Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0310

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
200301826/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2001 is namens de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) geweigerd een door appellante aangeboden uittreksel uit het geboorteregister (hierna: het geboortebewijs) ten behoeve van [dochter] (hierna: de dochter) te legaliseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301826/1.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 29 januari 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2001 is namens de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) geweigerd een door appellante aangeboden uittreksel uit het geboorteregister (hierna: het geboortebewijs) ten behoeve van [dochter] (hierna: de dochter) te legaliseren.

Bij besluit van 2 april 2002 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften consulaire zaken zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 29 januari 2003, verzonden op 6 februari 2003, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 maart 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 juni 2003 heeft de minister van antwoord gediend. Daarbij heeft hij op de voet van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzocht om ten aanzien van een aantal stukken, die betrekking hebben op het door de Nederlandse ambassade te Accra in Ghana verrichte verificatieonderzoek, toe te staan dat appellante daarvan geen, althans gedeeltelijk geen, kennis kan nemen. Op 23 september 2003 heeft de Afdeling, in andere samenstelling, beslist dat het verzoek gerechtvaardigd is. Bij brief van 1 oktober 2003 heeft appellante toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2003, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. P. Scholtes, advocaat te ’s-Gravenhage, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. S.M.B. Verlinde, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Legalisatie van het geboortebewijs is geweigerd, omdat de vermelding in het geboortebewijs van [verzoeker] als aangever onjuist is en voorts met betrekking tot ter legalisatie overgelegde documenten uit [land] volgens het terzake gevoerde beleid wordt uitgegaan van twijfel aan de juistheid van de inhoud van die documenten, die in dit geval niet door middel van schriftelijke, objectieve bronnen is weggenomen.

2.2. Appellante betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat registers van het [hospitaal] en de [kerk] vanwege de daarin aangebrachte wijzigingen niet als betrouwbare, objectieve bronnen kunnen worden aangemerkt.

2.2.1. Gelet op het verslag van het verificatieonderzoek, de overige stukken en het verhandelde ter zitting, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister de twijfel aan de juistheid van het geboortebewijs weggenomen heeft moeten achten. Deze twijfel heeft appellante niet kunnen wegnemen door het aandragen van mogelijke oorzaken die geleid zouden kunnen hebben tot de door de minister aangetroffen wijzigingen in de registers, dan wel door de niet nader gestaafde stelling dat het ziekenhuis en de kerk de wijzigingen niet hebben bevestigd. Ditzelfde geldt voor de verklaringen van familieleden, waarin de geboorte van de dochter van appellante in het [hospitaal] wordt bevestigd. Aan dergelijke verklaringen heeft de minister, als niet afkomstig uit schriftelijke, objectieve bron, niet de betekenis hoeven toekennen die appellante daaraan kennelijk gehecht wilde zien.

2.3. Het betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat de in beginsel aanwezige twijfel omtrent de juistheid van de in het geboortebewijs vermelde geboortedatum door het aantreffen van een afwijkende geboortedatum in het schoolregister is versterkt, faalt evenzeer. De verklaring van appellante voor de afwijkende geboortedatum, dat de dochter door een derde die haar geboortedatum niet kende naar school is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.

2.4. Appellante betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de minister haar gelegaliseerde ongehuwdverklaring, waarin de geboortedatum van de dochter wordt vermeld, ten onrechte niet als bewijs van de inhoudelijke juistheid van het geboortebewijs van de dochter heeft aanvaard. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, reeds nu de inhoudelijke juistheid daarvan niet is geverifieerd, de ongehuwdverklaring niet kan dienen om de twijfel omtrent de juistheid van de in het geboortebewijs vermelde geboortedatum weg te nemen.

2.5. Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu uit het verificatieonderzoek is gebleken en door appellante niet wordt betwist dat het geboortebewijs een onjuist gegeven bevat, de minister legalisatie van het geboortebewijs op goede gronden heeft geweigerd. Appellante beroept zich in dit verband op het gelijkheidsbeginsel, omdat ten aanzien van het geboortebewijs van haar zoon de mogelijkheid is geboden de vermelding van [verzoeker] als aangever te wijzigen.

2.5.1. Dit betoog faalt, reeds omdat bij het verificatieonderzoek naar de juistheid van de in het geboortebewijs van de zoon bedoelde persoonsgegevens - anders dan bij de dochter - bevestiging is gevonden in enkele schriftelijke, objectieve bronnen. Van gelijke gevallen is mitsdien geen sprake.

2.6. Voorzover appellante tenslotte beoogt te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat zij door de weigering het geboortebewijs te legaliseren onevenredig in haar belangen wordt getroffen, nu dit ertoe leidt dat de dochter geen machtiging tot voorlopig verblijf zal worden verleend, dan wel dat de minister in het onderhavige geval van zijn beleid had dienen af te wijken, omdat het belang van appellante bij de effectuering van haar recht op gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hiertoe noopt, faalt dit betoog.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van

21 augustus 2002 in zaak no. 200105909/1 (JV 2002/347), is bij legalisatie uitsluitend van belang of het desbetreffende document wat betreft zijn inhoud van zodanige kwaliteit is, dat het verantwoord is het in de Nederlandse rechtsorde een zelfstandige rol te laten vervullen. Niet van belang is, welke gevolgen een eventuele weigering om het document te legaliseren met zich kan brengen voor degene die om legalisatie heeft verzocht. Die gevolgen kunnen door de daartoe bevoegde instanties onder ogen worden gezien in de procedure, waarvoor het document nodig is. Daarin kan beoordeeld worden of de belangen van betrokkene moeten prevaleren boven die, gediend met het stellen van de eis van legalisatie. Dit oordeel kan desgewenst vervolgens aan de bevoegde rechter ter toetsing worden voorgelegd.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.P. van Os-Ravesloot, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Os-Ravesloot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

248-438.