Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0303

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
200300598/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Velsen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, het bestemmingsplan "Eerste partiële herziening bestemmingsplan Zeehaven IJmuiden" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200300598/1.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

3. [appellante sub 3A] en [appellante sub 3B], onderscheidenlijk gevestigd te [plaats] en [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2002 heeft de gemeenteraad van Velsen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, het bestemmingsplan "Eerste partiële herziening bestemmingsplan Zeehaven IJmuiden" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 december 2002, kenmerk 2002-27495, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 28 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2003, appellante sub 2 bij brief van 29 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, en appellanten sub 3 bij brief van 29 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellanten sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 14 maart 2003.

Bij brief van 6 mei 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 25 juli 2003 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. J. Vijlbrief-van der Schaft, advocaat te Rotterdam, appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. J.M.S. Salomons, gemachtigde, en [gemachtigde], directeur, appellanten sub 3, vertegenwoordigd door mr. drs. Th.F. Roest, advocaat te Haarlem, en [gemachtigde] en [gemachtigde], beiden directeur, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn aldaar namens de gemeenteraad drs. H. Kloosterman en J.A.M. Warmerdam, ambtenaren van de gemeente, gehoord. Ten slotte zijn verschenen namens de stichting “Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij” [gemachtigde], en namens de naamloze vennootschap “Zeehaven IJmuiden N.V.” [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. [appellante sub 3B] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan ingebracht bij de gemeenteraad noch tijdig bedenkingen tegen het vastgestelde plan ingebracht bij verweerder.

De beroepsgrond van [appellante sub 2], gericht tegen het niet toekennen van de aanduiding “scheepsbouwactiviteiten toegestaan” op het perceel [locatie] steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze noch op een bij verweerder ingebrachte bedenking.

De beroepsgrond van [appellante sub 2], gericht tegen de indeling van haar bedrijf in de Staat van bedrijfsactiviteiten, steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

De beroepsgrond van [appellante sub 2] gericht tegen de aanduiding “gebied waarvoor een wijzigingsbevoegdheid geldt” aan de Halkade steunt niet op een bij verweerder ingebrachte bedenking.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met (artikel 23, eerste lid, en) artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tijdig tegen het ontwerpplan een zienswijze bij de gemeenteraad en tegen het vastgestelde plan bedenkingen bij het college van gedeputeerde staten heeft ingebracht en voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerpplan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze en in een bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking.

Dit is slechts anders voor zover (de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp dan wel) het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest (terzake) (tijdig) (een zienswijze en) bedenkingen in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

De beroepen van [appellante sub 3B] en [appellante sub 2] zijn dan ook onderscheidenlijk geheel en in zoverre niet-ontvankelijk.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het plangebied heeft betrekking op het havengebied van IJmuiden. Het wordt in het noorden begrensd door het Noordzeekanaal, de Ericssonstraat, de Halkade en het Stationsplein, in het oosten door de Havenkade en de groenstrook ten oosten van de Dokweg, in het zuiden door de Ampèrestraat en in het westen door de Westonstraat en de Seinpostweg. Het plan beoogt de plansystematiek en –regeling, zoals neergelegd in het bestemmingsplan “Zeehaven IJmuiden“ uit 1996, te verduidelijken alsmede een beperkte actualisatie door te voeren.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan grotendeels goedgekeurd.

2.4. [appellante sub 1] exploiteert op de kop van de haven aan het Sluisplein een rederij-rondvaartbedrijf. Zij voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemmingsregeling voor de kop van de haven.

Hiertoe stelt zij dat haar bedrijf met bijbehorende steiger en ponton, gelet op de ter plaatse toegekende bestemmingen “Verkeer” en “Water”, ten onrechte niet overeenkomstig het bestaande gebruik is bestemd. Ook is ten onrechte niet voorzien in een bouwmogelijkheid voor een verkoopkiosk.

