Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AO0240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
200203059/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2002 heeft verweerder de bij besluit van 7 januari 1992, gewijzigd bij besluit van 7 juli 1998, krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan de naamloze vennootschap “Provinciaal Afvalverwijderingsbedrijf Zuid-Holland N.V.” voor de locatie Afvalberging Derde Merwedehaven verleende vergunning ingetrokken en heeft hij aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “IGAT B.V.” krachtens diezelfde wet een vergunning onder voorschriften verleend tot 10 jaar na het van kracht worden van dit besluit voor het via de gemeentelijke riolering en de afvalwaterzuiveringsinstallatie ‘Eiland van Dordrecht’ lozen van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en hemelwater op oppervlaktewater afkomstig van de Afvalberging Derde Merwedehaven gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 22 april 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203059/1.

Datum uitspraak: 17 december 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht,

appellant,

en

het dagelijks bestuur van het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2002 heeft verweerder de bij besluit van 7 januari 1992, gewijzigd bij besluit van 7 juli 1998, krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan de naamloze vennootschap “Provinciaal Afvalverwijderingsbedrijf Zuid-Holland N.V.” voor de locatie Afvalberging Derde Merwedehaven verleende vergunning ingetrokken en heeft hij aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “IGAT B.V.” krachtens diezelfde wet een vergunning onder voorschriften verleend tot 10 jaar na het van kracht worden van dit besluit voor het via de gemeentelijke riolering en de afvalwaterzuiveringsinstallatie ‘Eiland van Dordrecht’ lozen van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en hemelwater op oppervlaktewater afkomstig van de Afvalberging Derde Merwedehaven gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 22 april 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 juli 2003.

Bij brief van 26 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 februari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.M. Zevenbergen en ing. H.J.C. van Benschop, beiden ambtenaar van het zuiveringsschap, zijn verschenen. Voorts zijn daar namens vergunninghoudster gehoord,[naam], directeur, en mr. drs. E.D.M. Knegt, advocaat te Breda.

2. Overwegingen

2.1. Appellant heeft ter zitting de gronden aangaande het doorzenden van afgiftebewijzen, het ontbreken van het wettelijk voorschrift op grond waarvan het bestreden besluit is gebaseerd, de controle van de bezinkputten en olie- en waterafscheiders, de overschrijding van de grenswaarden, de kwaliteit van de zuiveringstraten, het ontbreken van de bepaling dat de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning, het stellen van financiële zekerheid en de door de inrichting veroorzaakte geurhinder ingetrokken.

2.2. Het bestreden besluit van 26 maart 2002 betreft een vergunning onder voorschriften krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor een periode van 10 jaar ten behoeve van IGAT B.V. IGAT B.V. exploiteert de Afvalberging Derde Merwedehaven. Bij de verlening van de vergunning van 7 januari 1992 aan de rechtsvoorganger van IGAT B.V. werd verwacht dat de afvalberging in 10 jaar zou zijn volgestort. Mede vanwege het van overheidswege gevoerde beleid om het storten van afval te beperken, is de afvalberging na 10 jaar niet vol. Het is thans de verwachting dat de afvalberging tot 2017 in bedrijf kan blijven. In verband met het expireren van de vergunning van 7 januari 1992 heeft IGAT B.V. op 1 juni 2001 een nieuwe vergunning aangevraagd voor een periode van 10 jaar. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het voortzetten van de huidige activiteiten, namelijk het exploiteren van de Afvalberging Derde Merwedehaven en het exploiteren van de scheidingsinstallatie. Voorts is vergunning gevraagd voor het uitbreiden van de bedrijfsactiviteiten met biologische grondreiniging, een doorgangsdepot voor bagger, het gebruik van de kade voor aan- en afvoer van materiaal van derden, verruiming van de acceptatiemogelijkheden ten behoeve van de scheidingsinstallatie en het bufferen van (afval)stoffen.

Binnen de inrichting komen verscheidene afvalwaterstromen vrij. Het effluent van zuiveringsinstallatie B, het onttrokken grondwater uit het eerste watervoerend pakket en het afvalwater afkomstig van de overslag van goederen worden rechtstreeks geloosd op de Beneden Merwede. De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Staatssecretaris van V&W) heeft bij besluit van 2 april 2002 voor deze lozingen vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend. Indien de kwaliteit van het effluent van zuiveringsinstallatie B en het onttrokken grondwater uit het eerste watervoerend pakket niet voldoet aan de lozingsnormen van de vergunning van de Staatssecretaris van V&W worden deze afvalwaterstromen op de gemeentelijke riolering geloosd. Deze afvalwaterstromen worden met het huishoudelijk afvalwater, het laboratoriumafvalwater en het effluent van zuiveringsinstallatie A via de gemeentelijke riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie ‘Eiland van Dordrecht’ geloosd op oppervlaktewater. Deze laatste in het bestreden besluit vergunde lozingen worden thans bestreden.

