Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0252

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
200303570/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Buren appellanten gelast de permanente bewoning van de vakantiewoning aan de [locatie] te [plaats] vóór 1 oktober 2002 te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 4.500,-- per persoon per maand of gedeelte van de maand, met een maximum van € 90.000,-- per persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303570/1.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 23 april 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Buren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Buren (hierna: het college) appellanten gelast de permanente bewoning van de vakantiewoning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) vóór 1 oktober 2002 te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 4.500,-- per persoon per maand of gedeelte van de maand, met een maximum van € 90.000,-- per persoon.

Bij besluit van 12 augustus 2002 heeft het college, onder verlenging van de begunstigingstermijn tot 1 februari 2003, het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2003, verzonden op 28 april 2003, heeft de rechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak, waarmee tevens toepassing is gegeven aan artikel 8:72, vijfde lid van de Algemene wet bestuursrecht, is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 2 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is aangevuld bij brief van 2 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend. Appellanten hebben gereageerd bij brieven van 22 augustus 2003.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. H.A. Schenke en mr. W.J.B.M. Alkemade, beiden advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.F. de Leeuw, M.J. van Olderen en G.R.F. Berends-Jansen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het perceel heeft ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Park Lingemeer” de bestemming “Vakantiewoningen A”.

Ingevolge artikel 03A, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor “Vakantiewoningen A” aangewezen gronden en de volgens dit artikel mogelijke bouwwerken bestemd voor verblijfsrecreatie in vakantiewoningen, welke deel uitmaken van een complex van zodanige vakantiewoningen, dat in het kader van een bedrijf of in enigerlei vorm van onderlinge samenwerking door de rechthebbenden wordt beheerd.

Ingevolge artikel 03A, tweede lid, van de planvoorschriften zien zowel exploitant als gemeentebestuur erop toe dat de in het plangebied te realiseren vakantiewoningen uitsluitend worden gebruikt door recreanten die elders hun hoofdverblijf hebben.

Ingevolge artikel 01, aanhef en onder k, van de planvoorschriften wordt onder vakantiewoning verstaan: een recreatief woonverblijf waarvan de gebruikers slechts tijdelijk gebruik maken en hun hoofdwoonverblijf elders hebben.

Ingevolge artikel 01, onder l, van de planvoorschriften wordt onder hoofdwoonverblijf c.q. hoofdverblijf verstaan een gebouw of een deel van een gebouw dat:

óf door eenzelfde persoon of huishouden gebruikt wordt als woonruimte op een wijze die, ingevolge het bepaalde in artikel 24 t/m 31 van de Wet op de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, noopt tot inschrijving van de bewoner(s) in het bevolkingsregister van de gemeente waarin dat gebouw is gelegen;

óf indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres is waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

met dien verstande dat van een gebruik als hoofdwoonverblijf voorts wordt geacht sprake te zijn wanneer buiten het zomerseizoen (dat loopt van 1 mei tot 1 oktober) in een kalenderjaar ter plaatse meer dan 70 maal nachtverblijf wordt gehouden en door betrokkene niet aannemelijk is of kan worden gemaakt, dat elders over een hoofdwoonverblijf kan worden beschikt.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften is het, behoudens het bepaalde in artikel 18, lid 2, verboden de in het plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bebouwing te gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met de in het plan aan de gronden gegeven bestemmingen.

Artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften bepaalt dat het gebruik van gronden anders dan voor bebouwing, alsmede van zich op die gronden bevindende bouwwerken, dat in strijd is met het plan – behoudens het in dit artikel bepaalde – en dat bestaat op het tijdstip waarop het plan, voorzover betrekking hebbend op de strijdigheid van dat gebruik, van kracht wordt, mag worden voortgezet en/of gewijzigd, mits door die wijziging de strijdigheid met het plan niet wordt vergroot.

Ingevolge artikel 18, derde lid, van de planvoorschriften is het bepaalde in lid 2 niet van toepassing op gebruik als daar bedoeld, dat reeds in strijd was met het tot het daargenoemde tijdstip ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat tot op 3 maanden vóór dat tijdstip nog niet bestond.

2.2. Niet in geschil is dat ingevolge de planvoorschriften het gebruik van de woning [locatie] te [plaats] als hoofdwoonverblijf is verboden. Vast staat dat appellanten met ingang van 4 december 1996 op evengenoemd adres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Ter zitting is namens appellanten verklaard dat de woning sedertdien hun hoofdwoonverblijf is.