Voorts stelt zij dat de bereikbaarheid van haar bedrijf met de planregeling in het geding kan komen. De begrenzing tussen de plandelen met de bestemmingen “Verkeer” en “Bedrijven” is gelet op de onduidelijke en onderling tegenstrijdige plankaarten onvoldoende duidelijk geregeld terwijl in het plan een regeling voor de wijze van ontsluiting en de situering van de gebouwen ontbreekt. De minimale hoogte van vier meter voor de loopbrug acht zij onvoldoende. Ook kan de functie van openbare weg met de voorziene bedrijfsbebouwing niet worden gehandhaafd, terwijl de parkeerfunctie niet in de verkeersbestemming is vermeld. Verder is onvoldoende onderzocht hoe binnen de bestemming “Bedrijven” de eigen parkeerbehoefte kan worden opgevangen, aldus appellante.

2.4.1. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft dit goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat de bestemmingen “Water” en “Verkeer” de bedrijfsactiviteiten van appellante mogelijk maken en dat een specifiek op rondvaartactiviteiten toegespitste bestemming niet nodig is. Voor de bouw van een kiosk acht hij geen permanente behoefte aanwezig. De bereikbaarheid van het bedrijf is verder planologisch voldoende verzekerd. De plankaarten geven volgens verweerder geen aanleiding voor onduidelijkheid over het van toepassing zijnde juridische kader. De terminal en loopbrug zijn met de planregeling als zodanig bestemd. Verder kunnen parkeervoorzieningen onder de verkeersbestemming worden begrepen. Niet is gebleken van een structureel tekort aan parkeerplaatsen ter plaatse, aldus verweerder.

2.4.2. Ten aanzien van het bezwaar van appellante dat haar bedrijf wat betreft de bestemming “Water” niet dienovereenkomstig is bestemd, stelt de Afdeling voorop dat dit bezwaar reeds aan de orde is geweest in haar uitspraak van 8 juni 1999, no. E01.97.0406 (aangehecht), inzake de goedkeuring van het bestemmingsplan “Zeehaven IJmuiden”. Zij heeft in die uitspraak overwogen dat appellantes loopsteiger en ponton en het gebruik dat zij daarvan maakt, door de bestemming “Water” worden toegelaten. Voor zover appellante een op haar bedrijfsactiviteiten toegespitste bestemmingsregeling wenst, teneinde het voortbestaan van haar activiteiten op de kop van de haven te verzekeren, heeft de Afdeling overwogen dat niet gebleken is van de noodzaak om uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening het gebruik van de in dit deel van het bestemmingsplan begrepen gronden te beperken tot uitsluitend de activiteiten zoals die door appellante worden uitgeoefend.

Nu niet is gebleken dat de thans voorliggende planherziening in zoverre een inhoudelijke wijziging van de bestemmingsregeling met zich brengt en evenmin is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel dan in haar hiervoor bedoelde uitspraak van 8 juni 1999.

Wat betreft de met de planherziening toegekende bestemming “Verkeer” is evenmin gebleken dat deze bestemmingsregeling de bedrijfsactiviteiten van appellante in de weg staat. Ook ten aanzien van deze bestemming ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in redelijkheid een meer toegespitste bestemming ter plaatse noodzakelijk had moeten achten.

Ten aanzien van de door appellante op gronden met de bestemming “Verkeer” gewenste verkoopkiosk overweegt de Afdeling evenwel het volgende.

Niet in geding is dat het plan geen mogelijkheid biedt tot het oprichten van een door appellante gewenste verkoopkiosk. In het verweerschrift stelt verweerder zich evenwel anders dan in het bestreden besluit – zoals hiervoor onder 2.4.1. is weergegeven - op het standpunt dat tegen het toekennen van een bouwvlak voor een kiosk geen bezwaar bestaat, indien de noodzaak daartoe aanwezig is. Daarbij stelt hij voorts dat dit punt bij de beoordeling van de bedenkingen niet goed naar voren is gekomen.

Nu verweerder zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft de verkoopkiosk niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.4.3. Over de gestelde innerlijke tegenstrijdigheid van de plankaarten ter plaatse van de kop van de haven aan het Sluisplein overweegt de Afdeling dat met de planherziening de bestemmingenkaart van het bestemmingsplan “Zeehaven IJmuiden” is vervangen door een nieuwe kaart met nummer 2188-301 (hierna: plankaart 2). De eveneens van het bestemmingsplan “Zeehaven IJmuiden” deel uitmakende plankaarten met nummer 1234A (uitgangspuntenkaart functies, hierna: plankaart 1a) en nummer 1234C (uitgangspuntenkaart stedenbouwkundige structuur, hierna: plankaart 1c) zijn met de herziening niet gewijzigd.

