Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0326

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
200302149/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2001 heeft appellant (hierna: het college) het verzoek van [verzoekers] om handhavend op te treden tegen de door [partij] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) in strijd met het bestemmingsplan aangelegde en als zodanig gebruikte landingsplaats voor een helikopter afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2003/4811
Module Ruimtelijke ordening 2003/156

Uitspraak

200302149/1.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Roermond van 20 februari 2003 in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2001 heeft appellant (hierna: het college) het verzoek van [verzoekers] om handhavend op te treden tegen de door [partij] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) in strijd met het bestemmingsplan aangelegde en als zodanig gebruikte landingsplaats voor een helikopter afgewezen.

Bij besluit van 24 mei 2002 heeft het college het daartegen door [verzoekers] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 februari 2003, verzonden op 21 februari 2003, heeft de rechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 augustus 2003 hebben [verzoekers] van antwoord gediend.

Bij brief van 8 augustus 2003 heeft [partij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2003, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. van de Kolk, ambtenaar der gemeente, en [verzoekers], vertegenwoordigd door mr. L.B. Sauerwein, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], zijn verschenen. Tevens is [partij] in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college betoogt dat de rechtbank de aanleg en het gebruik van de verharding als landingsplaats voor een helikopter ten onrechte heeft getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Grubbenvorst” (hierna: het bestemmingsplan).

Dit betoog faalt. Vast staat dat het gedeelte van het perceel waarop de verharding is aangebracht daardoor geschikt is gemaakt als permanente landingsplaats voor een helikopter en als zodanig in gebruik is genomen. Een dergelijk aanleggen en gebruik van de verharding moet aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan worden getoetst. De door het college gestelde omstandigheid dat de verharding, bestaande uit een aantal tegels in de vorm van een “H”, binnen een kort tijdsbestek kan worden verwijderd, doet daaraan niet af. Evenmin doet hieraan af dat van de landingsplaats vooralsnog minder gebruik is gemaakt dan door de Rijksluchtvaartdienst ter plaatse is toegestaan.

Het college kan ook niet worden gevolgd in het betoog dat het gebruik van het perceel als landingsplaats – voor het opstijgen en landen van helikopters – niet (meer) getoetst kan worden aan het bestemmingsplan, indien de Rijksluchtvaartdienst toestemming heeft gegeven dat aldaar vluchten mogen worden gehouden, zoals in dit geval. Bij het verlenen van de toestemming heeft de Rijksluchtvaartdienst immers alleen aan de Luchtvaartwet getoetst.

Met betrekking tot de stelling van het college dat het stallen van een helikopter vergelijkbaar is met het stallen van een auto, moet worden geoordeeld dat, zo dit gebruik al vergelijkbaar is, de aanleg van een verharding ten behoeve van het laatstgenoemde gebruik eveneens getoetst moet worden aan het bestemmingsplan.

2.2. Het betoog van het college dat de rechtbank heeft miskend dat de aanleg en het gebruik van de verharding als landingsplaats niet in strijd is met het bestemmingsplan, faalt evenzeer. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de aanleg en het gebruik in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarde” en daarom, gelet op het gebruiksverbod, neergelegd in artikel 6 van de planvoorschriften, is verboden. De omstandigheid dat voor de aanleg van de verharding op grond van het bestemmingsplan geen aanlegvergunning nodig is – nu de oppervlakte daarvan minder dan 200 m2 bedraagt –, betekent, anders dan het college kennelijk veronderstelt, niet dat het gebruiksverbod buiten werking is gesteld.

2.3. Voor zover het college ter zitting in hoger beroep heeft bedoeld te betogen dat in de geringe omvang van het gebruik van de verharding als landingsplaats een bijzondere omstandigheid is gelegen op grond waarvan in dit geval van handhavend optreden moet worden afgezien, stelt de Afdeling vast dat het hoger beroep niet is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat van bijzondere omstandigheden niet is gebleken. Dit oordeel moet derhalve als een gegeven worden beschouwd.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Er zijn termen aanwezig om het college als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de door [verzoekers] in verband met de door hen voor de hoger beroepsprocedure gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van

Horst aan de Maas in de door [verzoekers] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Horst aan de Maas te worden betaald aan [verzoekers].

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins- de Vin w.g. Van Roosmalen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

53-429.