Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0302

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
200301683/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2001 heeft de gemeenteraad van Smallingerland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2001, het bestemmingsplan "Industrieterrein De Haven, 4e herziening" vastgesteld.

Bij besluit van 12 april 2002, kenmerk 482837, ondertekend door verweerder, is beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 14 november 2002, no. 200203118/2, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit besluit vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301683/1.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap "VDM Diervoederfabriek B.V.", gevestigd te Drachten,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2001 heeft de gemeenteraad van Smallingerland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2001, het bestemmingsplan "Industrieterrein De Haven, 4e herziening" vastgesteld.

Bij besluit van 12 april 2002, kenmerk 482837, ondertekend door verweerder, is beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 14 november 2002, no. 200203118/2, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit besluit vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 februari 2003, kenmerk 513623,

beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 12 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 mei 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 augustus 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur], en mr. ing. L.F. Doorduijn, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. K. van Stralen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door ing. N.J. Hoek en P. Terpstra, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op grote delen van het plangebied van het bestemmingsplan “Industrieterrein De Haven”, inclusief het gebied dat betrekking heeft op de uitbreiding van de betonfabriek dat daaraan door de 3e partiële herziening is toegevoegd.

Met de thans aan de orde zijnde herziening wordt beoogd het bestemmingsplan “Industrieterrein De Haven” te voorzien van een systeem van interne milieuzonering.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellante exploiteert een bedrijf dat zich met name toelegt op de productie van hondenvoer. Zij stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover daarbij op de gronden van haar bedrijf alleen bedrijven in de milieucategorieën 1, 2 en 3a zijn toegestaan. Volgens appellante valt haar bedrijf in milieucategorie 4 en wordt zij aldus beperkt in haar huidige en toekomstige bedrijfsactiviteiten. Zij voert in dit verband aan dat het ontplooien van andere bedrijfsactiviteiten dan die van een diervoederfabriek in een hogere categorie dan 3a, niet mogelijk is. Voorts wijst zij erop dat bij eventuele verkoop van het bedrijf de kring van gegadigden op voorhand wordt beperkt.

2.4. Verweerder acht dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hij wijst er allereerst op dat actualisering van het bestemmingsplan “Industrieterrein De Haven” door middel van het toevoegen van een interne milieuzonering uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Hij acht het wenselijk dat daarbij, naast bestaande woongebieden, ook rekening wordt gehouden met toekomstige woongebieden zoals de Drachtstervaart. De omstandigheid dat het hanteren van een milieuzonering bestemmingsplantechnische beperkingen met zich brengt acht verweerder in zijn algemeenheid aanvaardbaar. Ten aanzien van de situatie van appellante in het bijzonder, stelt verweerder zich op het standpunt dat het plan geen gevolgen zal hebben voor de bedrijfsvoering, aangezien haar bedrijf in het plan specifiek en positief als diervoederbedrijf is bestemd. Gelet hierop heeft hij dit plandeel goedgekeurd.

2.5. Blijkens de plankaart is aan de gronden waar het bedrijf van appellante is gevestigd de bestemming “Industriële bedrijven met bijbehorende erven” toegekend, voorzien van de aanwijzingen “milieucategorieën 1, 2, en 3a toegestaan” en “specifieke bedrijfsactiviteiten F toegestaan”.

Ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsgebouwen, bijgebouwen, andere bouwwerken, wegen, spoorwegen, spoorwegraccordementen en open terreinen, ten dienste van de handel – met uitzondering van detailhandel -, nijverheid en industrie, alsmede voor bedrijfsactiviteiten – met uitzondering van opslag en verwerking van professioneel vuurwerk -, waarbij zijn toegestaan: binnen de aanwijzing “milieucategorieën 1, 2 en 3a toegestaan”: in de bij de voorschriften gevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten genoemde bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1, 2 of 3 met een grootste afstand tot en met 50 meter. Voorts zijn de gronden ter plaatse van de op de kaart voorkomende aanwijzing “F” tevens bestemd voor “Diervoederfabriek”.

2.6. Voorzover de bezwaren van appellante zijn terug te voeren op de omstandigheid dat het bestemmingsplan “Drachtstervaart” woningbouw in de nabijheid van haar bedrijf mogelijk maakt, stelt de Afdeling vast dat genoemd bestemmingsplan thans niet ter beoordeling voorligt. Bezwaren tegen dat plan kunnen in deze procedure dan ook niet aan de orde worden gesteld. Overigens is gebleken dat appellante tegen het goedkeuringsbesluit inzake het bestemmingsplan “Drachtstervaart” geen beroep heeft ingesteld.

Uit de plantoelichting blijkt dat met de milieuzonering wordt beoogd beperkingen te stellen aan de aard van de toe te laten nieuwe bedrijfsactiviteiten op het industrieterrein, teneinde te voorkomen dat aldaar bedrijven worden gevestigd die een aanmerkelijke milieuoverlast voor bestaande en toekomstige woongebieden in de omgeving van het industrieterrein kunnen veroorzaken. Uitgangspunt bij de milieuzonering is dat alle bestaande bedrijfsactiviteiten die op grond van wetgeving en vergunningen tot dat moment op het industrieterrein waren toegestaan moeten kunnen worden voortgezet. Voorzover bestaande bedrijfsactiviteiten vallen in een hogere categorie dan op grond van de milieuzonering ter plaatse is toegestaan, zijn deze door middel van een aanwijzing op de plankaart specifiek bestemd. Het gaat hierbij met name om bedrijven die – evenals het bedrijf van appellante - zijn gevestigd aan de rand van het industrieterrein aan de noordzijde van de Drachtstervaart.

Voorts komt uit de stukken naar voren dat de gronden die het bedrijf van appellante omvatten zijn gelegen in de nabijheid van een bestaande woonwijk. Daarnaast is gebleken dat in het bestemmingsplan “Drachtstervaart” aan de zuidzijde van de Drachtstervaart ter hoogte van het industrieterrein is voorzien in woningbouw.

Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen instemmen met het beperken van de toelaatbaarheid van nieuwe bedrijfsactiviteiten tot de milieucategorieën 1, 2 en 3a.

Voorzover appellante heeft aangevoerd dat haar bedrijf in milieucategorie 4 valt, stelt de Afdeling vast dat het bedrijf door middel van de aanwijzing “F” overeenkomstig het bestaande gebruik is bestemd. Aldus kan het bedrijf van appellante zijn activiteiten ter plaatse voortzetten. Voorts is ter zitting van de zijde van de gemeenteraad onweersproken gesteld dat het plan aan uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van appellante niet in de weg staat, waarbij erop is gewezen dat de huidige milieuvergunning ruimte biedt voor een aanzienlijke vergroting van de productiecapaciteit.

Aan het bezwaar van appellante dat de bestemmingsregeling andere bedrijfsactiviteiten dan die van een diervoederfabriek in een hogere categorie dan 3a uitsluit en de kring van gegadigden bij eventuele verkoop van het bedrijf op voorhand beperkt, behoefde verweerder bij de afweging van belangen geen doorslaggevend gewicht toe te kennen, temeer nu blijkens het verhandelde ter zitting bij appellante geen concrete plannen bestaan binnen de planperiode haar bedrijfsactiviteiten ter plaatse te beëindigen dan wel deze naar een locatie elders te verplaatsen.

2.7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van Onselen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

178-363.