In artikel 3 van de voorschriften is in hoofdlijnen beschreven op welke wijze met het plan de doeleinden die aan gronden in het plangebied zijn toegekend, worden nagestreefd. Hiertoe is in dit artikel een aantal beleidsuitgangspunten uitgewerkt. Ingevolge het derde artikellid is de wijze waarop het plan wordt verwezenlijkt, indicatief weergegeven op de plankaarten 1a en 1c. Ingevolge het vierde artikellid dient het college van burgemeester en wethouders de uitgangspunten en de aanwijzingen op de plankaarten 1a en 1c na te leven bij onder meer het toetsen van bouwaanvragen.

Op plankaart 1a zijn de functies “passagiers- en vrachtterminal”, “voorkeurszone havengebonden kantooractiviteiten” alsmede “horeca toegestaan” op de kop van de haven vermeld. Op plankaart 1c zijn ten behoeve van de stedenbouwkundige structuur een wandelpromenade, een terminal en een stedelijk accent aangegeven. Op plankaart 2 zijn aan het desbetreffende plangedeelte de bestemmingen “Bedrijven” en “Verkeer” toegekend. Voorts is de aanduiding “hotel toegestaan” vermeld. Niet is gebleken dat de bestemmingen en aanduiding op plankaart 2 niet in overeenstemming zijn met de op de kaarten 1a en 1c vermelde functies en structuur. Plankaart 2 geeft in zoverre ten opzichte van de andere plankaarten en de planvoorschriften geen aanleiding voor een rechtsonzekere situatie. Evenmin is gebleken dat de begrenzing tussen de bestemmingen “Verkeer” en “Bedrijven” op deze plankaart onduidelijk is.

2.4.4. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de bereikbaarheid van het bedrijf van appellante met de thans bestreden planregeling in het geding zou komen. Appellantes bedrijf is te bereiken via de zogenoemde Sluizenroute, die parallel aan het Noordzeekanaal verloopt. In het bestemmingsplan “Zeehaven IJmuiden” was de kop van de haven geheel bestemd als “Bedrijven”. Dit kon er in resulteren dat de onmiddellijke omgeving van de aanlegplaats van appellante en de toeleidende weg geheel zouden worden bebouwd. De Afdeling heeft in haar bovenvermelde uitspraak geoordeeld dat verweerder zich op dit punt onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van appellante.

In de bestreden planherziening is de kop van de haven, waaronder tevens de tot het bedrijf van appellante leidende weg, bestemd als “Verkeer”. Verder zijn enkele bestemmingsvlakken “Bedrijven” op de plankaart vermeld. De door appellante bedoelde loopbrug heeft ingevolge artikel 6, lid 2’, van de planvoorschriften een vrije doorrijhoogte van minimaal vier meter, gemeten vanaf het maaiveld. Niet aannemelijk is gemaakt dat deze hoogte voor voertuigen te gering is om het bedrijf van appellante te kunnen bereiken. Bovendien is ter plaatse, op een afstand van ongeveer 200 meter tot de terminal van appellante, voorzien in een stop- en parkeergelegenheid. Voorts is niet gebleken dat het voor de bereikbaarheid van belang is in het plan vast te leggen hoe de ontsluiting en de situering van de mogelijk gemaakte gebouwen moeten worden verwerkelijkt.

Verder kunnen parkeervoorzieningen, gelet op artikel 6, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, op gronden met de bestemming “Verkeer” worden aangelegd. Gelet op de omvang van het gebied acht de Afdeling niet aannemelijk dat ter plaatse niet in de parkeerbehoefte, ook indien bedrijven deze niet zelf voldoende binnen het bestemmingsvlak kunnen opvangen, zal kunnen worden voorzien.

2.4.5. [appellante sub 1] voert voorts aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 6 van de planvoorschriften voor de oprichting van bedrijfsgebouwen op gronden met een verkeersbestemming. De wijzigingscriteria zijn onvoldoende objectief begrensd en kunnen leiden tot een wezenlijke aantasting van de inhoud van het plan, aldus appellante.

