekozen en door verweerder onderschreven grenswaarde van 5 lux voor lichthinder op de gevel van woningen niet onredelijk. De Afdeling is met verweerder van oordeel dat, gelet op de afstand tussen de woningen en het sportveldencomplex, alsmede de omstandigheid dat in het kader van het uitwerkingsplan de situering van de voorziene lichtmasten zodanig dient te geschieden dat overlast door licht zoveel mogelijk wordt voorkomen, voldoende wordt tegemoetgekomen aan de bedenkingen van appellanten.

2.35. Appellant sub 1 heeft aangevoerd dat het zogeheten “Rondje Bemelen” ten onrechte niet in het plan is opgenomen en dat een deel van deze wandelroute op de Oude Molenweg geprojecteerd dient te worden.

2.36. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de invulling van het “Rondje Bemelen” primair een verantwoordelijkheid van de gemeente is. Voorts is verweerder van mening dat het plan de mogelijkheid biedt om via een aanlegvergunning een weg aan te leggen ten behoeve van deze wandelroute.

2.37. Uit de stukken blijkt dat het zogeheten “Rondje Bemelen” een stelsel van (oude) wegen en paden is dat wandelaars in staat stelt een rondwandeling te maken door het oostelijk buitengebied naar Bemelen en weer terug.

De Afdeling stelt vast dat de door appellant bedoelde wandelroute niet als zodanig in het plan is opgenomen. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat het bestemmingsplan aan de realisering van een dergelijke wandelroute niet in de weg staat. De wijze waarop aan deze wandelroute vorm wordt gegeven ligt evenwel in het kader van het voorliggende goedkeuringsbesluit niet ter beoordeling voor.

2.38. Appellant sub 1 en appellanten sub 2 zijn van mening dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend, voor zover het plan voorziet in bebouwingsmogelijkheden op het sportveldencomplex.

Appellanten sub 2 zijn van mening dat het niet mogelijk is om het complex zodanig landschappelijk in te passen dat geen strijd meer zou bestaan met het doel om het landschap ter plaatse te behouden en te versterken.

2.39. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de doelstelling tot het behouden en het versterken van het landschap, ziet op de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarde” en derhalve niet op de bestemming “Uit te werken sportdoeleinden”.

Voorts is verweerder van mening dat de voorgestane uitbreiding onvermijdelijk met zich brengt dat de huidige landschappelijke situatie ter plaatse zal veranderen.

Verweerder heeft er op gewezen dat de goothoogte van de in het plan voorziene tribune is vastgesteld op maximaal 7 meter en de hoogte van de overige gebouwen op maximaal 8 meter, hetgeen verweerder aanvaardbaar acht aangezien op deze wijze de bebouwing zo compact mogelijk kan worden gehouden. Tevens acht verweerder van belang dat de gebouwen door middel van een groenstrook aan het zicht worden onttrokken.

Met de gemeenteraad stelt verweerder zich op het standpunt dat enerzijds door het hoofdzakelijk onbebouwde karakter van het sportveldencomplex en anderzijds de grote zorg die zal worden besteed aan de landschappelijke inpassing van het complex en de aansluiting daarvan op het aangrenzende woongebied, geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het landschap.

2.40. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de doelstelling van het behouden en het versterken van het landschap, ziet op de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarde” en niet op de bestemming “Uit te werken sportdoeleinden”.

Gelet op de stukken alsmede het verhandelde ter zitting, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten gevolge van het plan de landschappelijke situatie ter plaatse zich zal wijzigen, doch dat dit niet zodanig zal zijn dat verweerder hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het in de uitwerkingsregels opgenomen bebouwingspercentage voor toegelaten bouwwerken, waaronder een clubhuis en een tribune, maximaal vijf bedraagt, zodat het sportveldencomplex grotendeels onbebouwd zal zijn. Voorts zal de toegestane bebouwing op grond van de uitwerkingsregels zoveel mogelijk nabij de Bemelerweg worden gesitueerd, zodat een mogelijke inbreuk op de landschappelijke situatie zoveel mogelijk zal worden beperkt. Verder blijkt uit de stukken alsmede het verhandelde ter zitting dat de bebouwing door middel van groenvoorzieningen aan het zicht zal worden onttrokken.

2.41. Appellanten sub 2 en appellanten sub 3 zijn van mening dat ten aanzien van de sportvereniging “VV Scharn” geen sprake is van een zodanige buurtgebondenheid dat om die reden een locatie voor deze sportvereniging in de buurt noodzakelijk is. Nu de buurtgebondenheid van de sportvereniging als uitgangspunt is genomen, is het onderzoek naar alternatieven te beperkt geweest aangezien alleen is gekeken naar buurtgebonden locaties.

Naar de mening van deze appellanten heeft verweerder ten onrechte nagelaten de door hen voorgestelde alternatieven te bespreken of te onderzoeken.

2.42. Uit de stukken blijkt dat het gemeentelijk beleid er op gericht is om sportaccommodaties zoveel mogelijk onderdeel uit te laten maken van de wijken van herkomst van de desbetreffende sportclubs. Voorts is het gemeentelijk beleid er op gericht om de binding tussen (sport-)vereniging en buurt zoveel mogelijk te versterken.

De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat een groot deel van de leden, meer dan 50%, afkomstig is uit de wijken Scharn en Heer en dat het een vereniging betreft met een groot aantal jeugdleden (450 van totaal 700 leden). Tevens is een groot deel van de vrijwilligers afkomstig uit deze wijken. In verband hiermede is volgens de gemeenteraad sprake van een aanzienlijke binding van de sportvereniging met de buurt en heeft de vereniging een belangrijke sociale functie voor de jeugd. Derhalve acht de gemeenteraad huisvesting van de sportvereniging in de nabije omgeving van groot belang voor de vereniging en de buurt.

2.43. Verweerder acht het gemeentelijk beleid niet onredelijk en acht het plan hiermede in overeenstemming. Voorts heeft verweerder geen aanleiding gezien de door de gemeenteraad gehanteerde cijfers betreffende de leden van de vereniging in twijfel te trekken.

Verweerder is van mening dat, gelet op het uitgangspunt dat de huisvesting van de sportvereniging in de nabije omgeving dient plaats te vinden, het alternatievenonderzoek niet te beperkt is geweest. Naar de mening van verweerder bestaat er voor de gemeenteraad geen plicht om onbeperkt onderzoek te verrichten.

2.44. Het standpunt van verweerder dat het gemeentelijk beleid niet onredelijk is, is niet in geding.

Voorts bieden de stukken geen aanknopingspunten voor de opvatting dat verweerder er, in navolging van de gemeenteraad, ten onrechte van is uitgegaan dat een aanzienlijk deel van de leden van de sportvereniging afkomstig is uit de wijken Scharn en Heer. De enkele ontkenning van appellanten dat een aanzienlijk deel van de leden afkomstig is uit genoemde wijken acht de Afdeling in dit verband onvoldoende.

Zoals hiervoor reeds is aangegeven, is onderzoek verricht naar alternatieven voor de locatie van het sportveldencomplex, doch dit onderzoek heeft zich beperkt tot alternatieven in de omgeving van genoemde wijken.

Gelet op het gekozen uitgangspunt, is de Afdeling met verweerder van oordeel dat het alternatievenonderzoek niet te beperkt is geweest en dat voor de gemeenteraad geen plicht bestond dit onderzoek tot een groter gebied uit te breiden.

Hierbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.45. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellanten bestreden plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de desbetreffende plandelen.

De beroepen zijn ongegrond.

2.46. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

328.