2.3. Appellant voert aan dat ten onrechte geen beoordeling heeft plaatsgevonden of een milieu-effectrapport moet worden opgemaakt.

De Afdeling overweegt dienaangaande dat de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en het Besluit milieu-effectrapportage 1994 niet voorzien in een dergelijke beoordeling. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Appellant voert aan dat in strijd met de artikelen 7, vierde lid en 7b, vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren geen advies is uitgebracht door de Staatssecretaris van V&W en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: gedeputeerde staten) op de aanvraag om de onderhavige vergunning.

2.4.1. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren stelt het orgaan dat bevoegd is de beschikking op de aanvraag te geven, de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorganen in de gelegenheid hem van advies te dienen omtrent het ontwerp van de beschikking.

Ingevolge artikel 7b, vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren brengt - kort samengevat - het orgaan dat krachtens artikel 8.28 van de Wet milieubeheer bevoegd is op de aanvraag te beslissen, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag krachtens deze wet advies uit met het oog op de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen om een vergunning. Dat orgaan wordt voorts in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op aanvraag.

2.4.2. De Afdeling stelt vast dat de Staatssecretaris van V&W noch gedeputeerde staten bij het Besluit van 8 november 1980 houdende aanwijzing van adviseurs ingevolge artikel 7, derde lid, en artikel 7a, vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren zijn aangewezen om verweerder van advies te dienen omtrent het ontwerp van het besluit. Dit beroepsonderdeel kan derhalve niet slagen. De Afdeling stelt voorts vast, gelet op de overgelegde stukken, dat gedeputeerde staten in strijd met artikel 7b, vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren geen advies hebben uitgebracht op de aanvraag om de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Wel blijkt uit de stukken dat de aanvragen om de vergunningen krachtens de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren gelijktijdig zijn ingediend, dat sprake is geweest van een gecoördineerde behandeling van de aanvragen, dat gezamenlijk een hoorzitting heeft plaatsgevonden en dat de bevoegde gezagen omtrent de respectievelijke aanvragen onderling hebben overlegd. Gebleken is dat appellant en potentiële belanghebbenden niet door deze schending zijn benadeeld. De Afdeling ziet dan ook in het vorenstaande aanleiding de schending van dit vormvoorschrift te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) worden aan een vergunning voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wvo zijn met betrekking tot een vergunning, als de onderhavige, onder meer de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de lozing kan veroorzaken voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en de doelmatige werking van het betrokken zuiveringstechnische werk door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.6. Appellant stelt dat niet duidelijk is of het bestreden besluit is getoetst aan de Richtlijn van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijk stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (76/464/EEG) (hierna: de Richtlijn 76/464/EEG).

2.6.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt op welke wijze verweerder met de Richtlijn 76/464/EEG rekening heeft gehouden. Niet is gebleken dat de in de Richtlijn 76/464/EEG opgenomen verplichtingen door verweerder zijn miskend. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.7. Appellant stelt dat ten onrechte een maximum lozingsdebiet van 1.200 m3 per dag is vergund. Hij acht dit lozingsdebiet te hoog. Hij verwijst in dit kader naar het gemiddeld lozingsdebiet in het jaar 2000 van 735 m3 per dag. Hij betoogt verder dat de aan de vergunning verbonden grenswaarden in strijd met het stand-stillbeginsel te ruim zijn vastgesteld.

2.7.1. Verweerder stelt dat het vergunde uurdebiet is verleend in overeenstemming met de aanvraag. Hij betoogt dat bij het vaststellen van het maximum uurdebiet rekening moet worden gehouden met pieken in de aanvoer van verontreinigd water. Verder voert hij aan dat wat betreft de stoffen cadmium en kwik, die zijn aangewezen in lijst I behorende bij de Richtlijn 76/464/EEG, de in voorschrift 4.1 opgenomen lozingsnormen ten opzichte van de vergunning van 7 januari 1992 zijn verscherpt en dat wat betreft de overige stoffen de in voorschrift 4.1 opgenomen lozingsnormen niet leiden tot een verslechtering van het ontvangende oppervlaktewater. Volgens verweerder is in zoverre voldaan aan het stand-stillbeginsel.

