Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0312

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
200301319/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 1996 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college), onder meer op grond van artikel 2.6 van de Prijsregelen bejaardenoorden 1994, voor het door appellant geëxploiteerde bejaardenoord “[naam]” de jaarrekening 1994 en de te verrekenen provinciale subsidie 1994 vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200301319/1.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 16 januari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 1996 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college), onder meer op grond van artikel 2.6 van de Prijsregelen bejaardenoorden 1994, voor het door appellant geëxploiteerde bejaardenoord “[naam]” de jaarrekening 1994 en de te verrekenen provinciale subsidie 1994 vastgesteld.

Bij besluit van 3 december 1996 heeft het college het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 mei 1999 heeft de arrondissementsbank te Maastricht het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 april 2000 heeft de Afdeling het daartegen door appellant ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 18 mei 1999 vernietigd, het tegen het besluit van 3 december 1996 ingestelde beroep gegrond verklaard en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Op 6 juni 2000 heeft het college twee afzonderlijke besluiten genomen. Bij het te dezen van belang zijnde besluit van 6 juni 2000 met kenmerk 2000/23641F is de eindafrekening in verband met de sluiting van het tehuis per 31 december 1994 op dezelfde hoogte vastgesteld als bij besluit van 7 juni 1996 is geschied.

Bij besluit van 7 november 2000 heeft het college, voorzover hier van belang, het tegen het besluit van 6 juni 2000 met het kenmerk 2000/23641F gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aangegeven dat (een deel van) het saldo onderhoudsfonds per ultimo 1994 van ƒ 120.878,--(€ 54.852,04) aan de provincie ten goede dient te komen.

Bij uitspraak van 16 januari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het beroep van appellant tegen het besluit van 7 november 2000, inhoudende de vaststelling van de eindafrekening, gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, het beroep van appellant tegen het besluit van 6 juni 2000 met kenmerk 2000/23641F gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 juni 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2003, waar het college, vertegenwoordigd door mr. E.W.M. L. Jansen, werkzaam bij de provincie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft het door het college ten onrechte als beslissing op bezwaar aangemerkte besluit van 7 november 2000 vernietigd op de grond dat het onbevoegd is genomen. Zij heeft tevens het door het college ten onrechte niet als beslissing op bezwaar aangemerkte besluit van 6 juni 2000, kenmerk 2000/23641F vernietigd. De rechtsgevolgen van dat als beslissing op bezwaar aan te merken besluit heeft de rechtbank in stand gelaten, omdat het college in redelijkheid daartoe is kunnen komen, aldus de rechtbank.

2.2. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de aangevallen uitspraak in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in die zin dat, nu de rechter het besluit van 6 juni 2000 heeft vernietigd, het college in de gelegenheid had moeten worden gesteld een nieuw besluit te nemen. Dat is niet gebeurd. Daarom is het niet zeker dat de besluiten conform de rechtsvinding van de rechter ook door het college zouden zijn uitgelegd, aldus appellant. Appellant voelt zich door die gang van zaken in zijn belangen geschaad.

2.3. Het hoger beroep beperkt zich tot de toepassing door de rechtbank van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.4. Artikel 8:72, derde lid, van de Awb kent de rechtbank de bevoegdheid toe te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.5. De Afdeling heeft bij uitspraak van 3 april 2000 de beslissing op bezwaar van 3 december 1996 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft op juiste gronden overwogen dat, gelet op de systematiek van de Awb, het besluit van 6 juni 2000 moet worden aangemerkt als een nieuwe beslissing op bezwaar, nu daarbij niet tevens het primaire besluit van 7 juni 1996 is ingetrokken. De rechtbank heeft het besluit van 6 juni 2000 vernietigd, omdat daaraan een dragende motivering ontbrak. De rechtbank heeft evenwel de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat uit het eveneens vernietigde besluit van 7 november 2000 de motivering genoegzaam is gebleken en de rechtbank, met inachtneming van deze motivering, tot het oordeel is gekomen dat het college het bestreden besluit op goede gronden heeft genomen en het opnieuw beslissen door het college slechts tot verdere vertraging zou leiden. De rechtbank heeft aldus geen onjuiste toepassing gegeven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Wolff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

238.