Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0328

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
200301373/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Amersfoort, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 juni 2002, het bestemmingsplan "Berg, herziening Johan van Oldenbarnevelt gymnasium" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/389
BR 2005/31

Uitspraak

200301373/1.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. De vereniging van omwonenden van het voormalige Johan van Oldenbarnevelt gymnasium, gevestigd te Amersfoort (verder te noemen: de vereniging),

2. het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (verder te noemen: het college),

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Amersfoort, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 juni 2002, het bestemmingsplan "Berg, herziening Johan van Oldenbarnevelt gymnasium" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 7 januari 2003, no. 2002REG002993i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 4 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2003, en appellant sub 2 bij brief van 4 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 mei 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. J.C.M. van Roessel, advocaat te Rosmalen, [gemachtigden], appellant sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ir. M.J. Buruma, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Amersfoort, vertegenwoordigd door ing. Y.H.G. Grutters, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder te noemen: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in het gebruik van het voormalige schoolgebouw Johan van Oldenbarnevelt gymnasium als woon-, atelier/galerie- en kantoorruimte. Met het plan wordt tevens de bouw van zeven woningen op het voormalige sportterrein mogelijk gemaakt.

2.3. De vereniging stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming “Gemengde doeleinden”, de bestemming “Tuin” en de bestemming “Groenvoorzieningen”, omdat de bij deze bestemmingen behorende voorschriften onvoldoende bescherming bieden voor het behoud van het karakteristiek van het monumentale schoolgebouw. Appellante voert als formeel bezwaar aan dat de wijze van horen door de gemeenteraad niet kan worden aangemerkt als horen zoals bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder d, van de WRO.

2.3.1. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met het recht te achten en heeft deze plandelen goedgekeurd. Hij stelt allereerst dat de gemeenteraad appellante strikt genomen in de gelegenheid heeft gesteld om haar zienswijze mondeling toe te lichten. Verweerder is in dit verband tevens van mening dat appellante niet in haar belangen is geschaad door de gang van zaken, omdat zij gedurende de procedure voldoende gelegenheid heeft gehad om haar bezwaren kenbaar te maken.

Daarnaast is verweerder van mening dat de planvoorschriften voldoende waarborgen bevatten om de karakteristieken van het monument te kunnen beschermen.

2.3.2. Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder d, van de WRO stelt de gemeenteraad degenen die hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt in de gelegenheid tot het geven van een nadere mondelinge toelichting. Een appellant is in de gelegenheid gesteld een mondelinge toelichting te geven als hij wordt uitgenodigd deze te geven. De WRO stelt aan het horen door de gemeenteraad geen vormvereisten.

Ter zitting is gebleken dat zeer kort voor de raadsvergadering waarin het plan is vastgesteld een ambtenaar van de gemeente appellante telefonisch heeft benaderd voor een reactie. Deze reactie is op schrift gesteld, doch dit stuk is niet ondertekend. Verder is gebleken dat dit stuk kort voor de raadsvergadering bij de stukken van de vergadering is gevoegd, maar dat de vaststelling van het plan als hamerstuk is behandeld, zoals reeds enkele dagen eerder was voorgesteld. De Afdeling acht de hiervoor beschreven handelwijze dermate onzorgvuldig dat deze niet kan worden aangemerkt als een door de gemeenteraad geboden gelegenheid een mondelinge toelichting te geven. Aan artikel 23, eerste lid, onder d, van de WRO is niet voldaan.

2.3.3. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met artikel 23, eerste lid, onder d, van de WRO vastgesteld. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De Afdeling is van oordeel dat het in artikel 23, eerste lid, onder d, van de WRO neergelegde vereiste een wezenlijk onderdeel van de procedure betreft, waardoor anders dan verweerder stelt in dit geval geen plaats is voor een beoordeling of appellante al dan niet in haar belangen is geschaad. Het beroep van de vereniging is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming “Gemengde doeleinden”, de bestemming “Tuin” en de bestemming “Groenvoorzieningen”.

Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan de hiervoor vermelde plandelen.

