Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0271

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2003
Datum publicatie
16-12-2003
Zaaknummer
200307281/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 september 2003, kenmerk MB/03.041262, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "VED Milieuservice B.V." (hierna: vergunninghoudster) een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting ten behoeve van de verwerking van vet-water-slibmengsel (zogenaamde putvetten) en de opslag van voedselresten (swill) afkomstig van de horeca en voedingsmiddelenindustrie. Deze inrichting is gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Dronten, sectie […], nummers […] en […]. Dit besluit is op 25 september 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200307281/2.

Datum uitspraak: 12 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2003, kenmerk MB/03.041262, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "VED Milieuservice B.V." (hierna: vergunninghoudster) een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting ten behoeve van de verwerking van vet-water-slibmengsel (zogenaamde putvetten) en de opslag van voedselresten (swill) afkomstig van de horeca en voedingsmiddelenindustrie. Deze inrichting is gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Dronten, sectie […], nummers […] en […]. Dit besluit is op 25 september 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 november 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 november 2003.

Bij eerstgenoemde brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 november 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. M.W.G. Versendaal, advocaat te Kampen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.A.I. Eringfeld en

R.H. Biemond, beide ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], directeur, en [gemachtigde], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoekster vreest geurhinder. In dat kader betoogt verzoekster, kort weergegeven, dat alle geurgevoelige objecten behoren te worden beschermd tegen geuroverlast en dat op een bedrijventerrein voor de daarop aanwezige bedrijven en bedrijfswoningen niet een minder strenge norm kan worden gehanteerd dan daarbuiten.

2.2.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat met gebruikmaking van een biologisch luchtfilter een rendement van 90% aan geurverwijdering kan worden gehaald. Deze gereinigde lucht komt vrij op een hoogte van 18 meter. Nu alle geurrelevante activiteiten inpandig plaatsvinden, is deze emissiebron de enige relevante geurbron. De resterende geuremissie is zodanig beperkt dat de resterende geurconcentratie voldoet aan het beperkte hinderniveau dat voor bedrijfswoningen, kantoren en bedrijven, volgens verweerder aanvaardbaar kan worden geacht. Dit omdat voor geurgevoelige objecten op een industrieterrein een beperkte mate van geurhinder toelaatbaar is, aldus verweerder.

2.2.2. De blijkens het bestreden besluit door verweerder aan het rijksbeleid ontleende uitgangspunten zijn niet in strijd met het recht te achten. De Voorzitter overweegt dat, hoewel in beginsel alle geurgevoelige objecten behoren te worden beschermd tegen geuroverlast, uit deze uitgangspunten volgt dat wel verschillen in het niveau van bescherming kunnen worden gehanteerd. In een dergelijke situatie is de afweging tussen de te verwachten vermindering van de hinder en de redelijkheid van het uitvoeren van verdergaande maatregelen belangrijk. Daartoe heeft verweerder middelvoorschriften, onder meer inzake een biofilter, en geur(emissie)normen aan de vergunning verbonden. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat verweerder de desbetreffende voorschriften niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten.

Het vorenstaande kan dan ook niet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. Verzoekster voert, kort weergegeven, aan dat verweerder bij de beoordeling van de externe veiligheid onvoldoende rekening heeft gehouden met het verhoogd brand- en explosiegevaar als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting bezien in het licht van de in de nabijheid van de inrichting gelegen opslagen van brandbare en explosieve stoffen.

2.4. De Voorzitter merkt op dat het hier geen inrichting betreft zoals bedoeld in het Besluit risico’s zware ongevallen. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunde activiteiten voor de omgeving geen bijzondere gevaren voor brand en explosie met zich brengen. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid de voorzieningen en voorschriften betreffende brand- en explosiegevaar niet toereikend heeft kunnen achten.

Het vorenstaande kan dan ook niet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. Verzoekster voert aan dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot logistieke problemen, een waardedaling van de belendende percelen en de reële dreiging van verlies van personeel en klanten.

Deze gronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kunnen dan ook niet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. Verzoekster vreest, kort weergegeven, dat de aan de vergunning verbonden geurvoorschriften en het voorschrift ten aanzien van de doelmatige bestrijding van ongedierte niet zullen worden nageleefd.

Deze gronden hebben geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kunnen om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

Het vorenstaande kan dan ook niet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. De Voorzitter wijst derhalve het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2003

191-375.