2.4.6. Verweerder heeft reden gezien goedkeuring te onthouden aan de zinsnede ‘laagst toegestane’ in de wijzigingsvoorwaarde ‘de hoogte van de gebouwen niet hoger is dan de laagst toegestane hoogte van de te verbinden bestemmingsvlakken’ in artikel 6, lid 2’’’, onder b, van de planvoorschriften. In dat verband stelt hij dat gedoeld wordt op het laagste maximum van de toegestane hoogte van de te verbinden bestemmingen.

Voor het overige heeft hij geen reden gezien de wijzigingsbevoegdheid en –voorwaarden in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft hij het desbetreffende planvoorschrift goedgekeurd. Hij stelt zich in zoverre op het standpunt dat de wijzigingsgebieden zowel wat betreft omvang als wat betreft toegelaten hoogte duidelijk zijn aangegeven en objectief zijn begrensd.

2.4.7. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO kan, voor zover hier van belang, bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders het plan kan wijzigen binnen bij het plan te bepalen grenzen.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 11 van de WRO berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

Ingevolge artikel 6, lid 2’’, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de voor de bestemming “Verkeer” aangewezen gronden (deels) te wijzigen in de bestemming “Bedrijven”, voor zover de wijziging betrekking heeft op a. de 4e Havenstraat, b. de Vuurtorenstraat, c. de Wieringenstraat en d. de Haringkade, zoals op plankaart 2 nader is aangegeven.

Voor de onder lid 2’’ bedoelde gebieden kan ingevolge lid 2’’’ slechts van de wijzigingsbevoegdheid gebruik worden gemaakt indien a. de bereikbaarheid van bedrijven die gevestigd zijn aan genoemde straten gewaarborgd blijft, b. de hoogte van de gebouwen niet hoger is dan de hoogte van de te verbinden bestemmingsvlakken en c. de bedrijfsactiviteiten geen hogere milieucategorie betreffen dan de laagst toegestane milieucategorie van de te verbinden bestemmingsvlakken. Hierbij dient voorts het bepaalde in de beschrijving in hoofdlijnen in acht te worden genomen.

De Afdeling ziet in het beroep van appellante geen aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende objectief is begrensd dan wel dat de wijzigingsvoorwaarden in zoverre onvoldoende duidelijk zijn. Uit hetgeen op plankaart 2 is vermeld, blijkt dat de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft op relatief korte gedeelten van de vier hierboven vermelde straten. Niet aannemelijk is gemaakt dat, mede gelet op de mogelijkheid tot omrijden, de bereikbaarheid van de in de nabijheid gevestigde bedrijven door toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in het geding komt. Gelet op de ligging aan weerszijden tussen gronden met de bestemming “Bedrijven” en de in de wijzigingsvoorwaarden gestelde beperkingen acht de Afdeling voorts niet aannemelijk gemaakt dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid tot een wezenlijke aantasting van het beeld van het plangebied zal leiden.

2.4.8. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich, behoudens hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.4.2. ten aanzien van de verkoopkiosk, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellante sub 1] voor het overige heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellante sub 1] is voor het overige ongegrond.

2.5. [appellante sub 2] voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “scheepsbouwactiviteiten toegestaan” ter hoogte van de Halkade en Dokweg. Zij stelt hiertoe dat deze plaats niet geschikt is voor grotere scheepsreparaties aangezien hier geen kranen of ander zwaar materieel kunnen worden geplaatst. Ook bevindt zich aan een van de steigers een olieopslag waar regelmatig bunkerboten aanleggen. Zij voert voorts aan dat een dergelijke aanduiding ten onrechte ontbreekt aan het begin van de Haringhaven aan de zijde van de Loggerstraat, waar zij haar activiteiten wenst te continueren.

2.5.1. Verweerder heeft geen reden gezien de aanduiding “scheepsbouwactiviteiten toegestaan” ter hoogte van de Halkade en de Dokweg alsmede de bestemmingsregeling ter plaatse van het begin van de Haringhaven aan de zijde van de Loggerstraat in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze plan(onder)delen goedgekeurd. Daarbij stelt hij dat onvoldoende inzicht is gegeven in hoeverre ruimere bedrijfsmogelijkheden noodzakelijk zijn.

