Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0261

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-12-2003
Datum publicatie
16-12-2003
Zaaknummer
200304776/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2002 heeft de gemeenteraad van Bernheze, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 oktober 2002, vastgesteld het bestemmingsplan “Kom Vorstenbosch, herziening [locatie sub 1]”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304776/2.

Datum uitspraak: 8 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

verzoeker,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2002 heeft de gemeenteraad van Bernheze, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 oktober 2002, vastgesteld het bestemmingsplan “Kom Vorstenbosch, herziening [locatie sub 1]”.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 27 mei 2003, kenmerk 875322, beslist over de goedkeuring van het bestemmingplan.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 18 juli 2003, dezelfde dag bij de Raad van State ingekomen, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 juli 2003, dezelfde dag bij de Raad van State ingekomen, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 november 2003, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, is verschenen.

Tevens zijn gehoord de gemeenteraad van Bernheze, vertegenwoordigd door A. van Uden, ambtenaar bij de gemeente, en [eerste belanghebbende] in persoon en bijgestaan door mr. F.K. van den Akker, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoeker, woonachtig aan de [locatie sub 2], kan zich niet verenigen met het bestreden besluit waarbij de bestemming “Plaatselijk bedrijf” is goedgekeurd voor het naastgelegen perceel van [eerste belanghebbende]. Verzoeker vreest een verdere uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten, omdat een kelderverdieping wordt toegevoegd aan de nieuwe timmerwerkplaats.

2.3. Het perceel is blijkens de aanduiding op de plankaart en artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a., van de voorschriften bestemd voor één machinaal timmerbedrijf. Uit het tweede lid, aanhef en onder a. en d., van dit voorschrift volgt dat op het perceel gebouwen zijn toegestaan met een oppervlakte van maximaal 2080 m2 bovengronds en 575 m2 ondergronds.

De op 7 oktober 1999 aan [eerste belanghebbende] verleende bouwvergunning is bij uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2002, zaak 200104204/1 (www.raadvanstate.nl) rechtens onaantastbaar geworden en voorziet reeds in een timmerwerkplaats met een omvang van 1975 m2.

Ter zitting heeft de gemeenteraad zich op het standpunt gesteld dat de uitbreiding die het plan mogelijk maakt, uitsluitend bedoeld is voor het inpandig brengen van de met de geldende bestemming strijdige buitenopslag van hout en houtmot, voor het ondergronds aanleggen van de huidige bovengrondse en daardoor geluidshinder gevende afzuiginstallatie en voor het verbeteren van de productie- en arbeidsomstandigheden in de timmerwerkplaats zelf.

Niet is gebleken dat dit standpunt – dat verweerder blijkens het bestreden besluit onderschrijft - onjuist of onredelijk is, mede omdat blijkens artikel 4, derde lid, aanhef en onder a., van de voorschriften onder verboden gebruik in dit plan tevens wordt begrepen het gebruik van de onbebouwde gronden voor de opslag van bedrijfsgoederen en -materialen.

De Voorzitter is van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat aan het plan zodanige bezwaren kleven dat dit in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten worden geacht. Mitsdien ziet de Voorzitter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen reden tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4. De Voorzitter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening derhalve af.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.T.T. van der Heijde, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Van der Heijde

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2003

349.