2.7.2. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1 mogen, voor zover hier van belang, de ingevolge deze vergunning via de gemeentelijke riolering op de awzi “Eiland van Dordrecht” te brengen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, uitsluitend bestaan uit:

a. huishoudelijk afvalwater afkomstig van de sanitaire voorzieningen;

b. afvalwater afkomstig van het laboratorium, in een hoeveelheid van 200 m3 per jaar;

c. afvalwater dat is behandeld in zuiveringsinstallatie A, in een hoeveelheid van maximaal 50 m3 per uur en bestaande uit afvalwater afkomstig van de wasplaats, de tankplaats en afkomstig vanuit de zooldrainage gelegen onder de droge stort, afstromend hemel- en sproeiwater afkomstig van verharde terreindelen en condensaatwater afkomstig van de stortgasonttrekkingsinstallatie;

d. afvalwater dat is behandeld in zuiveringinstallatie B, in een hoeveelheid van maximaal 20 m3 per uur en bestaande uit afvalwater afkomstig van het baggerspeciedepot en afvalwater afkomstig van de scheidingsinstallatie;

e. afvalwater onttrokken uit het eerste watervoerend pakket binnen de schermwand, in een hoeveelheid van maximaal 1.100 m3 per dag.

In voorschrift 4.1 is bepaald dat in het afvalwater afkomstig van zuivering A ter plaatse van de monsternamevoorziening, het gehalte van bepaalde nader genoemde stoffen de daarbij vermelde waarde niet mag overschrijden.

2.7.3. De Afdeling stelt vooreerst vast dat voor de lozing van het effluent vanuit zuivering A een debiet van 1.200 m3 per dag is aangevraagd. Het vergunde lozingsdebiet van maximaal 50 m3 per uur komt hiermee overeen. Uit de stukken komt naar voren dat het influent van de zuivering A wordt bepaald door afvalwater afkomstig van de wasplaats, de tankplaats, uit de zooldrainage onder de droge stort, afstromend hemelwater en sproeiwater afkomstig van de harde terreindelen en condensaatwater afkomstig van het stortonttrekkingssysteem. Voorts blijkt dat in de periode januari 2001 tot en met juni 2002 op sommige dagen een debiet van 1.200 m3 per dag is geloosd. Daarnaast blijkt uit de overgelegde stukken dat het lozingsdebiet toeneemt vanwege onder meer de uitbreiding van de activiteiten. In het deskundigenbericht wordt opgemerkt dat het influent van de zuivering A kan fluctueren, ten gevolge van bijvoorbeeld hevige regenval, waardoor behoefte kan bestaan om gedurende de dag het uurdebiet maximaal te gebruiken.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellant stelt geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid een lozingsdebiet van maximaal 50 m3 per uur aan de vergunning heeft kunnen verbinden. Deze beroepsgrond treft geen doel.

De Afdeling acht het voorts op grond van de bovenstaande motivering van verweerder en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk dat de in voorschrift 4.1 opgenomen grenswaarden zodanig zijn dat de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater niet zal verslechteren. Gelet hierop en hetgeen overigens uit de stukken is gebleken is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende bescherming bieden tegen aantasting van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.8. Appellant betoogt dat in het bestreden besluit ten onrechte een begrippenlijst ontbreekt. Hij voert aan dat de gehanteerde termen zoals controlepunt, erkende verwerker, praktijkproef en dieptebronnering onduidelijk zijn en in strijd met het beginsel van rechtszekerheid niet in de vergunning zijn gedefinieerd.

2.8.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de in de vergunning gehanteerde begrippen duidelijk zijn en er geen noodzaak bestaat een begrippenlijst aan de vergunning te verbinden.

2.8.2. De Afdeling overweegt dat het opnemen van een begrippenlijst niet wettelijk is verplicht. De opname van een begrippenlijst kan evenwel noodzakelijk zijn indien de in de vergunning gehanteerde begrippen niet eenduidig zijn. Niet geoordeeld kan worden dat hiervan in dit geval sprake is, daar de voornoemde gehanteerde termen in de considerans van de vergunning en in de aan de vergunning verbonden voorschriften in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk zijn. Deze beroepsgrond faalt.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

191-414.