2.5.2. Ingevolge artikel 8 van de planvoorschriften zijn scheepsbouwactiviteiten toegestaan op gronden met de bestemming “Water” ter plaatse waar dit op plankaart 2 is aangegeven.

In de Vissershaven ter hoogte van de Halkade en Dokweg is de aanduiding “scheepsbouwactiviteiten toegestaan” op plankaart 2 aangegeven. Tevens is deze aanduiding bij de scheepshelling aan de Westerduinweg op de plankaart vermeld. In de Haringhaven bij de Loggerstraat is een dergelijke aanduiding niet op plankaart 2 aangegeven.

Volgens het deskundigenbericht kunnen in de Vissershaven bij de Halkade en Dokweg werkzaamheden vanaf de kade met een kraan worden verricht. Kleinere reparaties kunnen elders in de haven plaatsvinden en grotere reparaties op de scheepshelling. Grote reparaties kunnen ook in de haven van Amsterdam worden uitgevoerd. Voorts is het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 8, derde lid, van de planvoorschriften bevoegd een aanduiding op plankaart 2 ten behoeve van scheepsbouwactiviteiten te verplaatsen, mits deze activiteiten uit milieuhygiënisch oogpunt op die nieuwe plaats inpasbaar zijn. Uit het deskundigenbericht blijkt verder dat de laatste jaren in de Haringhaven door appellante geen reparaties zijn uitgevoerd. Van concrete plannen bij haar om deze haven en kade weer in gebruik te nemen is niet gebleken. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de planregeling voldoende mogelijkheden voor scheepsbouwactiviteiten zijn gegeven.

2.5.3. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellante sub 2] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.6. [appellante sub 3A] voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover dit het oprichten van een gebouw voor de stichting “Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij” (hierna: de KNRM) mogelijk maakt op gronden aan de Trawlerkade die liggen tegenover haar bedrijfspand. Zij stelt hiertoe dat verweerder door niet in te gaan op de bij de gemeenteraad ingebrachte bezwaren zijn besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Appellante vreest voor een aantasting van het uitzicht en een tekort aan parkeerplaatsen alsmede voor overlast gelet op de ter plaatse toegestane milieucategorieën. Voorts komt bebouwing in strijd met de stedenbouwkundige uitgangspunten en zou de KNRM in haar geheel naar een plaats aan de Derde Haven kunnen verhuizen, aldus appellante.

2.6.1. Verweerder heeft geen reden gezien het desbetreffende plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit goedgekeurd. Hij acht de gekozen plaats, mede gelet op de nabijgelegen bebouwing van de KNRM, de beperkte ruimte in het havengebied en de kadegebonden functie, aanvaardbaar. Voorts stelt hij dat een recht op een blijvend vrij uitzicht niet bestaat en gaat hij er van uit dat voldoende parkeergelegenheid behouden blijft.

2.6.2. Aan het desbetreffende plandeel, dat zich op een afstand van ongeveer 13 meter van het kantoor van appellante bevindt, zijn de bestemming “Bedrijven” alsmede de aanduidingen “11” en “40%” toegekend. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften zijn de gronden onder meer bestemd voor bedrijven en bijzondere voorzieningen, zoals bebouwing ten behoeve van de KNRM. Ingevolge het vierde en vijfde artikellid moeten minimale afstanden tot hindergevoelige functies worden aangehouden, oplopend van 10 meter voor milieucategorie 1 tot 1.500 meter voor milieucategorie 6.

Het in geding zijnde plandeel heeft een lengte van ongeveer 75 meter en mag voor maximaal 40% worden bebouwd tot een maximale hoogte van 11 meter, afgezien van een mogelijkheid tot beperkte vrijstelling. Naar uit het deskundigenbericht blijkt, vallen de activiteiten van de KNRM in milieucategorie 3, waarvoor een aan te houden afstand van 100 meter geldt.

