Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0274

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
16-12-2003
Zaaknummer
200307592/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2003, kenmerk MW03.17933, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd wegens overtreding van voorschrift 14, verbonden aan de bij besluit van 19 april 1983 krachtens de Hinderwet verleende vergunning (gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 21 augustus 1984). Voorts heeft verweerder bij dit besluit krachtens artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet in samenhang met artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht beslist bestuursdwang toe te passen ter zake van overtreding van voorschrift 1a, verbonden aan de Hinderwetvergunning. Aan dit besluit is een begunstigingstermijn verbonden van één dag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200307592/1.

Datum uitspraak: 10 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2003, kenmerk MW03.17933, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd wegens overtreding van voorschrift 14, verbonden aan de bij besluit van 19 april 1983 krachtens de Hinderwet verleende vergunning (gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 21 augustus 1984). Voorts heeft verweerder bij dit besluit krachtens artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet in samenhang met artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht beslist bestuursdwang toe te passen ter zake van overtreding van voorschrift 1a, verbonden aan de Hinderwetvergunning. Aan dit besluit is een begunstigingstermijn verbonden van één dag.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 13 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 november 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R.J. Rigterink, ing. D.H. Snel en drs. A.E.M. Hemelaar, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de vereniging “Belangenvereniging Het Kerkeveld”, vertegenwoordigd door [gemachtigde], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet zijn gedeputeerde staten bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.2. Verzoekster betoogt dat verweerder niet bevoegd is om handhavend op te treden, omdat de voorschriften 1a en 14 niet worden overtreden. Daartoe stelt zij dat het buiten de vergunde vier perioden per jaar aanvoeren van autowrakken, afvoeren van wrakken die niet binnen de inrichting zijn bewerkt, alsmede bewerken van autowrakken anders dan het pletten daarvan, niet strijdig is met deze voorschriften. Zij wijst er op dat regelmatig vrachtwagens beladen met autowrakken tijdelijk in haar inrichting aanwezig zijn om het transport tijdelijk te stallen dan wel de vrachtwagens af te tanken. Het tijdelijk opslaan in de inrichting van wrakken die elders zijn bewerkt om deze op een later tijdstip af te voeren, acht zij evenmin in strijd met de voorschriften. Verzoekster voert verder aan dat in 2003 niet gedurende meer dan vier aaneengesloten perioden wrakken zijn bewerkt in de inrichting. De door verweerder vastgestelde perioden worden door haar bestreden. Ook kan zij zich er niet mee verenigen dat overtredingen zijn vastgesteld aan de hand van door omwonenden gemaakte foto’s. Verzoekster wijst er voorts op dat zij op 14 oktober 2003 bij verweerder een aanvraag heeft ingediend om een revisievergunning. Zij stelt dat verweerder daarom niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot handhavend optreden.

2.2.1. Ingevolge voorschrift 1a mag het pletten en de afvoer uit de inrichting ten hoogste vier maal per jaar gedurende een korte periode plaatsvinden.

Ingevolge voorschrift 14 mogen ter bevordering van het verwijderingsproces in de inrichting ten hoogste 250 bewerkte wrakken worden opgeslagen; de bewerkte wrakken mogen ten hoogste vier maal per jaar uit de inrichting worden afgevoerd.

Tussen partijen is niet in geschil is dat op grond van de Hinderwetvergunning onder ‘een korte periode’ dient te worden verstaan: een periode van hooguit vijf aaneengesloten werkdagen.

2.2.2. De aanvang van de afzonderlijke perioden is door verweerder vastgesteld op basis van de eigen waarneming van een toezichthouder, op basis van meldingen van verzoekster zelf, alsmede op basis van foto’s die zijn genomen door omwonenden. Daargelaten de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij deze foto’s heeft kunnen betrekken bij het vaststellen van overtredingen, is naar het oordeel van de Voorzitter op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting, ook indien de foto’s buiten beschouwing worden gelaten, voldoende komen vast te staan dat verzoekster in 2003 gedurende meer dan vier aaneengesloten korte perioden in de inrichting wrakken heeft geplet en heeft afgevoerd vanuit de inrichting. Het door verzoekster hiertegen aangevoerde leidt de Voorzitter niet tot een ander oordeel. Daarbij merkt de Voorzitter op dat aannemelijk is geworden dat de eerste periode is aangevangen op 26 augustus 2003, nu blijkens de stukken tijdens geurmetingen die op die datum hebben plaatsgevonden tevens is geconstateerd dat autowrakken werden geplet.

Gelet hierop heeft verweerder zich terecht bevoegd geacht om handhavend op te treden wegens overtreding van voornoemde voorschriften.

2.2.3. Verzoekster heeft op 14 oktober 2003 bij verweerder een aanvraag ingediend om een revisievergunning. Nadien heeft verweerder echter blijkens de stukken op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan verzoekster de gelegenheid gegeven haar aanvraag aan te vullen op een groot aantal punten. Gelet hierop staat naar het oordeel van de Voorzitter allerminst vast dat binnen afzienbare termijn de overtredingen kunnen worden gelegaliseerd en daarmee zullen worden beëindigd. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid bij afweging van de bij het bestreden besluit betrokken belangen gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid handhavend op te treden.

2.3. De Voorzitter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003

179-335.