Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0333

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
200301396/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wethouders van Amstelveen (hierna: het college) een verzoek van appellant om schadevergoeding ter zake van de wijziging van zijn standplaats voor bloemenverkoop afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 25
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/390
Module Grondzaken 2003/120
Module Ruimtelijke ordening 2003/5219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301396/1.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 22 januari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (hierna: het college) een verzoek van appellant om schadevergoeding ter zake van de wijziging van zijn standplaats voor bloemenverkoop afgewezen.

Bij brief van 21 november 2000 heeft het college appellant medegedeeld te hebben besloten het daartegen door laatstgenoemde gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, overeenkomstig het ongedateerde advies van de commissie voor de bezwaarschriften.

Bij uitspraak van 22 januari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 mei 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M. van Kuilenburg, advocaat te Amstelveen, en het college, vertegenwoordigd door D.J.D. van Miert, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft overwogen dat het college het bezwaar van appellant terecht, zij het zonder deugdelijke motivering, niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.2. In tegenstelling tot hetgeen appellant betoogt, is het niet aan het college, maar aan appellant om in zijn verzoek om vergoeding van schade aan te geven welke het schadeveroorzakende besluit is. In de bezwaarprocedure heeft de commissie voor de bezwaarschriften appellant verzocht aan te geven welke het schadeveroorzakende besluit is. Bij faxbericht van 24 oktober 2000 heeft appellant in antwoord hierop primair het door de raad van de gemeente Amstelveen (hierna: de gemeenteraad) op grond van artikel 25 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) genomen besluit van 21/22 april 1993 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Stadshart" als schadeveroorzakend besluit aangewezen. Het college is in zijn beslissing op bezwaar daar dan ook terecht van uitgegaan, gelijk de rechtbank terecht heeft overwogen.

Op het verzoek van appellant om vergoeding van schade als gevolg van het bestemmingsplan is artikel 49 van de WRO van toepassing. Aangezien ingevolge dit artikel, voorzover thans van belang, de gemeenteraad bevoegd is te beslissen op verzoeken om planschadevergoeding, en niet is gebleken dat die bevoegdheid door de gemeenteraad aan het college was gedelegeerd, heeft het college onbevoegdelijk het verzoek van appellant afgewezen. In zijn beslissing op bezwaar had het college zijn besluit van 30 juni 2000 dan ook moeten herroepen door intrekking en het verzoek van appellant vervolgens moeten doorzenden naar de gemeenteraad. De rechtbank heeft dit miskend.

Dat, naar het college ter zitting heeft medegedeeld, het verzoek inmiddels alsnog ter behandeling aan de gemeenteraad is doorgezonden, doet hieraan niet af.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren, de beslissing op bezwaar vernietigen en het besluit van het college van 30 juni 2000 herroepen door intrekking.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 22 januari 2003, AWB 01/19 WET;

III. verklaart het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen van 21 november 2000, kenmerk 12863/2000.00239;

V. herroept het besluit van het voormelde college van 30 juni 2000, kenmerk 9949, door intrekking ervan;

VI. gelast dat de gemeente Amstelveen aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 175,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

164-424.