Naar uit de stukken kan worden afgeleid en gelet op het verhandelde ter zitting heeft verweerder de planologische aanvaardbaarheid van het desbetreffende plandeel met name bezien met het oog op de bouwplannen van de KNRM. Deze plannen voorzien in een gebouw met als afmetingen ongeveer 49 bij 18 meter. Niet is gebleken dat verweerder mede aandacht heeft besteed aan de planologische aanvaardbaarheid van de mogelijkheden die het plan biedt om een gebouw met een lengte van 75 meter op te richten alsmede andere bedrijfsactiviteiten toe te staan dan die van de KNRM.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd. De overige bezwaren behoeven geen verdere bespreking.

2.7. [appellante sub 3A] voert in beroep voorts aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover de nader door haar aangegeven gronden aan de Dokweg, aan de voet van de Vissershaven, een verkeersbestemming hebben gekregen. Volgens haar hadden deze gronden een bedrijfsbestemming moeten houden, zodat verplaatsing van haar bedrijf naar deze plaats mogelijk zou blijven. Daarnaast ziet zij niet in waarom zij anders dan de KNRM geen bouwmogelijkheid heeft gekregen.

2.7.1. De gemeenteraad wijst er op dat het in het verleden door [appellante sub 3A] gedane verzoek om het perceel aan de Dokweg te bebouwen, is afgewezen in verband met het behoud van de open zichtrelatie met de haven. Hiertoe is op plankaart 1c een zichtlijn aangegeven. Verder stelt hij dat de eigenares van de gronden, de naamloze vennootschap “Zeehaven IJmuiden N.V.”, geen bezwaar heeft tegen de wijziging in een verkeersbestemming.

2.7.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit goedgekeurd. Hij sluit zich aan bij het standpunt van het gemeentebestuur.

2.7.3. Met de planherziening is de in het bestemmingsplan “Zeehaven IJmuiden” voor het plandeel neergelegde bestemming “Bedrijven” gewijzigd in “Verkeer”. Niet in geding is dat de nieuwe planregeling de door appellante gewenste bebouwing niet mogelijk maakt.

Naar uit het deskundigenbericht blijkt, is de desbetreffende plaats het enige directe contactpunt tussen de ontsluiting van het havengebied en de haven zelf. Aannemelijk is dat bedrijfsbebouwing ter plaatse leidt tot een verstoring van het zicht op de haven. Verweerder heeft aan het behoud van de visuele relatie met de haven een groot belang kunnen toekennen. Voorts is de verkeersbestemming van de onbebouwde gronden overeenkomstig het bestaande gebruik en is, gelet op de eigendomssituatie, niet aannemelijk gemaakt dat de bouwvoornemens van appellante uitvoerbaar zijn.

Ten aanzien van de door appellante gemaakte vergelijking met het door haar eveneens bestreden plandeel aan de Trawlerkade overweegt de Afdeling dat, gelet op het verschil in zicht op de haven, niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de situatie aan de Dokweg, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan.

2.7.4. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellante sub 3A] ten aanzien van dit plandeel heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 3A] is in zoverre ongegrond.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellante sub 1] en [appellante sub 3A] te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat wat betreft [appellante sub 2] en [appellante sub 3B] geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 3B] geheel en van [appellante sub 2], voor zover gericht tegen:

a. het niet toekennen van de aanduiding “scheepsbouwactiviteiten toegestaan” op het perceel [locatie];

b. de indeling van haar bedrijf in de Staat van bedrijfsactiviteiten en;

c de aanduiding “gebied waarvoor een wijzigingsbevoegdheid geldt” aan de Halkade, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 3A] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 10 december 2002, kenmerk 2002-27495, voor zover het de goedkeuring betreft van:

a. het plandeel met de bestemming “Verkeer“, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart no. 1;

b. het plandeel met de bestemming “Bedrijven”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart no. 2;

IV. verklaart de beroepen van [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3A] voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door [appellante sub 1] en [appellante sub 3A] in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.610,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Holland te worden betaald aan [appellante sub 1] en [appellante sub 3A] (€ 805,00 ieder afzonderlijk);

VI. gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellante sub 1] en [appellante sub 3A] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 218,00 ieder afzonderlijk) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Veenman, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Veenman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

235-371.