2.3. Zoals de rechtbank onbetwist heeft vastgesteld is het bestemmingsplan “Park Lingemeer” op 6 oktober 1998 (hierna: de peildatum) van kracht geworden. Ingevolge het tot dan toe ter plaatse geldende bestemmingsplan “Rekreatiegebied ’t Liendebos” was het perceel aangewezen voor “Vakantiewoningen”. In artikel 15, eerste lid, van de bij dit bestemmingsplan behorende voorschriften was – voorzover in dit geding van belang – bepaald dat de als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor verblijfsrecreatie in vakantiewoningen. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder p, van de voorschriften van dat plan moet onder vakantiewoning worden verstaan: een recreatief woonverblijf, waarvan de gebruikers slechts tijdelijk gebruik maken en hun hoofdwoonverblijf elders hebben. Gebruik als permanente woongelegenheid is daarmee niet in overeenstemming. Derhalve was zodanig gebruik ingevolge het in artikel 6, eerste lid, neergelegde algemeen gebruiksverbod verboden. Dat in het bestemmingsplan “Rekreatiegebied ’t Liendebos”, geen omschrijving van het begrip hoofd(woon)verblijf was opgenomen, kan daaraan niet afdoen.

2.4. De Afdeling is evenals de rechtbank van oordeel dat het beroep van appellanten op het bij het bestemmingsplan Park Lingemeer behorende overgangsrecht niet kan slagen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk dat appellanten naar aanleiding van hun inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie, door middel van een hen ter hand gesteld schrijven van gemeentewege onder meer te kennen is gegeven dat permanente bewoning niet was toegestaan en ermee rekening moest worden gehouden dat daartegen zonodig handhavend zou worden opgetreden. Daarbij is in aanmerking genomen dat het college reeds eerder, in het kader van de bestemmingsplanprocedure, had aangegeven bij een inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie op een adres in het Park Lingemeer de betrokkene(n) een dergelijk schrijven te zullen doen toekomen. Voorts is in dit verband van belang dat met die inschrijving belaste ambtenaren hebben verklaard dat bedoelde brieven ook daadwerkelijk zijn uitgereikt en dat zulks strookt met het feit dat verschillende bewoners van het Park Lingemeer hebben medegedeeld dat zij bij hun – vóór de peildatum gelegen – inschrijving een brief hebben ontvangen. Voldoende duidelijk is geworden dat het daarbij moet gaan om de door het college bedoelde brief. Van de kant van appellanten zijn geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is te achten dat zij de brief niet hebben ontvangen. Het college heeft met voormelde brief het met het bestemmingsplan “Rekreatiegebied ’t Liendebos” strijdige gebruik van de onderhavige woning tijdig en genoegzaam gewraakt. Derhalve kan in het midden blijven of het college erin is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat de brief van 30 september 1998 die ertoe strekte dat gebruik nogmaals te wraken, maar die appellanten naar hun zeggen niet hebben ontvangen, daadwerkelijk is verzonden.

2.5. Uit het voorgaande volgt dat het college bevoegd was tot handhavend optreden.

2.6. Alleen in een bijzonder geval kan een bestuursorgaan afzien van handhavend optreden tegen een illegale situatie. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de situatie.

2.7. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat zodanig zicht ontbrak ten tijde van de beslissing op bezwaar. De brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu aan de Tweede Kamer der Staten Generaal van 15 november 2002 waarnaar appellanten hebben verwezen, dateert van later tijdstip en biedt overigens, anders dan appellanten menen, evenmin concreet zicht op legalisering. Daaraan staat hier in ieder geval het ter zake geldende provinciale ruimtelijk beleid in de weg.

2.8. Het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat van de zijde van het college niet de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat van handhaving zou worden afgezien. De Afdeling wijst in dit verband nog op het gegeven dat in zowel de koopovereenkomst als de notariële akte tot levering van de woning uitdrukkelijk is opgenomen dat permanente bewoning niet is toegestaan, alsook op de brief die zij naar aanleiding van hun inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie hebben ontvangen. Ook de omstandigheid dat handhavend optreden geruime tijd is uitgebleven wettigt die verwachting niet.

2.9. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat het vastgestelde bedrag van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van het dwangsomoplegging. Dat, zoals appellanten stellen, de hoogte van de dwangsom tot gevolg heeft dat zij in een acute noodsituatie zullen komen te verkeren leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat het vastgestelde bedrag van de dwangsom de terughoudende rechterlijke toetsing niet kan doorstaan.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.A. de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. De Wit

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

141-412.