Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0306

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
200300616/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2000 heeft de raad der gemeente Alphen-Chaam (hierna: de raad) het verzoek van appellante om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2003/3741
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300616/1.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 16 december 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de raad der gemeente Alphen-Chaam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2000 heeft de raad der gemeente Alphen-Chaam (hierna: de raad) het verzoek van appellante om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) afgewezen.

Bij besluit van 24 januari 2002 heeft de raad het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 december 2002, verzonden op 18 december 2002, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank), voorzover hier van belang, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 28 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 februari 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 maart 2003 heeft de raad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.C. Leijtens-van der Ben, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

De Afdeling heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heropend.

Bij brief van 26 juni 2003 heeft de raad door de Afdeling gevraagde informatie toegestuurd. Appellante heeft hierop gereageerd bij brief van 22 juli 2003.

De Afdeling heeft de behandeling van de zaak voortgezet ter zitting op 2 september 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.C. Leijtens-van der Ben, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen dat ook de raad zich thans op het standpunt stelt dat het voorheen voor het perceel aan de [locatie] gelden bestemmingsplan “Buitengebied” de vestiging van een stralerij/spuiterij op dat perceel mogelijk maakte.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de voorschriften van het thans gelden bestemmingsplan “Transportbedrijf/Logistiek centrum” was het perceel mede aangewezen voor het uitoefenen van een autoreparatiebedrijf, inclusief stralerij/spuiterij. Aan deze bepaling heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant goedkeuring onthouden op grond van de overweging dat aan deze functie een maximumoppervlakte van 275 m2 diende te worden verbonden. De raad heeft het plan tot op heden niet met toepassing van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) aangepast. Het plan is op 17 maart 1994 onherroepelijk geworden .

Bij besluit van 8 december 1992 was inmiddels vooruitlopend op dat plan met toepassing van artikel 19 van de WRO een intussen in rechte onaantastbaar geworden bouwvergunning verleend ten behoeve van een stalerij/spuiterij op het perceel.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat door het achterwege laten van de reparatie van het door gedeputeerde staten niet goedgekeurde planvoorschrift de stralerij/spuiterij niet is opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan “Transportbedrijf/Logistiek centrum”, hetgeen betekent dat vergelijking van dit planologische regime met het voorheen geldende bestemmingsplan “Buitengebied” op dit punt geen wijziging van de planologische mogelijkheden oplevert, nu dit laatste bestemmingsplan immers evenmin de vestiging van een stralerij/spuiterij toestond.

De conclusie van de rechtbank luidt dat er bij vergelijking van het thans geldende en het voorheen geldende bestemmingsplan geen sprake is van een nadeliger situatie en er geen aanleiding bestaat het verzoek om vergoeding van planschade met betrekking tot het onderhavige perceel in te willigen.

2.3. Met de rechtbank moet weliswaar worden geoordeeld dat ter beantwoording van de vraag of sprake is van een voor appellante nadeliger situatie, het voorheen geldende bestemmingsplan “Buitengebied” vergeleken dient te worden met het nieuwe bestemmingsplan “Transportbedrijf/Logistiek centrum”. Echter, waar de rechtbank heeft overwogen dat een vergelijking van beide bestemmingsplannen geen wijziging van de planologische mogelijkheden oplevert, heeft zij miskend dat het oude bestemmingsplan “Buitengebied” de vestiging van een stralerij/spuiterij wél toestond. Nu dat onder het nieuwe plan “Transportcentrum/Logistiek centrum” als gevolg van de onthouding van goedkeuring aan artikel 3, lid 1, aanhef en onder b van de bestemmingsvoorschriften door gedeputeerde staten en het nalaten door de raad toepassing te geven aan artikel 30 WRO niet is toegestaan, is wel degelijk sprake van een planologische verslechtering.

2.4. De Afdeling is evenwel van oordeel dat de raad het verzoek om toekenning van schadevergoeding terecht heeft afgewezen. Appellante kon immers met gebruikmaking van de haar op 8 december 1992 bouwvergunning op het betreffende perceel een stralerij/spuiterij oprichten en uitoefenen. De door haar gestelde schade is dan ook niet veroorzaakt door de hiervoor beschreven planologische verslechtering, maar hangt samen met de keuze van appellante om ondanks de aan haar verleende vergunning de stralerij/spuiterij niet uit te oefenen.

2.5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.R. Winter, Voorzitter, en mr. E.A. Alkema en mr. P.A. Offers , Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Winter w.g. Wolff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

238.