2.4. De vereniging en het college stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan enkele delen van artikel 1 en aan artikel 11, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften. Appellanten voeren aan dat de opgenomen voorschriften wel degelijk ruimtelijk relevant zijn en geen branchebepalingen betreffen. Voorts stellen appellanten dat de gemeente Amersfoort geen algehele uitsluiting van seksinrichtingen kent. Verder zijn seksinrichtingen in het plangebied vanuit ruimtelijk oogpunt ongewenst, aldus appellanten. De vereniging voert tevens aan dat met de onthouding van goedkeuring het doel en het karakter van het plan wordt miskend.

2.4.1. Verweerder heeft reden gezien goedkeuring te onthouden aan bovengenoemde delen van de planvoorschriften. Verweerder stelt dat de voorschriften niet in overeenstemming zijn met het prostitutiebeleid van de provincie Utrecht als neergelegd in de “Regeling van prostitutie in ruimtelijke plannen” van 28 augustus 2001. Voorts stelt verweerder dat sprake is van branchebepalingen, hetgeen op grond van vaste jurisprudentie niet is toegestaan in bestemmingsplannen. Ten aanzien van het verbod op het gebruik van gronden als seksinrichting stelt verweerder dat een motivering ontbreekt waarom dat gebruik zich uit ruimtelijk oogpunt onderscheidt van andere mogelijke vormen van gebruik.

2.4.2. Ingevolge artikel 1, onder r, van de planvoorschriften, wordt onder een seksinrichting verstaan: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan : een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

Ingevolge artikel 1, onder s, van de planvoorschriften, wordt onder seksbioscoop/-theater verstaan: een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid, waarin voorstellingen van erotische of pornografische aard worden gegeven.

Ingevolge artikel 1, onder t, van de planvoorschriften, wordt onder een seksautomatenhal verstaan: een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid, waarin door middel van automaten, filmvoorstellingen en liveshows (peepshows) worden gegeven.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften, is het verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan deze gronden gegeven bestemming en met het in of krachtens het plan ten aanzien van het gebruik van deze gronden en bouwwerken bepaalde.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften, is een verboden gebruik als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval het gebruik van bebouwde gronden als een seksinrichting.

2.4.3. In haar uitspraak van 22 mei 2002, no. 200102324/1, www.raadvanstate.nl en AB 2003/79, heeft de Afdeling overwogen dat aan de gemeenteraad in beginsel de bevoegdheid toekomt in een bestemmingsplan het gebruik van terreinen, gebouwen, vaar- of voertuigen voor seksinrichtingen te reguleren. Deze bevoegdheid dient te worden uitgeoefend ter behartiging van het belang van een goede ruimtelijke ordening en dient derhalve gestoeld te zijn op ruimtelijk relevante overwegingen en criteria. Daarnaast geldt als uitgangspunt dat, wanneer de gemeenteraad het nodig oordeelt in een plan een regeling te treffen ten aanzien van een, met name genoemde, legale, beroeps- of bedrijfsactiviteit, hij motiveert waarom die activiteit naar zijn mening zich uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onderscheidt van andere mogelijke vormen van gebruik van terreinen, gebouwen, vaar- of voertuigen.

Blijkens de toelichting op het plan heeft de gemeenteraad seksinrichtingen in het onderhavige plangebied ongewenst geacht en expliciet verboden. Het is de Afdeling niet gebleken, dat de gemeenteraad aan het op deze wijze reguleren van dergelijk gebruik, ruimtelijk relevante overwegingen en criteria ten grondslag heeft gelegd. Evenmin heeft de gemeenteraad gemotiveerd waarom dergelijk gebruik zich naar zijn mening onderscheidt van andere mogelijke vormen van gebruik van terreinen, gebouwen, vaar- of voertuigen. De Afdeling is van oordeel dat verweerder reeds hierom goedkeuring heeft kunnen onthouden aan de hierboven weergegeven planvoorschriften.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.5. Ten aanzien van de vereniging dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het college bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 1 deels gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 7 januari 2003, 2002REG002993i, voorzover het betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Gemengde doeleinden”, de bestemming “Tuin” en de bestemming “Groenvoorzieningen”.

III. onthoudt goedkeuring aan de plandelen als genoemd onder II;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voorzover dit is vernietigd;

V. verklaart het beroep van appellante sub 1 voor het overige en het beroep van appellant sub 2 ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht in de door appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 763,24, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Utrecht te worden betaald aan appellante sub 1;

VII. gelast dat de provincie Utrecht aan appellante sub 1 het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Soede

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

270-445.